Taoïsme
De beroemde openingszinnen van de Dao de jing luiden "De eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt. De eeuwige naam kan niet worden genoemd." Wat de Tao is, kan dan ook slechts bij benadering aangegeven worden; het menselijke begrip gaat ze te boven. In een andere betekenis refereert deze enigmatische bewering aan het eeuwig tekort van de woorden. Betekenissen krijgen nooit geheel vat op de dingen. Dat geldt zeker voor het begrip Tao, omdat dit staat voor het universele principe, voor zowel het iets als het niets en de eeuwige kringloop van het universum. Woorden kunnen daarnaast identificeren (identiteit verschaffen) en de dingen in een geheel plaatsen en zo een rol geven. Maar iedere vorm van verankering zou het altijd dynamische wezen van de Tao ontkennen. De Tao overstijgt alle duidingen, want ze is het Ene, waaruit het Zijnde ontstaat. Letterlijk betekent Tao "weg", opgevat als de stroom van de kosmische energie en materie (qi) van het universum.
niet ingrijpen
Het begrip Tao staat centraal in het taoïsme omdat dit het alles regulerende principe is. De mens wordt binnen het taoïsme dan ook opgevat als een microkosmos waarin de werking van de universele energie actief is. In die zin hoeft de Tao niet gevolgd te worden. Wel kan het dat de mens zich verzet tegen deze oerkracht en het is dat (onbewust) verzet dat het taoïsme afwijst. De mens moet vooral 'natuurlijk' zijn. Net als bij het boeddhisme gaat het er bij het taoïsme om naar binnen te keren en in contact te komen met de universele energie. Maar wat betekent dit nu, terugkeren naar de Tao? De kernboodschap lijkt te zijn dat je je niet moet verzetten tegen het natuurlijk verloop der dingen, samengevat in het principe van wu-wei. De sinoloog Schipper (2010: 12) zegt hierover: "eigenlijk gaat de hele Laozi (en ook de hele Zhuanghi, de twee kerngeschriften van het taoïsme, NB) over weinig anders". De taoïst leeft volgens de principes van wu-wei (niets doen) en ziran (zichzelf zijn). Maar waarom zou je je zo moeten opstellen? Zhuanghi, de vermoedelijke schrijver van het naar hem vernoemde kerngeschrift van het taoïsme, geeft een simpele reden: "Niets doen is aangenaam. Daar waar het aangenaam is kunnen verdriet en leed niet verblijven, en zo bereikt men een hoge ouderdom".
Het taoïsme benadrukt dat we moeten leren ontspannen en tevreden moeten proberen te zijn. We moeten niet ingrijpen in de natuurlijke ontwikkeling en overspannen plannen en overdreven ambities koesteren. Het is het leidmotief van deze religie. "Wil je de wereld veroveren? Hou je dan nooit ergens mee bezig. Want zou je je ergens mee bezig moeten houden, dan was het de moeite niet waard om de wereld te veroveren", zo luidt het in vers 48 van de Dao de jing. Te veel willen gaat ten koste van de gezondheid en de zielerust. Je kunt beter relaxen (in een moderne pendant van het taoïsme wordt deze boodschap verkondigd in het dudeïsm, vernoemd naar de figuur de Dude in de Coen Brothers-film The Big Lebowski).
Op het eerste gezicht lijkt hier niets meer dan een houding van gemakzucht en gebrek aan ambitie en betrokkenheid gepropageerd te worden. Of zoals het dudeïsme het stelt maak je niet druk, ga leuke dingen doen met vrienden, ontspan en geniet. Daarin schuilt veel geluk, maar het kan toch moeilijk het hele leven zijn. Behalve ontspanning en vermaak zoeken mensen ook zin. Toch kunnen we van het wu-wei principe wel wat meer leren dan de oproep om je niet zo snel druk te maken (te vergelijken met de sleetse oproep te onthaasten). In haar erudiete, vooral filosofische bespreking van het taoïsme stelt Patricia de Martelaere dat het idee van wu-wei in essentie neerkomt op het streven naar onafhankelijkheid. Daarbij verwijst ze naar het verhaal van de vogel Peng die naar het Hemelse meer wil vliegen, beschreven in de Zhuangzhi.
De vogel wordt uitgelachen door de krekel, de duif en de mus omdat ze niet begrijpen waarom hij zo nodig daar naar toe moet. Maar hun perspectief is beperkt, ze zijn bekrompen ("kleine kennis is niet opgewassen tegen grote kennis", zegt de tekst). De grote vogel Peng wekt tegelijk ook bewondering op, maar hij is inderdaad ook een beetje grotesk in zijn dadendrang en bovendien blijft hij afhankelijk van uiterlijke zaken: hij kan verhongeren of vroegtijdig neerstorten door een storm. Wie hoge ambities koestert, maakt zich extra afhankelijk (van anderen) en is kennelijk niet in staat tot tevredenheid en eenvoudig geluk. En bovendien is een grootse daad in een ander perspectief helemaal niet groot, zo benadrukt Zhuangzhi. Wat groot is in het ene perspectief is klein in het andere. Zeker, de ambitieuze vogel is in zeker opzicht superieur, maar die superioriteit is zeer betrekkelijk. Ook Peng is nog altijd afhankelijk. Maar hoe moet onafhankelijkheid dan begrepen worden? Dit begrip blijkt in het taoïsme samen te vallen met ik-loosheid in de zin van zich niet langer opstellen als iemand die zijn intenties wil opleggen: "de allerhoogste mens heeft geen "ik"". Hij is dus niet als het musje of de krekel, maar ook niet als de vogel Peng. Hij heeft geen naam en kan dus ook niet worden benoemd; hij is onafhankelijk in de zin van dat hij zich niet verzet tegen innerlijke storingen en uiterlijke onvermijdelijke hindernissen. De Martelaere (2009: 50):
"Onafhankelijkheid (..) is geen zelfgenoegzame verhevenheid of volkomen inertie, maar een onafhankelijkheid tegenover iedere specifieke doelstelling. Wie zich tot doel stelt zich innerlijk te onthechten of te rijden op de wind, zal onherroepelijk falen wanneer hij bezwijkt voor aardse genietingen of wanneer er geen wind is. Maar wie erin slaagt datgene te volgen wat zich "vanzelf" aandient, zal vrij kunnen zwerven in het energetische universum en loopt geen enkel gevaar meer. In die zin geldt ook dat de Allerhoogste Mens geen enkele "verdienste" heeft, er is immers niets waar hij zich actief of doelbewust voor inzet en dus kan hij ook in niets mislukken. Er is niet echt nog iets wat hij wil, buiten datgene wat hij is."
Wu-wei moet volgens De Martelaere niet gezien worden als je alleen maar meelaten voeren met de wind en als er geen wind is, niets doen: "de kwestie is dat het hier gaat om stadia in een ontwikkelingsproces en niet om een ongediscrimineerd passief laisser faire. In de loop van dit ontwikkelingsproces wordt wel degelijk en overduidelijk heel wat "moeite"gedaan." (2009:51). In de taoïstische geschriften gaat men te rade bij een wijze die een trainingsprogramma opstelt. De training is erop gericht om zich leeg te maken door meditatie, waardoor de ervaring ontstaat (dat noch alleen fysiek, noch alleen geestelijk is) dat de drang tot zelfvervolmaking de volmaaktheid juist in de weg staat en hoe doelbewust streven het doel juist vaak niet dichterbij brengt (vergelijk opnieuw dezelfde les uit het boeddhisme). In dagelijkse activiteiten merken we dit ook. Als je te gefocust bent op het doel, gaat het mis, juist in een zekere flow lijken de dingen vanzelf te gaan. Net als bij de samoerai die een werden met hun zwaard, gaat het er om dat men het "ik" uitschakelt en een wordt met de handeling, als het ware geleid door de kosmische energie om het metafysisch uit te drukken. Dat leegmaken en afstand doen van het ego is dan ook een ander effect (onbeoogd!) dat door innerlijke training (meditatie, maar bijvoorbeeld ook tai chi quan) bereikt kan worden en waarbij men meer samenvalt met de oorspronkelijke natuur van leegte en eigenschaploosheid die tegenstellingen overstijgt. Die oorspronkelijke lege natuur is de menselijke Tao. Zoals gezegd ontstaat alles vanuit de Tao. Op dezelfde wijze is echte creatie ex nihilo en spontaan (vergelijk dat we de beste dingen zeggen uit spontaniteit; zonder het te weten zag het taoïsme de kracht van het onbewuste al duidelijk in). Het niet-bestaan is de bron van het bestaan, zoals de ruimte tussen de spaken van een wiel het rijden mogelijk maken. Zo ontstaat ook een terugkeer naar het Ware, wat in het taoïsme gezien moet worden als de eenheid van tegenstellingen (yin en yang), een toestand waarin deze overtroffen worden en tevens een oorspronkelijke staat die verloren is gegaan binnen in ons, maar nog wel vertrouwd voelt en veel voordeel kan brengen als we die staat weer terugvinden. Dat is wat de Martelaere bedoelt met de laatste zin in bovenstaand citaat: alleen willen zijn wie je bent, een entiteit van de Tao.
In deze tijd kan het principe van wu wei tegenwicht bieden aan de druk van de prestatiesamenleving. Degene die wu wei toepast, onderwerpt zijn ambities aan de vraag waarom hij ambieert. Hij gaat na waarom hij niet tevreden kan zijn zonder te streven naar meer, overdenkt de risico's die zijn strevingen met zich meebrengen en de vrijheid die opgegeven moet worden voor zijn wil en bovenal wat de diepste motivatie achter zijn ambitie is. Als je het taoïsme zo opvat, hoeft het ook niet strijdig te zijn met een meer actieve manier van leven waarbij het gaat om zelfvorming, levenskunst en persoonlijke doelen. Vanuit de idee van wu-wei zorgen we voor een ontspannen houding en ontdoen we ons van geestelijke ballast om zo tot een meer zuivere, authentieke wil/ zelf te komen (dat zich niet verzet en onafhankelijker is). Pas dan zal ervoor gezorgd moeten worden dat niet afgeweken wordt van dit authentieke zelf, zodat het leven meer vanzelf gaat, als meer vrij ervaren wordt. In taoïstische zin: meer in lijn met de Tao. Dit zal wel bewaakt moeten worden, want ook al weten we wat we willen en wat goed voor ons is, de mens is zwak.
Als het streven naar erkenning of eer bijvoorbeeld dominant blijken, dan is het beter de ambitie te laten rusten. Er is dan geen innerlijke, natuurlijke wil. Vaak is statusdrang een behoefte aan liefde en gaat er een hardnekkig verlangen naar compensatie achter schuil. Het taoïsme verwerpt het schuldgevoel als we ons niet nuttig maken door dingen te doen. Ze wil bevrijden van dadendrang en ons weer in contact brengen met simpelweg zijn, genieten van eenvoudig ervaren door afstand te nemen. En wie weet groeit in die afstand, in die rust (vanuit het onbewuste) wel nieuw inzicht, maar in ieder geval bijna zeker nieuwe energie. Maar als er sprake is van passie, dan zou het hart verteren als de ambitie niet wordt nagestreefd. Van belang is dan wel de passie te volgen (de passie als leidende qi, energie in de taoïstische taal). Zoveel mogelijk relaxen en niets doen kan niet het doel zijn. Het leven heeft ook zin nodig en die zin wordt gevonden waar het waardevolle en de passie elkaar ontmoeten. Wat is passie? Het is de terugkerende wil zich bezig te houden met datgene dat ons als waardevol en interessant voorkomt, dat past bij ons karakter én waar we onze creativiteit in kwijt kunnen. Via de passie vervagen de grenzen van het ik en de uiterlijke wereld. Zoals een staatsman eens zei: "Don't ask what the world needs, rather asks what makes you come alive. Because what the world needs, is people who have come alive."
niet begeren, niet weten
Toch denk ik, de teksten lezende, dat dit mijn interpretatie afwijkt van de oude denkers vonden. Het ideaal lijkt te zijn, met zo min mogelijk tevreden te zijn en niet te streven, dus ook niet naar dat wat we intrinsiek graag willen vanuit passie. Ook in deze religie is niet begeren en onthechten van groot belang. Het is een repeterend thema in de teksten. Toch wordt de begeerte binnen het taoïsme niet in alle opzichten ontmoedigd: seksuele onthouding wordt niet als gezond gezien omdat het ingaat tegen de natuurlijke energiestromen. Maar we moeten die stromen ook niet kunstmatig opwekken, want dat is ook onnatuurlijk. Evenmin moeten we rijkdom en status hardnekkig afwijzen. Niet omdat ze toch waarde hebben, maar omdat de werkelijk wijze ook naar de Tao moet kunnen leven temidden ervan. Van het oud christelijke idee van wereldverzaking staat het taoïsme af. Nogmaals; het gaat om onafhankelijk zijn en dat betekent dus ook dat geluk niet afhankelijk mag zijn van het niet-hebben. Zo zagen de taoïsten veel eerder dan de christenen in dat het hogere eren geen afsterving of wereldverzaking vereist. Dit valt weer te begrijpen vanuit het hele beginsel van de Tao, dat immers alles is en omvat. Vanuit het perspectief van de Tao is er geen onderscheid tussen klein en groot en bestaat alles dankzij het andere. Zo bestaat het goede dankzij het slechte en het grote dankzij het kleine. Dit niet inzien is als het willen erkennen van de Hemel als meester, en de Aarde ontkennen, of het erkennen van yin als meester en yang ontkennen." (Martelaere, p. 55). De ware taoïst overstijgt tegenstellingen en ziet alles tezamen (zonder daarbij alles ook goed te vinden!):
"De ware beoefenaar van de Tao is streng en onpartijdig als een heerser die niemand bevoordeelt, maar hij is ook zacht en vrijgevig als de aarde die alles voedt, en open als de lucht die onbegrensd is. Hij beschouwt alle dingen, zowel ruimtelijk als tijdelijk, in hun eenheid en laat zich dus niet misleiden door groot of klein, kort of lang, vol of leeg, eind of begin." (Martelaere: 56)
Ook is het beter niet veel te weten. Kennis leidt tot onderscheidingen, tot twijfel in de geest, tot pijn en overbodige ballast, tot tweedracht zaaiende denkconstructies en gevaarlijke ideeën die de mens alleen maar blind maken voor de Tao. En zoals vele eeuwen later postmoderne denkers als Foucault al aantoonden, leidt kennis ook tot macht en disciplinering. Wat eerst normaal en geaccepteerd was, wordt door nieuwe categorieën ineens als afwijkend beschouwd (dat vervolgens behandeling vergt). Kennis leidt ook tot begeerte, want dat vooronderstelt haar immers. Kennis wijst, zoals De Martelaere zegt, op anticipaties en rationalisaties, gevoed door angsten en verlangens, die weten en begeren met zich meebrengen en voor veel ellende zorgen. We kunnen beter zien en zijn vrijer als we minder weten en begeren. De idee dat kennis niet alleen analytisch is en scheidt, maar ook lijden kan verminderen en grotere verbanden en overeenkomsten toont ( en zo ethocentrisme kan doorbreken), daar staat het taoïsme niet bij stil. En door kennis kunnen we ook beter zien, omdat we weten waar we op moeten letten (bijvoorbeeld bij het zien van kunst). Het dédain voor kennis blijkt duidelijk uit het ideaal van het pasgeboren kind: "Kun je als kind zijn?" vraagt Laozi, "een kind dat de hele dag kan schreeuwen zonder een schorre keel te krijgen, zo volmaakt is zijn harmonie!" Schipper (2010, p.132) in een annotatie: "Het pasgeboren kind is perfect. Het weet alles wat het moet weten, en zijn levensenergie is optimaal. Deze optimale vorm bewaren is het doel van alle methodes voor het behoud en het voeden van het leven." Kennelijk dient kennis geen ander doel dan wat nuttig is voor het eigenbelang. Wie te veel kennis vergaart loopt gevaar: "Hou op met leren, dan leef je onbezorgd. Ja en nee, hoe ver liggen die eigenlijk van elkaar?" zei Laozi (Schipper, p.61). Zo wordt toch miskend dat kennis het leven ook kan verrijken; tegelijk schuilt er in deze uitspraak een waardevol pleidooi om tot consensus te geraken over hoe de werkelijkheid in elkaar zit.
Meer dan eens wordt in taoïstische teksten gesproken over een soort natuurtoestand, een menselijke oerstaat, waarin het volk "simpelweg gelukkig is" door onwetendheid en simpele verlangens. Het doet denken aan Rousseaus nobele wilden. De regressie naar deze vermeende begintoestand is ook het heilsdoel van het taoïsme. Zoals Schipper (2010, p.134) in zijn annotatie opmerkt "de ondoorgrondelijke Eenheid (xuantong) is niet alleen de mystieke eenheid van zijn en niet-zijn (..) maar ook de grote gelijkmaking (datong) van alle menselijke verschillen, in fortuin, intelligentie, ras, status, fysieke hoedanigheid, et cetera." Die maatschappelijke toestand kan alleen door zelfcultivering van haar leden bereikt worden waarin vooropgestelde concepten en menselijke denkconstructies en ideeën overboord worden gezet. Van een revolutie bovenaf wil de taoïst immers niets weten. Veel te kunstmatig en in strijd met de Tao die meer van geleidelijkheid uitgaat (maar: zijn revoluties niet het eindpunt van een lange ondergrondse omvorming en evolutie, en dus eigenlijk geen revolutie?). In politieke zin doet het taoïsme dan ook sterk denken aan het liberalisme waarin ook de spontane ordening (van de markt) als geloofsartikel wordt aangenomen. Laat de overheid zo min mogelijk doen, dat is het beste voor het algemeen belang. Paternalisme en te veel regels verstoren alleen maar de natuurlijke goedheid van de mens. En als het tegenzit, is de wijsheid dat "het geluk berust op tegenspoed". Conform de dynamiek van de Tao gaat alles voorbij. Als de politiek toch wil ingrijpen, moet ze aansluiten bij de sociale dynamiek, timing is van belang. In ieder geval is het taoïsme wars van de maakbaarheidsgedachte. Ze houdt een pleidooi voor een menselijke samenleving waarin de wetten van de natuur gerespecteerd worden. Met een rechtvaardigheidsideaal of het idee van het goede heeft het taoïsme weinig op. Voor sociale vooruitgang hebben de grote figuren uit deze traditie zich niet ingespannen.
moraal
Feitelijk beschrijft het taoïsme geen moraal waar de menselijke samenleving op gebaseerd zou moeten zijn. Sterker nog, de taoïstische leer verzet zich tegen iedere moraalleer. Gemeend wordt dat deze een ontwrichtende uitwerking heeft op de samenleving. Van oorsprong zijn de mensen goed. De deugden die de zedenprekers aanprijzen, zijn al aanwezig in de mensen. Een moraalleer voegt niets toe; wie naar het innerlijk gevoel en geweten luistert, weet genoeg. De zedenprekers kunnen zelfs zorgen voor wanorde met hun aanzetten tot discussies en "gladde sofisterijen". Het taoïsme heeft zich altijd verzet tegen de confucianistische oproep tot menslievendheid (ren) en andere deugden. Menslievendheid is maar "vaag en overdreven", een kunstmatige deugd, een tweederangsremedie voor als de zuiverheid van de Tao verloren is gegaan. Nu zijn begrippen als naastenliefde en menslievendheid inderdaad nogal verdacht en hoogdravend. Het is bepaald een hoge eis om de mensen in het algemeen lief te hebben; de ander met respect bejegenen is al heel mooi. Maar het is juist vanwege dat tekort aan liefde dat we een moraal nodig hebben. In haar afwijzing van de moraal én de universele liefde is het taoïsme dus inconsequent. We hoeven geen weldoener te zijn. Zorg voor de ander komt voort vanuit een innerlijke drang, niet vanuit een plichtsbesef, of zelfs maar nobele intenties. De volmaakte mens is als de "goede appelboom", zegt De Martelaere, "die ons veel vruchten geeft, maar niet de bedoeling heeft om dat te doen en ook geen reden heeft de slechte appelboom te misprijzen." En bij dat helpen blijft de wijze ook zijn eigen belang, de vrije werking van de Tao en daarmee een vrij gemoed, in de gaten houden. Zorg kent zijn grenzen. Vanzelf altijd het goede doen, als een machine, zonder intenties en zonder morele afwegingen te maken, is dat mogelijk of eigenlijk wel moreel?
"Leg af die beschaving, hou op met besprekingen! De mensen krijgen weer echte toewijding en liefde", zegt Laozi. Dit is natuurlijk al te eenvoudig. Er zijn nu eenmaal veel ethische dilemma's; het is lang niet altijd eenduidig wat het goede is. Een moraalleer kan dan richting bieden met argumentatie. Gevoelens zijn bovendien niet altijd betrouwbaar en niet zelden tegenstrijdig. Met de oproep om de beschaving af te leggen en terug te keren naar een natuur(lijke) toestand betoont het taoïsme zich duidelijk niet als verlicht met haar minachting voor de rede.
Tegelijk is het niet zo dat het gevoel dan wel wordt aangeprezen. Gevoelens verstoren-net als gedachten-het verloop van qi, de levensenergie, en beroven zo het individu van zijn kracht. In de woorden van De Martelaere zijn gevoelens tijdelijke qi-configuraties die ontstaan vanuit het functioneren van vitale, interne organen in wisselwerking met externe al dan niet imaginaire objecten. Wanneer we blijven hangen in een gevoel zorgt dit ervoor dat onze vitaliteit verloren gaat. Kleine kinderen hebben dit veel minder: die zijn even boos maar kunnen dat gevoel ook weer snel loslaten. Net als het boeddhisme moeten we er dus voor waken dat we emotioneel worden. Ook niet richting de ander. Maar we moeten ook niet tegen emoties vechten, want dan verdubbelen we de negatieve energie; als woede eenmaal voorbij een kritisch punt is opgekomen, is het beter het kort te uiten dan er tegen te vechten. Dat lijkt me een waardevol inzicht, in plaats van het ondubbelzinnig willen uitbannen van alle negatieve emoties. In zeker opzicht is het taoïsme energiemanagement: doe die dingen die energie opleveren en deze doen stromen, laat die dingen die energie kosten en de vitaliteit en het helder zicht belemmeren. Niet vanwege ascese, maar omwille van het behoud van qi is het goed te onthechten, omdat hechting tot piekeren en zorgen leidt en zo de Tao belemmert. Zo worden alle gedragsaanwijzingen gemotiveerd met een beroep op de natuurfilosofie.
besluit
Wanneer het taoïsme ontdaan wordt van alle metafysische aspecten, geneeskundige en natuurfilosofische rimram, wat blijft dan de les van het taoïsme voor de mens van vandaag? Hoe ziet de taoïstische wijze eruit? De Martelaere (2010, p.167) zegt erover dat "het [taoïsme, NB] ons reddeloos aan onszelf, zonder enige richting of houvast" achterlaat, omdat ze ons voorschrijft ons aan helemaal niets vast te houden. Het taoïsme zou van dienst kunnen zijn als inspiratie tot een mindset. Wat dan resteert is dat de goede levenshouding eruit zou bestaan te aanvaarden wat zich aandient en wat toch niet te veranderen is. Door de werking van qi en daarbinnen yin en yang kan qi omslaan in haar tegendeel; geluk ontstaat uit ongeluk. Daarom is het goed om tijdig te stoppen want wat in een staat van volkomendheid is, zal snel in verval raken. Los van de natuurfilosofie zit daar wat in; we slaan vaak door. In gezelschap zeggen we meer dan we willen, we drinken of eten te veel, maken ons te druk. Begin met een houding van: waarom is het zo niet genoeg? Kijk wat ik heb en laat ik ervan genieten, meer zal al snel schaden. Betracht behoedzaam en matigheid omwille van het eigen geluk. Wees tevreden en handel pas als er een natuurlijke, authentieke drang daartoe is (deze houding kan consequent doorgevoerd wel tot immoreel gedrag leiden). Want hechting aan kennis, begeertes, gedachten, enz. brengen risico's met zich mee die de Tao, de qi en daarmee het innerlijk welzijn kunnen verstoren. Probeer eenvoudig te leven om dat te voorkomen. De houding van de taoïst is, aldus De Martelaere [p. 102] erop gericht alles wat zich aandient te onthalen met een rustige tevredenheid. "Hij neemt als het ware een dubbele houding aan tegenover wat hem-extern of intern-overkomt: zijn individuele ik (ego) wordt erdoor geraakt en gaat erin op, terwijl zijn andere (Hemelse) ik stil blijft en alles terugbrengt naar de grote stroom. Zo kan de taoïst 'negatieve' emoties als woede, angst en verdriet ondergaan, en daar toch, diep binnenin, rustig en tevreden bij blijven." Verder komt het erop aan alles in totaal te beschouwen; de Tao is immers alles. Dit betekent het perspectief van het ik loslaten en het eigen perspectief eindeloos vergroten. In de dagelijkse praktijk: het bredere geheel zien, actief zoeken naar bindende oplossingen. Het paradoxale van het taoïsme is dat ze zowel heel menselijk als bovenmenselijk is.
Bronnen:
-Patricia de Martelaere (2006/2009)- Taoïsme: de weg om niet te volgen
-Lao Zi-Het boek van de Tao en de innerlijke kracht (Dao de jing) vert. K. Schippers (2010)
-Zhuanghi, de volledige geschriften. vert K. Schippers (2007)