Tussen de regels door
Spiritualiteit vergt veel oefening. De vraag die hierbij aan de orde is, is in hoeverre regels daarbij een rol kunnen spelen. Is het zinvol je te laten leiden door algemene regels? In vroeger tijden was het woord van God voor de meeste mensen nog bepalend, waarbij een circulaire rechtvaardiging gold; Gods woord is goed omdat het Gods woord is. Het morele handelen kende een duidelijke grondslag. Het volgen van regels zoals die in geschriften zijn overgeleverd werd als essentieel gezien voor het bereiken van het goede leven (tot in de eeuwigheid). Alles was gebaseerd op Gods woord; zowel ethiek als persoonlijke zingeving waren daarin gegrond. In de moderne tijd is een dergelijke sacrale ethiek voor de meeste mensen niet meer aansprekend en biedt deze onvoldoende basis voor het laatmoderne leven. Een meer individuele zoektocht naar zin en orde is nodig. Gebruikelijk hierbij is dat goddelijke regels vervangen worden door seculiere, denk aan de rechten van de mens, of een ethiek van plichten en deugden. De laatste jaren is er binnen de ethiek echter een discussie of het denken vanuit algemene regels, zij het van traditionele of rationele makelij, niet helemaal moet worden opgegeven. Filosofen als Martha Nussbaum en Jonathan Dancy bepleiten een dergelijk moreel particularisme. Deze discussie is niet alleen relevant voor ethische vragen (wat behoor ik te doen), maar ook voor het spirituele domein (hoe kan ik een zinvol leven leiden).
Morele principes heeft een moreel ontwikkeld persoon niet nodig en wanneer ze wel gebruikt worden dan kunnen ze leiden tot verkeerde keuzes, betogen aanhangers van het moreel particularisme. Dat laatste komt omdat algemene principes naar hun aard op vele situaties van toepassing zijn en dus voorbijgaan aan bijzondere eigenschappen van een situatie. Wie zich in een bepaalde situatie geconfronteerd ziet met een keuze en teruggrijpt op algemene principes om tot een oordeel te komen, zal in zijn afweging bijzonderheden die wel relevant zijn buiten beschouwing laten en zo tot een moreel suboptimale keuze komen. Wie handelt naar regels is algauw star en kortzichtig. Particularisten menen niet dat eerdere ervaringen niet relevant zijn bij morele oordeelsvorming. We kunnen en moeten leren van het verleden. Volgens de particularisten kan men prima zeggen "dit kenmerk deed er in situatie X toe en misschien doet het er daarom vanwege de gelijkenis van X ook toe in Y". Wat men volgens hen echter niet kan zeggen is "het deed er in X toe, dus moet het er ook in Y toe doen". Uiteindelijk zal men zelf nog een afweging moeten maken. Regels zijn niet bepalend en in feite overbodig.
Dat regels geen rol meer spelen wil volgens de beroemde filosofe Martha Nussbaum niet zeggen dat we bij morele (en meer in het algemeen alle betekenisvolle) vraagstukken redenen vervangen door emoties en percepties. We moeten blijven redeneren. Maar het is wel van belang dat we daarbij inzien dat emoties zelf ook redenen voor geloof en handeling kunnen zijn, of tenminste essentiële aspecten van goede redenen. Emoties kunnen vaak gezien worden als evaluaties van een situatie of voornemens die een reden kunnen vormen om iets al dan niet te doen. Angst bijvoorbeeld kan een reden zijn om niet te handelen. Liefde kan een morele reden zijn. Emotioneel purisme ligt echter wel als gevaar op de loer; een gevoel is niet altijd een goede reden; het gaat om het samenspel tussen affecties en cognitie. De inbreng van emoties is een goede correctie op rationalisme, maar er moet niet doorgeslagen worden tot een onzuiver emotivisme.
De socioloog Zygmunt Bauman wijst eveneens het belang van algemene regels af. Moreel handelen is volgens hem juist niet het volgen van regels; het veronderstelt onzekerheid en persoonlijke afweging. We ontlopen onze morele verantwoordelijkheid als we externe regels volgen:
" only rules can be universal. One may legislate universal rule-dictated duties, but moral responsibility exists solely in interpellating the individual and being carried individually. Duties tend to make humans alike; responsibility is what makes them into individuals. Humanity is not captured in common denominators-it sinks and vanishes there. The morality of the moral subject does not, therefore, have the character of a rule. One may say that the moral is what resists codification, formalization, socialization, universalization (..) Morality is endemically and irredeemably non-rational-in the sense of not being calculable, hence not being presentable as following impersonal rules, hence not being describable as following rules that are in principle universalizable."
Het lijkt overtuigend. Stel dat in situatie S volgens een regel individu X A zou moeten doen. Als S zich voordoet zou er echter een betere optie beschikbaar kunnen zijn, of niet. Indien er een betere optie is, dan zou het irrationeel zijn om de regel te volgen. Als dat niet het geval is, dan is individu X gerechtvaardigd om A te doen. Niet omdat de regel dat voorschrijft, maar omdat dat (na afweging) rationeel de beste optie is. Regelgeleid gedrag kan zo beschouwd niet gerechtvaardigd worden: of de regel geeft de verkeerde uitkomst en dan is het irrationeel om de regel te volgen, of de regel geeft de goede uitkomst in welk geval de regel overbodig is (McClennan, 2004).
Zijn morele regels dan geheel overbodig? Moreel particularisten als Dancy zullen hooguit stellen dat regels in sommige situaties informatief kunnen zijn, wanneer ze dienst doen als vuistregel, of als een les uit het verleden die een moreel dilemma verheldert, maar een algemene regel kan nooit het laatste woord hebben. Wat in de ene situatie een reden kan zijn (of deze nu gebaseerd is op cognitief inzicht of een emotie of iets anders), hoeft dat niet te zijn in een andere situatie. Dit geldt voor alle redenen en dus ook voor morele redenen, aldus Dancy. Voordat nader gekeken wordt naar de houdbaarheid van de positie van het moreel particularisme is het goed eerst duidelijk te hebben wat een morele regel is.
Een voorbeeld van een morele regel is bijvoorbeeld "wees eerlijk". Een dergelijke morele regel hoeft niet altijd bepalend te zijn, ook al heeft ze een algemeen karakter. De regel schrijft niet voor dat we altijd eerlijk moeten zijn; er zijn immers ook andere algemene regels die tot strijdigheid leiden(zoals "kwets een ander niet onnodig"). Een morele regel als "wees eerlijk" duidt er alleen op dat eerlijkheid een positief kenmerk is, iets waar altijd naar gestreefd moet worden en dat in het voordeel spreekt van een handeling en diens actor. Eerlijkheid is altijd een reden, maar als er sterkere andere redenen zijn, niet altijd een doorslaggevende reden. Volgens deze lijn van redeneren is wat ons te doen staat bij een moreel dilemma of vraagstuk te inventariseren welke relevante algemene morele regels er van toepassing zijn en het belang van deze regels tegen elkaar af te wegen. Kiezen we ervoor om eerlijk te zijn waarbij we een ander kwetsen, terwijl we ook iets hadden kunnen verzwijgen (niet vertellen over het vreemdgaan van een vriend bijvoorbeeld), dan is altijd sprake van een deel immoreel gedrag, omdat een algemene regel overtreden wordt, ook al kan het netto resultaat als positief beschouwd worden. Keuzes zijn dan vaak keuzes voor het minste kwaad (of het grootste goed).
Dat zit particularisten niet lekker. Een regel is kennelijk niet altijd zonder meer goed om te volgen. Waar ontleent deze dan nog zijn algemene geldigheid aan, vraagt Dancy zich af. In het algemeen zou als regel kunnen gelden dat we ons aan onze beloften moeten houden. Maar het is goed voorstelbaar dat dit soms tot immorele uitkomsten leidt. De regel wordt dan dat we eerlijk moeten zijn onder de voorwaarde dat dit niet tot immorele uitkomsten leidt. Nog los van de vraag wat dan immoreel is, kunnen er nog wel meer beperkingen bedacht worden bij dit voorbeeld, zoals dat een belofte niet onder externe druk gemaakt is. Op voorhand lijkt er geen duidelijk einde te zijn aan de beperkingen die aan algemene regels gesteld kunnen worden als deze geconfronteerd worden met allerlei mogelijke omstandigheden.
Hier kan door de generalisten tegenin worden gebracht dat er een kern is van morele redenen, namelijk de deugden, zoals eerlijkheid, barmhartigheid, bedachtzaamheid, behulpzaamheid. Als een handeling deugdzaam is, dan is dat altijd een reden om het te doen. Maar dit redt de regeladepten niet, want ook hier zijn tegenvoorbeelden te bedenken. Niet in alle situaties is het goed om eerlijk te zijn, soms moet snel gehandeld worden en komt bedachtzaam handelen niet van pas, iemand kan soms pas verder komen als hij het zelf moet uitzoeken in plaats van geholpen te worden. Particularisten als Dancy houden vol dat redenen niet algemeen geldig hoeven te zijn om in sommige situaties een moreel argument te zijn; voor generalisten ontlenen morele redenen hun geldingskracht juist aan hun algemeen karakter. Ze vrezen dat zonder die universaliteit redenen hun geldingskracht verliezen en willekeur ontstaat.
Het particularisme kan beschouwd worden als een postmoderne ethiek waarbij de vaste grond onder de voeten wordt weggeslagen. De waarheid bestaat niet, net zomin als algemene regels. Hoewel de argumenten van Dancy steekhoudend lijken te zijn, rijst de vraag op of deze positie in de praktijk niet leidt tot een risicovol relativisme. En als we ons niet kunnen baseren op regels, hebben we dan wel genoeg om op terug te vallen om tot goede oordelen te komen?
Dancy gaat uit van moreel competente personen die prima zelf tot een juist oordeel kunnen komen. Ze vertrouwen op hun kennis, inlevingsvermogen, verbeeldingskracht, emoties en ervaring. Voor de sterk moreel ontwikkelde mens kan dat wellicht voldoende zijn. Maar ik vrees dat het zich verlaten op het persoonlijk reservoir aan vermogens en ervaringen voor de gemiddelde mens ontoereikend is. Dat heeft niets te maken met een neerbuigend paternalisme, maar met de psychologische realiteit van de menselijke natuur en haar neiging tot falen. Als we alleen op onszelf terugvallen, zal het vroeg of laat gebeuren dat we relevante redenen en informatie over het hoofd zien, emotioneel ongepast reageren, het ego te dominant is en non-morele redenen gelijk worden gesteld aan morele redenen om zo onze meer egocentrische neigingen in overeenstemming te brengen met een positief zelfbeeld.
Zonder principes zal het eerder gebeuren dat we ons (te) sterk laten leiden door emoties en stemmingen. Angst, ontevredenheid en vermoeidheid leiden ertoe dat we ons minder aantrekken van anderen. Principes, wanneer ze goed geïnternaliseerd zijn, kunnen deze morele verzanding tegengaan. Ook al voelen we ons niet goed, dan nog zullen we er zijn voor anderen en bereid zijn tijd en geld te geven. Hetzelfde geldt ook voor het eigen (spirituele) welzijn. Zonder principes kiezen we eerder voor de makkelijke weg, terwijl dat niet altijd de beste weg is. Regels behoeden ons kortom voor twee gebreken: een motivatietekort en een informatietekort (wanneer regels opgevat worden als gestolde wijsheid uit de geschiedenis).
Regels hoeven verder niet altijd irrationeel te zijn als ze niet tot de beste uitkomsten leiden (McClennan). Denk aan "metaregels", zoals de regel om slechts beperkt te delibereren om zo tijdskosten te besparen. Of regels voor gecoördineerde actie om processen mogelijk te maken waarbij iedereen redelijk handelt. Hierbij kan ook gedacht worden aan regels die zelfbinding, waarbij het individuele nut niet gemaximaliseerd wordt, tot stand brengen om zo toekomstige suboptimale uitkomsten te verhinderen. Regels fungeren dan als de masten waar Odysseus zich aan vastbond om niet naar de verleidelijke maar gevaarlijke Sirenen te varen. Wanneer coördinatie tot toekomstig voordeel strekt, dan is er een reden om zich te committeren aan een regel die dat mogelijk maakt. Gedacht kan worden aan iemand die op dieet is en maatregelen neemt om te voorkomen dat hij of zij in de toekomst te veel zal eten, of aan een boer die een andere boer helpt met de oogst die als eerste klaar is onder de voorwaarde dat de ander hem later ook met de oogst helpt (dit veronderstelt vertrouwen of het volgen van een regel om een Prisoner's dilemma te voorkomen). Regels zorgen ervoor dat we sterker gemotiveerd blijven om lange termijnpreferenties, die meer waardevol worden bevonden dan korte termijn preferenties, te vervullen.
Particularisten stappen te makkelijk over het belang van regels heen. Zo zegt Dancy dat het aandragen van argumenten om het egocentrisch belang voor het algemeen belang te verkiezen, tegengegaan kan worden door grondige beschouwing van die argumenten. Zij het geen egocentrische rationalisaties en bieden ze echt wel uitzonderingsgronden om niet in het algemeen belang te handelen? Een dergelijk zelfonderzoek vraagt nogal wat. Voor veel mensen werkt het uitgaan van bijna-algemene principes dan toch beter. Afhankelijk van de graad van morele ontwikkeling zijn er veel mensen die volledig dreigen te ontsporen zonder morele principes. Dat geldt niet alleen voor kinderen of jongeren uit ontspoorde gezinnen, maar ook voor veel volwassenen. Het moreel particularisme lijkt op een elite-ethiek.
Behalve op algemene principes en onszelf kunnen we ons bij belangrijke keuzes ook baseren op competente personen. Dat kunnen levende mensen zijn die kennis van zaken hebben en over veel ervaringskennis en wijsheid beschikken (naar analogie van de dorpoudsten in primitieve samenlevingen). Martha Nussbaum ontwaart in haar werk ook veel wijsheid en inspiratie voor hedendaagse morele vraagstukken uit de geschiedenis van het denken, met name de oude Grieken. Het gaat erom dat we niet achter een goeroe of zelfverklaard deskundige aanlopen, maar dat we wel bereid zijn voorbij ons eerste oordeel te kijken en serieus het inzicht van competente anderen te betrekken in onze oordeelsvorming en dit temeer we meer in onzekerheid verkeren.
Toch blijft dit een lastig punt. Ten eerste zullen we vast moeten stellen wie relevante competente gidsen kunnen zijn, zo die er al zijn. Het verleden kan daarbij vaak niet helpen; veel problemen zijn immers typisch voor de moderne samenleving en daarin ontbreekt het juist aan morele autoriteiten. En als we al dergelijke autoriteiten vinden, dan nog is twijfel aan die autoriteit niet onredelijk (al wordt daarin ook doorgeslagen, zoals bij het klimaatdebat). Ook competente mensen kunnen kortzichtig zijn en fouten maken. Juist daarom blijven algemene regels zo aantrekkelijk. Daarnaast kunnen aansprekende voorbeelden en inspiratiebronnen soms tekort schieten om echt van hulp te zijn. De vraag komt zo op of er geen tussenweg mogelijk is tussen het volgen van regels en een particularisme wat ook niet zonder bezwaren is.
Een uitweg zou kunnen zijn om in plaats van harde regels uit te gaan van in vrijheid gekozen richtlijnen. Bij richtlijnen gaat het niet om dogma's of geboden, maar om uitnodigingen tot een manier van handelen die tot duurzaam geluk kan leiden. Ze zijn uitdrukkingen van waarden en bevorderen dat het leven geleefd wordt naar die waarden. Een voorbeeld van een richtlijn die ik zelf hanteer is het lezen van 25-40 pagina's per dag. Op die manier zorg ik ervoor dat ik voldoende tijd besteed aan wat ik belangrijk vind, aan wat voor mij van waarde is (persoonlijke ontwikkeling, leren, verruiming van het blikveld en gewoon simpel het genot van opgaan in spannende en mooie verhalen). Zo voorkom ik dat me te veel overgeef aan bijvoorbeeld tv-kijken, doelloos internetten en andere activiteiten die uiteindelijk minder bevredigend zijn. Maar er zijn natuurlijk veel meer dingen van waarde dan lezen en als die zich aandienen dan is het geen punt om een keer niet aan deze richtlijn te voldoen. Ook moeheid of bepaalde verplichtingen kunnen een reden zijn om een richtlijn niet te volgen, zonder dat schuldgevoelens optreden. Bij richtlijnen is regelfetisjisme niet aan de orde, evenmin als vrijblijvendheid.
Richtlijnen zijn mogelijkheden om het beste in de mens naar boven te halen. Ze kunnen ook slijpstenen, zijn, gevormd door de eeuwen heen, waaraan intuïties getoetst worden. Richtlijnen bieden structuur; ze geven onze betere neigingen gestalte en consistentie. Door zo onze betere natuur geregeld tot uitdrukking te brengen, raken we daar steeds meer mee vertrouwd en vereenzelvigen we ons er ook meer mee. Een richtlijn herinnert de mens aan haar morele natuur, aan de morele impuls (Bauman) en aan wat we echt belangrijk vinden. Deze ethische visie krijgt onder meer gestalte in het boeddhisme.
Gedragsregels zijn daar niets meer dan middelen om het verlangen dat leed wordt verminderd, het verlangen er voor onszelf en de ander te zijn (compassie) op te wekken. Het zijn geen ethische imperatieven, maar voorschriften of recepten om uiteindelijk verlichting te bereiken (De Wit: 181). Het boeddhisme nodigt het individu hiermee uit om de beperkingen van het ego te overwinnen, waarbij mindfulness en emoties een belangrijke rol spelen. De keuze van richtlijnen zal per individu verschillen en vraagt om een persoonlijke zoektocht. Het is daarbij goed om breed te oriënteren in diverse wijsheidstradities. Soms kunnen hieruit richtlijnen worden overgenomen, soms blijken persoonlijke amendementen of nadere concretiseringen nodig (om voldoende actiegericht te zijn). Dat biedt weer de mogelijkheid om ze eigen te maken en zo een betere bescherming te bieden tegen de verlokkingen en zwakheden waarmee we geconfronteerd worden.
Te strenge richtlijnen die telkens overtreden worden, werken ontmoedigend en soms zelfs demoraliserend. Persoonlijk zijn dagelijks mediteren en vegetariër worden, ook al zou ik dat ergens wel willen, voor mij te hoog gegrepen. Daarom hanteer ik als richtlijn een paar keer per week mediteren en minder vlees eten en indien beschikbaar biologisch. Goede richtlijnen halen het beste in ons boven, maar zijn ook haalbaar en dienen bij te dragen aan persoonlijk welzijn. We mogen best eens afwijken, zolang voldoende investering in een waardevolle activiteit, of het langere termijndoel, maar niet in gevaar komt.
Een ander belangrijk voordeel van het leven naar richtlijnen is dat ze bijdragen aan een sterke identiteit. Het draagt bij aan een positief zelfbeeld, houvast en het stellen van grenzen die we niet over willen gaan. Dit kan zonder de verstarring, bekrompenheid en kortzichtigheid die kunnen optreden bij het volgen van algemene, externe regels. Richtlijnen zijn immers vrij gekozen en niet dwingend. En opener dan regels; ze zijn uitdrukkingen van waarden, wat betekent dat ze soms door andere waarden overruled kunnen worden. Fetisjisme dient vermeden te worden; het gaat er uiteindelijk om dat we waardevolle dingen doen die bijdragen aan een goed leven. Het komt er dan op aan (wat je levenskunst zou kunnen noemen) het relatieve belang van waarden in de gaten te houden, uitgaande van persoonlijke behoeften en die van anderen. Tegelijk zijn richtlijnen niet vrijblijvend. Van belang is dat we ze serieus nemen, dat is dat we als uitgangspunt nemen dat we ons aan richtlijnen committeren (nadat we ze geaccepteerd hebben) om zo te voorkomen dat onze zwakheden de overhand krijgen. Het goede leven is zo een evenwichtskunst, balancerend tussen vrijheid en binding.
Bronnen
-Zygmunt Bauman (1993). Postmodern ethics
-Moral particularism, in Stanford Encyclopedia of Philosophy
-E. McClennan (2004). The rationality of being guided by rules. In: Handbook of rationality
-Han de Wit (1998/2010). De lotus en de roos
19/7/11