Tussenbalans

Het gaat bij spiritualiteit om het innerlijk leven. Wat is dat ik, hoe wil het ten diepste zijn en zich verhouden tot de wereld en hoe kan dit alles bereikt worden?

Het is tijd om een tussenbalans op te maken van mijn studie naar spiritualiteit. Waar heeft het spirituele betrekking op? Vele antwoorden zijn mogelijk, maar volgens mij kan de essentie van (no nonsense) spiritualiteit samengevat worden met de termen bewustzijn, vrijheid en verbondenheid. Op basis van wat ik tot nu toe gelezen heb, lijken dit mij de fundamentele concepten en idealen binnen het domein van moderne spiritualiteit (dat wil zeggen die spiritualiteit die in lijn is met de wetenschap). De veronderstelling hierbij is dat het steeds meer realiseren van deze mentale toestanden in het leven bijdraagt aan meer duurzaam geluk. Maar dat laatste kan geen direct spiritueel ideaal zijn. Een leven zonder pijn is onmogelijk, maar ook onwenselijk; van spirituele ontwikkeling mag niet verwacht worden dat het lijden buitensluit of oplost. Wel kan het realiseren van meer vrijheid, bewustzijn en verbondenheid het lijden verminderen. Zo zag Boeddha zijn leer ook, maar hij realiseerde zich dat het verdwijnen van het lijden voor gewone stervelingen niet is weggelegd. Geluk kan alleen via indirecte weg gerealiseerd worden. Wie direct naar geluk streeft zal zich te pletter lopen. En zoals de filosoof Simon Critchley in een interview met de Volkskrant van 1 oktober jl. stelde, is geluk als de vervulling van onze wensen eigenlijk een armzalig idee. En nogal egocentrisch. Een ander bezwaar tegen geluk als streven is dat een voortdurend besef van de afwezigheid van geluk als een schaduw over het leven zal liggen. Wie geluk centraal staat, ziet des te scherper de afwezigheid daarvan. Daarom is het beter om het streven naar geluk te staken en een andere oriëntatie te kiezen. Om dezelfde reden kan ook verlichting (wat dat ook moge zijn) geen spiritueel doel zijn. Noch zijn alleen mensen die naar eigen zeggen een verlichtingservaring hebben gehad echt of meer spiritueel dan mensen die dat niet hebben bereikt.

In het christendom is overgave het ideaal. Binnen een moderne spirituele leer kan dit ideaal echter geen plaats hebben, tenzij God begrepen wordt als het Goede waar de mens zich op richt om het menselijk tekort zo te ontstijgen. God als hypothese, of benaming voor een goddelijke natuur die tot uitdrukking gebracht dient te worden. Deze invulling past in een moderne interpretatie van spiritualiteit, maar is niet het hele verhaal. Spiritueel leven is meer dan dienstbaarheid aan een moraal of moreel leven; spiritualiteit is meer dan ethiek en voorzover ze een ethische component bevat dan ook alleen een bijzondere, namelijk die van een universele of holistische ethiek. Zingeving wordt ook vaak als de zaak van het spirituele beschouwd, maar niet iedere betekenis of zin die aan het leven gegeven wordt kan als spiritueel beschouwd worden, zoals een voetbalclub steunen of rijk worden. Een spiritueel leven veronderstelt op zijn minst een element van transcendentie uit het alledaagse. Niet in de zin van zogenaamde diepere waarheden (The secret, verborgen wetten van de kosmos, hogere energieniveaus etc.) die we zouden moeten ontdekken, maar stilstaan bij wat echt belangrijk is en daar naar leven. De miljonair in spe en de voetbalfanaat gaan niet diep genoeg. Hun passies zijn uiteindelijk ook gegrond in waarden. Die waarden worden nader beschouwd en afgezet tegen andere mogelijkheden bij een spiritueel zelfonderzoek. Maar dat kan pas aanvangen als daar een behoefte aan is, een gemis; wie tevreden is met zijn bestaan kan niet in het spirituele treden.

Bewustzijn

Meestal begint een spirituele zoektocht door het lezen van boeken, zo is het tenminste bij mij gegaan. Door te lezen over spirituele onderwerpen kan een idee gevormd worden hoe je moet zoeken. Tevens draagt het bij aan bewustwording, en inzicht dat door oefening en aandacht eigen gemaakt kan worden. Zo ben ik kom tot de conclusie gekomen dat bewustzijn de kern van moderne spiritualiteit is. Maar wat is bewustzijn? De kortste definitie is ervaring van de realiteit. Ervaren is synoniem met gewaarzijn, observeren en met aandacht benaderen, of populairder: in het nu zijn. Ja, zelfs met de ervaarder zelf. Niets meer en niets minder. Het gaat om een zijnsmodus waarbij evaluaties en oordelen achterwege blijven. We kunnen meer of minder bewust zijn en bij spiritualiteit gaat het erom steeds bewuster te worden. Doorzien hoe dingen werken. Kennis op zich kan een bepaald aspect van de werkelijkheid ontsluiten, maar als we altijd gewend waren de werkelijkheid anders of onvolledig te zien, dan zal die kennis er alleen niet toe leiden dat we daarmee ook in overeenstemming handelen. Dat vraagt een doorleefd ervaren. Kennis kan wel helpen. Als we leren hoe de mens is, dan kunnen we die kennis herkennen in onze ervaringen, we leren meer te zien. Zo kunnen psychologen vertellen dat je bepaalde neigingen hebt, of dat sociale situaties je gedrag op een bepaalde wijze sturen. We nemen kennis van dergelijke algemene inzichten, maar deze ook in het eigen leven herkennen en er rekening meehouden is een tweede. Dat vraagt een structureel ontwikkeld bewustzijn dat krachtig genoeg is om weerstand te bieden tegen emotioneel onweer en de kracht van het ego; het moet er zijn als we het echt nodig hebben. Minstens zo belangrijk om bewuster te worden is luisteren naar het lichaam. Bewustzijn van je lijf is nodig om bewust te zijn van je geest. Iedere spirituele leer van betekenis verwerpt een scheiding tussen beide. In de woorden van Robert Hartzema: "Terwijl je hoofd altijd de realiteit verwart met projecties en herinneringen is het lichaam veel duidelijker en directer in zijn ervaringen."

Het gaat er ten eerste om bewust te worden van de aard van de (fenomenologische) realiteit. Die is zoals het boeddhisme leert dynamisch en interdependent. Verder gaat het, ten tweede, om te doorzien hoe die realiteit geïnterpreteerd wordt. We nemen nooit de realiteit direct waar. Het begint al met de hersenen die de realiteit aanvullen met mentale beelden. Zien is een reconstructie van de werkelijkheid door de hersenen. Het is nauwelijks mogelijk die illusie te doorprikken. We zien wat de hersenenen denken dat ze moeten zien en wat mist wordt aangevuld. Dat is de eerste sluier op de realiteit. De tweede is die van de benoeming; door taal proberen we de werkelijkheid te vangen door haar te identificeren en in te delen, maar iedere benaming sluit ook uit. Ieder woord is een grafsteen, zoals de filosoof Zizek het eens met gevoel voor drama zei. Een verdere stap is dat we door middel van taal de werkelijkheid interpreteren, theoretiseren (verbanden leggen). Dat is de derde sluier. De vierde sluier is die wanneer het ego haar werking doet, dat is wanneer we de werkelijkheid zien en beoordelen vanuit de belangen van het ego en daar vervolgens ook naar handelen. De projecties en de verstoring door herinneringen uit het eerdere citaat van Hartzema bijvoorbeeld. Aan de conceptuele werkelijkheid worden waarderingen, evaluaties en oordelen verbonden (positief, negatief, neutraal) die het ego dienen, zoals zelfoverschatting en attributiefouten en andere self-serving biases. Door een proces van groeiende bewustwording kunnen we een steeds beter zicht krijgen op de werkelijkheid. Dat begint door helder waar te nemen, zonder te oordelen, in het nu. Aangezien het zelf ook deel uitmaakt van de realiteit, dient ook het zelf zich bewust te worden. En dat komt neer op de negatie van het zelf. Het zelf als onafhankelijke entiteit bestaat namelijk niet. Het zelf als idee van een innerlijk centrum dat het leven stuurt en bewust beslissingen neemt, is een illusie zoals de historische Boeddha al leerde en wat nu door de neurowetenschap wordt bevestigd. Er is geen homunculus in ons hoofd. Het zelfbewustzijn kiest ook niet maar is getuige van de keuze die de hersenen maken. De hersenen genereren zelfbewustzijn. De Portugese neuroloog Damasio meent zelfs dat er een centrum voor zelfbewustzijn bestaat. Door een storing in de hersenstam functioneerde het brein van zijn patiënten goed, maar het gevoel ontbrak dat lichaam en brein een identiteit hadden en dat de naam die telkens herhaald werd, de naam was die bij die identiteit hoorde. Het besef ontbrak dat er iets met dergelijke signalen gedaan zou moeten worden. Volgens Damasio zetelt in de hersenstam ons zelfgevoel, maar het is wel een geproduceerd gevoel, een wat filosofen noemen epifenomeen. Dit zelfgevoel is bij veel dieren afwezig en die kunnen dan ook geen helder onderscheid maken tussen het zelf en de omgeving, net als baby's. Denk aan honden die achter hun staart aanlopen. Zoals wetenschapsjournalist Mark Mieras stelt is het zelfbewustzijn een verhaal dat de hersenen achteraf rond ervaringen weven. De hersenen ervaren en nadien volgt de ondertiteling als het ware. Het zelfbewustzijn is dat wat wordt toegevoegd; de hersenen scheppen het bewuste ik, temidden van een zee van onbewustzijn. Het zelfbewustzijn stuurt niet, maar beschrijft wat er gebeurt, het is als de hoofdpersoon in een verhaal dat de hersenen schrijven, aldus Mieras. De psychologe Susan Blackmore: "Er is geen denker die denkt en geen observator die observeert, er is alleen ervaring".

Volgens verschillende psychologen en filosofen scheppen de hersenen een zelfbewustzijn om een bestendige identiteit te creëren omdat sociale wezens als de mens zo'n ik-verhaal nodig hebben om samen te kunnen leven. Om elkaars gedrag te interpreteren is het veronderstellen van een duurzaam ik nuttig. Hoewel dit waarschijnlijk de belangrijkste functie van zelfbewustzijn is, brengt ze ook het voordeel met zich mee van intenser kunnen genieten en waarderen. Een bewust ik voegt genot toe door bijvoorbeeld fantasie, verlangen en het vermogen van dingen te genieten, zoals een mooi landschap, wat een niet bewust dier niet kan. Daar tegenover staat natuurlijk de last van het zelfbewustzijn. En helaas heeft het zelfbewustzijn een voorkeur voor donkere, negatieve en zorgelijke gedachten waarin we dikwijls ongewild figureren. Die voorkeur voor negatieve gedachten is ingebakken in het brein omdat ze ons zo wijst op mogelijke gevaren wat de overlevingskansen vergroot (zie Csikszentmihalyi, 1993). Die waarschuwende functie waarbij doemscenario's en gepieker telkens weer opkomen, zou in de praktijk wel wat minder scherp afgesteld mogen zijn! Ook wanneer het ego het zelfbewustzijn bezet en we bezig zijn met de blik van de ander (hoe kom ik over? Wat vindt hij of zij van me?) is ze storend en een hindernis voor innerlijke vrijheid. Juist in een liberale samenleving dreigt de gerichtheid op het staren van derden (Lacan) het individu van zijn innerlijke vrijheid te beroven. Ondanks deze donkere kant van het zelf zouden de meeste mensen er vermoedelijk niet voor kiezen om verder onbewust te leven als die mogelijkheid zich zou voordoen. Het gaat erom het (zelf)bewustzijn te zuiveren en preoccupaties van het ego los te laten zodat we helderder kunnen waarnemen. Naarmate die vaardigheid beter ontwikkeld is, kan de bewuste geest veel moois voortbrengen. Meer bewustzijn vormt de basis van de andere elementen van een spiritueel leven, vrijheid en verbondenheid, hoewel alledrie elkaar beïnvloeden. Verhoogd bewustzijn draagt bij aan meer inzicht dat gebruikt kan worden om vrijer te worden.

Als we eenmaal doorzien hoe we geconditioneerd en gedetermineerd worden kunnen we ervoor kiezen om daar ruimte in aan te brengen. Enerzijds krijgen we meer zelfcompassie omdat we inzien hoe bepaald en afhankelijk we zijn; zo draagt bewustzijn bij aan minder schuldgevoel. We leren immers inzien dat we ook maar beperkt zijn, hoewel dat nooit een argument voor resignatie mag zijn. Want anderzijds vergroot datzelfde bewustzijn ook de locus of control. Wanneer we inzien dat het ook anders kan, wordt onze verantwoordelijkheid aangesproken. We moeten de vrijheid nu veroveren! Ten slotte gaat het erom dat we ook bewust worden van onze schaduwzijde, onze slechte neigingen, zodat een begin gemaakt kan worden van de vorming van de persoon die we werkelijk willen zijn. Dat veronderstelt het telkens weer bewust zijn van het ego en haar destructieve krachten. Net zoals een schaduw niet echt iemand is, zo dienen we het ego ook te ontmaskeren als een constructie die ons niet verder helpt en in essentie komt dat neer op oefenen in onthechting. Het ego is immers het ik-besef dat tot stand komt door identificaties (met status, geld, bezit, roem, bovenal de blik van de ander). Het komt erop aan dat we door verschuiving van het verborgen subjectieve naar het bewust ervaren objectieve (Robert Kegan) het vermogen krijgen steeds vrijer te worden en zo het leven meer in eigen hand kunnen nemen. Dat betekent niet een route naar intenser individualisme. Integendeel. Door te observeren, met oprechte aandacht, ontstaat vaak meer begrip, meer waardering. En bij mensen keert die oprechte aandacht ook dikwijls terug door meer sympathie. Door het bewust worden van de illusie van een onafhankelijk zelf kan het benauwde ik met haar obsessies en zelfingenomenheid ontstegen worden en ontstaat er ruimte voor de wereld en verbondenheid. We zien dat we deel zijn van grotere verbanden waar we ons ook betrokken toe voelen. Uit bovenstaande blijkt wel de nauwe relatie van bewustzijn en vrijheid, de tweede kerncomponent van een spiritueel leven in de moderne tijd wat mij betreft.

Vrijheid

Vrijheid in spirituele zin is innerlijke vrijheid. Bewustzijn is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde om innerlijk vrij te kunnen zijn. Het bereiken van innerlijke vrijheid is enerzijds een proces van bevrijding, van het afleggen van innerlijke beperkingen en anderzijds een proces van verwerving. Wil vrijheid ook gestalte krijgen in de dagelijkse praktijk waarin gehandeld moet worden (de concrete werkelijkheid, de doe-modus), dan is een positief vrijheidsstreven noodzakelijk. Daarbij gaat het om autonomie en zelfsturing op grond van de diepste overtuigingen. Maar de eerste vraag is: waarvan dienen we ons te bevrijden? Simpel gezegd alles waardoor we ons klem zetten en wat zo bijdraagt aan het lijden. Dat kunnen zelfbeperkende gedachten zijn of in ergere gevallen psychische stoornissen, of zelfdestructieve verlangens (dwangmatig gedrag bijvoorbeeld). Verder kan een gebrek aan emotionele beheersing een beperking zijn. Ook overidentificaties waardoor we bijvoorbeeld teveel gehecht zijn aan oordelen van anderen belemmeren de innerlijke vrijheid. Hierdoor kunnen we niet helder kijken en wordt ons zelf te veel bepaald door te beperkte en bovendien onzekere en tijdelijke uitwendige gegevens. Het leven door de ogen van de ander is een rem op vrijheid. Vaak gaat dat ook gepaard met statusangst. Een op de ander gericht zelf (het ego) staat haaks op innerlijke vrijheid. Om onszelf te beschermen tegen een beschadigd zelfbeeld zetten we ofwel een offensieve ofwel een defensieve strategie in (door zelfbeschermingsconstructies, zoals rationalisatie, of ontwijkgedrag). We bouwen muren op om ons veilig te voelen. Een veilige ruimte, grenzen stellen is ook nodig, maar bedacht moet worden dat we daarmee altijd te veel buitensluiten. Terughoudendheid is geboden. Of we zien ons falen en worstelen met schuldgevoelens en zelfhaat. Al deze manieren duiden op innerlijke onvrijheid en bij spirituele oefening gaat het erom dat te verminderen. Dat kan door bewustwording (via meditatie), maar ook door therapie , zoals Gestalttherapie, cognitieve gedragstherapie of rationeel-emotieve therapie.

Bij innerlijke vrijheid is in tegenstelling tot bewustwording interpretatie nodig. Het gaat niet alleen om het onderkennen wat er gebeurt, maar ook waarom. Ook spelen evaluaties hier een rol. Waar het bij bewustworden alleen gaat om scherp en meedogenloos gewaarzijn en ervaren, is voor het proces van bevrijding ook interpretatie en duiding (meestal in gesprekken) nodig. De spirituele vrijheidspraktijk voegt dus nog een dimensie toe. Sommige spirituele leren, zoals zen en taoïsme, staan afkerig tegen kennis en interpretatie, maar ik geloof niet dat innerlijke vrijheid reduceerbaar is tot, noch geheel realiseerbaar is door bewustwording. Ten eerste omdat we deels blind voor onszelf zijn en de hulp van anderen (of theorieën) nodig hebben om vrij te worden. Ten tweede omdat bevrijding zelfkennis en reflectie vereist en tevens oefening. Dat wordt vooral duidelijk als we toekomen aan de positieve kant van vrijheid. Vrijheid is niet alleen afwezigheid van, maar ook aanwezigheid van bepaalde elementen die het vrije individu door het leven helpen navigeren. De innerlijk vrije mens is niet alleen bevrijd van innerlijke, zelf geconstrueerde blokkades (als reactie op een bedreigende en onzekere buitenwereld). De herwonnen leegte vult zich met levensenergie, met een positievere, opener houding naar de wereld, want echte vrijheid is dan wel innerlijk, maar dat innerlijk staat altijd in relatie en wordt gevormd door wat buiten ligt. Wat aanwezig is bij het vrije individu is een gevoel van richting (in plaats van disoriëntatie). Je hoeft nog niet een passie gevonden te hebben of overtuigd te zijn dat je de zin van je leven ontdekt hebt om vrij te zijn. Het gaat erom hierop gericht te zijn, te werken aan het vormen en ontdekken van wat je ten diepste motiveert. Spiritualiteit in deze dimensie betekent bijvoorbeeld een baan die weinig bevrediging geeft opzeggen en je richten op iets waar je vermoed dat je hart echt ligt, zoals hulpbehoevenden bijstaan of creatief werk gaan doen dat minder verdient maar wel meer bevrediging geeft. Risico's nemen hoort bij een spiritueel leven. Positieve vrijheid gaat ook over het hebben van een waardenoriëntatie. Waarden staan voor wat belangrijk is voor het individu, ze kunnen beschouwd worden als "gekozen levensrichtingen" (Hayes). Waarden zijn dus geen doelen. Het stellen van doelen kan belangrijk zijn, maar doelen behoren niet tot het spirituele domein. Voor een betekenisvol leven is het wel van belang dat doelen gegrond zijn in persoonlijke waarden. Ze zijn dan invullingen en markeringen van waarden. Het spirituele gaat over wie je fundamenteel wilt zijn en wat voor jou van waarde is; doelen dienen daar idealiter een plaats in te hebben, maar we moeten er voor waken ons te veel met doelen te identificeren. Ze kunnen stimulerend zijn, maar ook leiden tot dwangmatigheid en frustratie en schuldgevoelens als ze niet haalbaar blijken. Innerlijke vrijheid als bevrijding van zelfillusies is een voorwaarde om geen verkeerde doelen te stellen. Vanuit spiritueel oogpunt is de weg belangrijker dan het resultaat. Een leven naar persoonlijke waarden is echter niet eenvoudig. We zijn immers gewend om op de automatische piloot, zonder veel reflectie door het leven te gaan. Het vraagt commitment en doorzettingsvermogen. Het concreet maken van waarden door reguliere praktijken (van oefeningen tot rituelen) helpt daarbij.

Een verder kenmerk van positieve innerlijke vrijheid is vertrouwen in het zelf en de ander. Uiteraard geen blind vertrouwen, maar een vertrouwensvolle grondhouding die gerechtvaardigd is. Cynisme en wantrouwen (als grondhouding) zijn wat dat betreft de antipolen van spiritualiteit. Daarnaast is autonomie een kenmerk van positieve innerlijke vrijheid. De fictie dat we onafhankelijke individuen zijn, moet daarbij wel verlaten worden. Spirituele autonomie is het vermogen en de wil hebben om het leven zelf vorm te geven en te sturen in het diepe besef dat we afhankelijke, beperkte wezens zijn. Zoals Hall terecht aangaf is nederigheid een kenmerk van wijsheid en daarmee ook spiritualiteit. Juist dat besef van onze verbondenheid (zie verder) noopt tot de erkenning van de ander (luisteren en openheid betrachten). Autonomie betekent letterlijk zelfwetgeving, wat de onwil impliceert om omstandigheden het leven te laten bepalen, maar dat we leven zoals we dat ten diepste willen, volgens het persoonlijk waardepatroon. Ondanks het feit dat er geen substantieel zelf is en beslissingen niet door een beslisser genomen worden, is een autonoom leven nog steeds mogelijk. Een ander kenmerk is multiperspectivistisch kunnen denken en handelen, dat wil zeggen ruimte kunnen inbrengen in het eigen denken, losraken van gedachtepatronen, het eigen denken kunnen aanschouwen en vanuit een metaperspectief ook een andere invalshoek kunnen innemen die een meer voldragen oplossing in zicht brengt. De vrije mens reageert niet telkens volgens een vertrouwd en ingeslepen stramien, of via een reflex, maar kan soms om meer effectiviteit te bereiken, verrassend uit de hoek komen. Ieder mens heeft dominante gedragstypen, maar naarmate je vrijer wordt kun je daarin meer variëren. Ruimte is de praktische manifestatie van innerlijke vrijheid, het vermogen om actief afstand te nemen, de dingen anders te zien en zo tot effectiever gedrag te komen. Emotionele stabiliteit is ook een kenmerk van innerlijke vrijheid; het emotionele leven is in lijn met het persoonlijk waardepatroon. Het is dus niet van belang dat heftige emoties uitgebannen zijn, zolang deze maar niet zelfbeperkend en destructief zijn en passend zijn bij wat we van waarde vinden. Intens verdriet om het overlijden van een naaste is niet meer dan normaal; woede om sociaal onrecht evenmin, zolang het maar niet leidt tot verkeerd gedrag. Stoïcisme heeft wat mij betreft minder met spiritualiteit te maken dan passie. Ten slotte lijkt me dat acceptatie een belangrijk kenmerk is van positieve vrijheid. Wie zich verzet tegen leed door dit weg te stoppen, bedreigende situaties uit de weg te gaan, of afleiding te zoeken (experiëntele vermijding), er in te blijven hangen, zich te verdoven, etc. kan niet echt vrij zijn. Strategieën die (niet beïnvloedbaar lijden) niet accepteren miskennen dat het lijden dan "ondergronds gaat" en zo haar krachten blijft uitoefenen. Juist door het lijden te accepteren en ten volle onder ogen te komen, kan het aan kracht verliezen, zoals blijkt uit diverse therapieën. In zeker opzicht is de vrije mens (zoals Nietzsche al inzag) hij die ja kan zeggen tegen het leven doordat hij het leven eigen heeft gemaakt, maar tegelijk ook de grenzen daarbij volledig accepteert.

Zoals gezegd is bewustzijn van groot belang voor innerlijke vrijheid. Een gevoeld bewustzijn dat alles tijdelijk is en met elkaar verbonden kan al een groot gevoel van vrijheid opwekken. Onvoldoende bewustzijn van de beïnvloeding die we ondergaan staat innerlijke vrijheid in de weg. Wie niet bewust is van een zelf en zichzelf niet min of meer objectief kan aanschouwen (zelfkennis heeft), is niet in staat om een leven te leiden dat als passend kan worden ervaren en aldus vrij te zijn. Maar andersom is er ook een relatie. Zonder bevrijding van innerlijke blokkades is het moeilijk om een hoger bewustzijn te ontwikkelen. Een diep doorschouwen van het zelf is alleen mogelijk wanneer beschermende mechanismen ontregeld zijn en de almacht van het ego doorbroken is. Een bevrijde geest kan meer ervaren. De spirituele praktijk begint met bewustwording, maar algauw is een interactief proces van vrijheidsvergroting en bewustwording nodig om verder te komen.

 

Verbondenheid

In veel zelfhulpboeken staat centraal hoe we vrijer, gelukkiger en succesvoller kunnen worden. De relatie en verantwoordelijkheid tot de ander komt echter nauwelijks of niet aan de orde. Dit in tegenstelling tot de grote religies die benadrukken dat we niet alleen voor onszelf moeten leven. Vanuit het (eenheids)bewustzijn wordt duidelijk dat we in een diepe verbondenheid met de wereld staan. In het boeddhisme wordt onderwezen dat niets op zichzelf kan staan, er is in de woorden van Tich Naht Hanh alleen inter-zijn. We zijn relationele wezens. Vaak gaan we hier echter aan voorbij. We overschatten onze eigen autonomie en onafhankelijkheid met egocentrisme als gevolg. Wat betekent het om verbonden te zijn? Wanneer er wel verbondenheid ervaren wordt, uit zich dat in: een besef van gedeelde waarden, vertrouwen, een grotere nadruk op overeenkomsten dan verschillen, respect, empathie en in het beste geval compassie. Volledige verbondenheid is zowel cognitief als affectief geactualiseerd. Veruit de meeste mensen voelen zich wel met vrienden en familie verbonden, maar verbondenheid in spirituele zin gaat verder. Spirituele verbondenheid is universeel en uit zich in een diep besef van onderdeel zijn van het universum en alle levende wezens daarbinnen. Zij staat haaks op al te krachtige vormen van groepsgevoel, etnocentrisme en nationalisme omdat deze al snel een uitsluitend karakter krijgen. Mensen hebben een sterke neiging om zich te identificeren met groepen en zij die buiten de groep vallen als minder te zien, zo laat de sociale psychologie zien. Het in-groep vooroordeel treedt zelfs al op als mensen elkaar nooit ontmoet hebben en niet weten wie de andere leden van hun groep zijn. Te sterke hechting aan een specifieke groep brengt daarnaast het risico van deïndividuatie met zich mee.

Om deze redenen zal de spirituele mens zich niet te sterk hechten aan specifieke groepen. Uiteraard zal hij zich sterker verbonden voelen met naasten dan met vreemden, maar hij kijkt altijd verder en kan zich ook als dat nodig is distantiëren. Zijn verbondenheid is uitgebreid tot uiteindelijk alle levende wezens. Behalve het bereik van verbondenheid kan ook onderscheid gemaakt worden naar de intensiteit ervan en uiteraard gaan beide in het algemeen gelijk op. Verbondenheid kan zwak of krachtig ontwikkeld zijn. Een zwakke vorm van verbondenheid is latente hulpbereidheid bij confrontatie: de neiging een vreemde te helpen nadat deze gevallen is bijvoorbeeld. Tot het ongeluk werd geen verbondenheid ervaren, maar toch is er in aanleg geen volledige onverschilligheid voor het lot van deze vreemde, wat duidt op een zekere mate van betrokkenheid. Een verdere stap is solidariteit; de bereidheid om persoonlijk bezit af te staan om anderen te helpen. Er is dan sprake van abstracte solidariteit, dat wil zeggen er is betrokkenheid, maar deze is gericht op onbekende anderen. De verbondenheid is passief van aard, er is geen sprake van actieve, persoonlijke hulp die voor de meeste mensen beperkt blijft tot de kring van naasten. Op dit principe van verdelende rechtvaardigheid is de verzorgingsstaat gebaseerd. De intensiteit van verbondenheid neemt toe in de persoonlijke sfeer (evenals het tegendeel!). Met vrienden voelen we ons meer verbonden, wat zich uit in oprechte belangstelling en de behoefte aan contact. Een stap verder is dat er ook behoefte aan intimiteit is, waarin uiterst persoonlijke zaken worden gedeeld. Hier manifesteert zich ook (maar niet exclusief) het erotische. De hoogste vorm van verbondenheid in spirituele zin is niet de romantische/erotische liefde, maar compassie. (zie hier voor een nadere bespreking). Het is de kern van wat liefde in al haar verschijningsvormen ook echt liefde maakt. In alle grote religies is compassie een kernwaarde. In het boeddhisme wordt actief gestreefd naar de cultivering van het vermogen tot compassie (karuna). Hoewel we door spiegelneuronen een natuurlijke aanleg tot compassie hebben, zijn er vele factoren die verbondenheid in de weg staan en zorgen voor afscheiding, onverschilligheid en afkeer. Gedacht kan worden aan gebrek aan inzicht, egocentrisme en zelfabsorptie, desinteresse, gebrek aan door omstandigheden afgedwongen interactie, angst (voor afwijzing, verlies aan eigenwaarde en teleurstelling), gebrek aan tijd en energie, vooroordelen en ideologie en concurrentie. Iedereen zal daarbij geregeld grote ergernis over andere mensen ervaren. Vaak voelen we ons afgesloten en afkerig van anderen. Diepe universele compassie is een ideaal dat voor de gewone mens nauwelijks haalbaar lijkt. Maar voor wie spiritualiteit serieus neemt zou dat wel als een ideaal aan een altijd wijkende horizon moeten beschouwen. Rekening houden met de ander, egocentrisme afschudden, begrijpen in plaats van snel (ver)oordelen, je proberen in te leven (wat wil zeggen meevoelen met andermans lijden én geluk), een belangstellende houding aannemen, behulpzaam zijn. Dit alles geeft uitdrukking aan verbondenheid en ook dat is spiritueel leven.

Verbonden zijn helpt het zelf verder. Wie zich verbonden weet zal, mits die verbondenheid spiritueel van aard is en niet te smal en krachtig is, meer inzicht verwerven. Het belang van goede relaties kan nauwelijks overschat worden, zoals algemeen bekend is. Het leven wordt alleen nog maar mooier als we die verbondenheid kunnen uitbreiden. Van belang is wel de juiste vorm van verbondenheid, anders kan de persoonlijke vrijheid ondermijnd worden. Alleen dan maakt verbondenheid persoonlijke groei mogelijk, zoals in de vorm van meer zelfcontrole en zelfvertrouwen. Over de relatie tussen beide valt veel meer te zeggen, maar dat valt buiten het bestek van dit overzichtsstuk.

Wat nog benadrukt moet worden is dat het bij compassie ook gaat om zelfcompassie. Wie dat niet kan opbrengen, zal uiteindelijk vervreemd van zichzelf raken en zelfs eindigen met zelfhaat. Zelfcompassie behelst openheid en aanvaarding van wie je bent. Als je niet verbonden bent met je zelf en aldus een verkeerd zelfbeeld hebt, kun je ook niet vrij zijn, zoals de filosoof Peter Bieri aangeeft (pdf) in zijn Het handboek van de vrijheid. Misschien is zelfcompassie wel de basis voor een spiritueel leven, want het is moeilijk voor te stellen hoe dat mogelijk is zonder een positieve grondhouding tot het zelf.

Coda

Over al deze kernbegrippen valt veel meer te zeggen. Het was hier echter mijn bedoeling te beargumenteren dat dit de centrale concepten zijn waar het bij een rationele, moderne spiritualiteit om draait. De bespreking van die concepten is daarbij bewust beknopt gebleven. Zoals de titel van dit stuk al aangeeft, is met deze schets van een algemeen spiritueel kader mijn zoektocht geenszins ten einde. Zo wil ik me nog meer verdiepen in het vraagstuk van het bewustzijn en het zelf en de vrije wil. Maar ook postmoderne theologie en advaita vedanta zijn onderwerpen die ik nog wil bestuderen. Blijf deze pagina dus in de gaten houden!

 

aangehaalde bronnen:

-M. Csikszentmihalyi (1993)-The evolving self

-R. Hartzema (2008). Ultieme vrijheid

-M.Mieras (2009). Ben ik dat?

2-10-2011