pessimisme als levensfilosofie 1

If there are happy people on this earth,

why don't they come out and shout with joy,

proclaim their happiness in the streets,

why so much discretion and restraint?

E.M. Cioran

Het lijkt op het eerste gezicht vreemd om spiritualiteit in verband te brengen met pessimisme. Bij nadere beschouwing is dit echter niet zo merkwaardig. De bekendste pessimistische filosoof Arthur Schopenhauer was bijvoorbeeld diep geïnspireerd door het boeddhisme. En dat was geen toeval. Net als denkers uit de pessimistische traditie, benadrukte Boeddha dat het leven lijden (dukha) is. En net als de pessimistische filosofen, zag Boeddha al in dat geluk vaak kortstondig, illusoir en oppervlakkig van aard is. De weg naar bevrijding, zo die er al is, begint bij een doorleefd besef van de alomtegenwoordigheid van het lijden en haar oorzaken. Dit nu zijn precies de beginselen van het filosofisch pessimisme. De afgelopen eeuwen hebben verschillende filosofen dit net als Boeddha onderzocht en hun inzichten kennen veel overeenkomsten en gelijkenissen. Om bevrijding te vinden (wat nog niet hetzelfde is als geluk), is diep onderzoek nodig dat positieve illusies deconstrueert. De bekendste pessimistische filosoof van de 20e eeuw, E.M. Cioran (overleden in 1995) was daarom diep geïnspireerd door het negatieve mysticisme. Over de boeddhistische leraar Nagarjuna schreef hij: "Hij vernietigt alles, Nagarjuna, alles, alles; hij pakt alle denkbeelden van de filosofie en hij slaat ze één voor één kapot. Daarna ontstaat er een soort licht."

Pessimisme heeft vandaag de dag een negatieve lading. Wie voor pessimist wordt uitgemaakt, wordt een eenzijdige, negatieve blik verweten die gesloten is voor al het goede. Hij is op zijn best een kritische luis in de pels maar evengoed een azijnzeikerd en bekrompen geest. Als het geen recalcitrante querelanten zijn, dan toch zure polemisten die er genoegen in scheppen het groene gazon voortdurend om te ploegen. Een dergelijke houding tegenover het pessimisme miskent de denktraditie die het pessimisme ook is. Naast het psychologisch pessimisme, een karaktertrek en persoonlijke grondhouding, kan het filosofisch pessimisme onderscheiden worden. In zijn boek Pessimism wil Joshua Foa Dienstag deze eeuwenoude stroming terecht rehabiliteren. Het pessimisme als filosofie is meer dan kritische theorie, maar heeft ook iets te bieden. Haar basis is een ontologie (zijnsleer), maar ze biedt ook een bestaansvorm of levenskunst die bevrijdend kan zijn. Om deze reden verdient het pessimisme aandacht als we op zoek zijn naar inzicht en groei.

Voor Dienstag is de kern van het pessimisme de ontkenning van vooruitgang. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot het liberalisme, pragmatisme en socialisme. Het is echter een misverstand te denken dat pessimisten ook menen dat er sprake is van neergang. De dingen worden niet noodzakelijk slechter, maar er is evenmin goede reden om te menen dat er progressie bestaat. Althans niet in de zin dat we gelukkiger en moreler worden als mensen. Het pessimisme ontstaat met het zelfbewustzijn, wat hetzelfde is als tijdsbewustzijn. Het dier heeft geen besef van verleden en toekomst en leeft in tegenstelling tot de mens permanent in het nu, terwijl deze geplaagd wordt door de pijn van het verleden en zorgen om de toekomst. De implicatie van ons tijdsbewustzijn is een besef van vergankelijkheid. All that is solid melts into air in de woorden van Marx (geen pessimist). Alleen de mens ervaart de pijn van het verlies, stelt Dienstag (dit kan wel betwijfeld worden als gekeken wordt hoe sommige dieren zoals olifanten heel lang bij overleden soortgenoten blijven, wat veel weg heeft van rouwgedrag). De tijd verzwelgt uiteindelijk alles. Dit besef alleen al kan ons doen verhinderen de dingen echt serieus te nemen. En als we ergens oprecht naar streven, worden we maar al te vaak met tegenslag geconfronteerd. Het geluk van uitgekomen verlangens is daarbij maar van korte duur. Een volgend verlangen dient zich aan, omdat duurzaam geluk uitblijft. We blijven, om naar het boeddhisme terug te keren, gevangen in samsara, de cirkelgang van het lijden, heen en weer geslingerd tussen ontevredenheid en verveling enerzijds en pijn anderzijds. Want wat we dan eindelijk iets bereiken, zullen we dit uiteindelijk ook weer door de tijd verliezen. Maar daarvoor heeft het bijna altijd al haar glans verloren. De mens wil voortdurend meer om zo een situatie van gebrek en verveling te voorkomen. We verliezen ons in frenetieke activiteit of consumptie, maar werkelijke voldoening blijft uit. Voor de pessimisten is verveling de normale conditie van onvervuldheid zonder actieve pijn, veroorzaakt door ons bewust bestaan en ons onvermogen te leven in het nu. We vinden kennelijk geen genoegen in het bestaan op zich, maar alleen in het streven. We leven naar de toekomst, voortdurend onvervuld.

"What do you do from morning to night? I endure myself" -E.M. Cioran

Dienstag stelt dat een pessimist ook gelukkig kan zijn. Maar hoewel dit theoretisch mogelijk is zijn, niet verrassend, de meeste pessimisten geen erg gelukkige mensen op zijn zachtst gezegd. Hun pessimistische kijk, zal ook zonder meer samenhangen met hun natuurlijke aanleg tot neerslachtigheid. De filosoof Cioran bijvoorbeeld, is waarschijnlijk de zwartgalligste denker ooit. Zijn leven was naar eigen zeggen een permanente staat van depressie. Zijn beschrijvingen hiervan kunnen in hun gruwelijkheid zelfs soms bijna lachwekkend overkomen: "Als ik de balans van mijn levensdagen zou opmaken zou ik er niet één kunnen aanwijzen die niet op zijn eentje in de behoeften van meerdere hellen voorziet." (Cioran: 226). Zelf bekritiseert Dienstag Albert Camus overigens op zijn beroemde slot van de Mythe van Sisyphus dat we Sisyphus als gelukkig moeten voorstellen. Veel beter kunnen we hem beter als niet-gelukkig, maar ook niet-depressief voorstellen. Voor de meeste pessimisten is geluk niet de normale grondtoestand, maar slechts een vluchtig, efemeer verschijnsel en is het lijden fundamenteel (lijden in ruime zin, als een staat van gebrek, de afwezigheid van voldoening). Het zou ook vreemd zijn om te veronderstellen dat we bestaan om gelukkig te worden. Daar is het universum helemaal niet voor bedoeld of ingericht. Dit is ook wat het boeddhisme leert. Dienstag zelf overpeinst in zijn meest persoonlijke hoofdstuk zelfs dat het niet zinnig is te denken dat er een aangeboren faculteit is die ons in staat stelt duurzaam gelukkig te zijn.

Geluk is niet iets positiefs, het is alleen maar minder pijn. Als onze verlangens vervuld zijn, verdwijnt de pijn van het onvervuld zijn. Maar met de vervulling dooft ook het verlangen en daarmee het positief gevoel dat daarmee gepaard gaat uit. Als we dorstig zijn, verlangen we naar drinken, maar als we gedronken hebben, verdwijnt het genot ook. Verlangens zijn permanent en vervullingen verdwijnen constant. En daar valt nauwelijks iets aan te doen volgens de pessimisten. De oplossing zou dan zijn om niet meer te verlangen, maar dit is welhaast onmogelijk. De wil is vrij, maar wij niet. Volgens Schopenhauer zijn we het voertuig van een "oerwil" die niet te stoppen valt; voor Freud is die oerwil het onbewuste, die ons voortdurend met verlangens bombardeert, als een kolkende, gistende bron. Als we alleen onbewust waren, zouden we volgens Freud buiten de tijd staan en konden we onze verlangens voortdurend bevredigen in dromen en hallucinaties. Dan zouden we geluk vinden. Maar in de confrontatie met de werkelijkheid van de verglijdende tijd en het bewustzijn daarvan is dat onmogelijk en is pijn het resultaat:

"Pain is more real than pleasure, then, because it is created by a will or unconsciousness (the core of human reality) in its initial encounter with the world. Pain is the primordial conscious sensation-the sensation of wish and goal being forcibly separated. Pleasure is just the lessening of that sensation, but pain can never be completely relieved so long as we remain consciousness." (Dienstag: 96)

Extra problematisch is dat we wel voortdurend concrete wensen hebben, maar het aan inzicht ontbreekt over wat we nu echt, ten diepste willen, juist omdat dit inzicht buiten ons bewustzijn ligt. We weten helemaal niet goed wat goed voor onszelf is (daarom moeten we onszelf ook leren kennen door ontdekkingen). Voor Freud gaat het er daarom niet om gelukkig te worden, maar om ongeluk te bestrijden. Psychotherapie gaat in zijn woorden over "het omvormen van misère in gewoon ongeluk". Echt geluk is volgens Freud onmogelijk. In de geciviliseerde samenleving moeten mensen hun instincten beheersen en dit kan niet zonder welzijnsverlies. "De beschaafde mens heeft een deel van zijn mogelijkheden tot geluk verruilt voor meer zekerheden", aldus Freud. Hier raakt Freud aan de kritiek van Rousseau, een eerdere pessimistische filosoof, op de beschaving die ons geluk heeft ontnomen. Net als Freud meende Rousseau dat de beschaving met haar modes en kunstmatigheid ons minder gelukkig maakt. Zijn "edele wilde" die vrij voor zichzelf, met vitale instincten en buiten een artificiële werkelijkheid leefde, was er beter aan toe. Niet in de laatste plaats omdat hij dichter bij het dier stond, dat immers niet de last voelt van een verleden en toekomst en de emoties die dat als gevolg heeft.

Rousseau zette met zijn maatschappijkritiek een hele beweging van cultuurpessimisme op gang die tot de dag van vandaag, bijvoorbeeld bij iemand als John Gray, voortleeft. Deze kritiek ontkent de mogelijkheid van menselijke vooruitgang; Rousseau meende zelfs dat het menselijk bestaan verslechterde. Ook hier is het achterliggend thema weer het tijdsbewustzijn, dat bij de wilde mens nog niet tot wasdom was gekomen, levend in een animale staat. De moderne mens is bovenal een sociaal mens, die in een proces van voortdurende vergelijking en mimese voortgejaagd wordt door wensen, begeertes en erkenning en zo een permanente staat van ontevredenheid en teleurstelling in stand houdt. Op het moment dat we iets bereiken, kijken we alweer verder naar de toekomst, naar nieuwe mogelijkheden. En die zijn er in deze tijd volop. De moderne mens leeft niet meer in zichzelf, maar buiten zichzelf. We lopen achter doelen, modes, spullen en grillen aan, die zijn verzonnen door onbekende anderen. We leven in een illusie van zelfsturing en autonomie, maar worden geleefd door externe prikkels en de strijd om erkenning. Vandaar dat Rousseau ook zegt dat zij die waardering genieten het minst vrij zijn, juist ook omdat ze het meest het verlies daarvan vrezen. In het bijzijn van anderen die ons confronteren met ongelijkheid en zo de begeerte aanjagen worden we ongelukkig. De consumptiesamenleving van nu zou Rousseau gezien hebben als de ultieme degeneratie van de menselijke samenleving. Voortdurend worden we door beelden opgejut te begeren om zo te ontsnappen aan een aangeprate ontevredenheid. En dit in een situatie van grote economische ongelijkheid, die Rousseau, tegenstander van privebezit, eveneens verfoeide.

Ook in de rede zag Rousseau een gevaar, omdat het de ingebakken tendentie heeft om verschillen te ontkennen en te abstraheren van pluriformiteit. Zo wordt de realiteit ingewisseld voor de verschijning, in zijn woorden. De rede wordt zichtbaar in de taal die uniformeert en disciplineert. Deze zorg werd later op vergelijkbare wijze verwoord door Unamuno:

"The truth is that reason is the enemy of life (..) That which lives, that which is absolutely unstable, absolutely individual, is, strictly speaking, unintelligible. Logic tends to reduce everything to identities and genera...But nothing is the same for two successive moments of being (..) Everything vital is irrational, and everything rational is anti-vital (cit. in Dienstag: 126)

Individuele, subjectieve zelfwaardering maakt volgens Rousseau via de rationalisering van de maatschappij, plaats voor algemene waarderingen. Het draait dan om sociale erkenning, wat neerkomt op het hebben van geld en macht. Tegelijk heeft het rationaliseringsproces gezorgd voor ongelijkheid en de disruptie van het sociaal leven. De rede leidt tot individualisme en sociale ontwrichting. Door zelfreflectie maken mensen zich los uit gemeenschappen, richten ze zich meer op zichzelf en verzwakt hun identificatie met anderen en daarmee hun gevoel van morele verplichtingen. De mens is er op achteruitgegaan doordat hij zijn natuurlijke sympathie met de ander en zijn instinctieve hechting aan de wereld verloren heeft. In plaats daarvan is de wereld verworden tot een reservoir van grondstoffen en mogelijkheden om uit te putten voor individuele belangen. Alles wordt geleidelijk instrumenteel. Het denken brengt leed en kan ons niet gelukkig maken, volgens Rousseau:

"reflection...causes man to regret past benefits and keeps him form enjoying the present: it shows him a happy future, so that his imagination might seduce and his desires torment him, and it shows him an unhappy future so that he might experience it ahead of time. "

In de woorden van Unamuno is het bewustzijn gewoon een ziekte. De rede en geluk gaan dus niet samen op volgens de pessimisten, zoals vele denkers vanaf Plato meenden. Ondanks alle technologische vooruitgang worden we niet gelukkiger en vaak genoeg leidt inzet van de rede tot catastrofes met de georganiseerde massavernietiging van WOII als dieptepunt. De pessimist waarschuwt voor de gevaren van vooruitgangsgeloof, zoals het brengen van democratie in vreemde landen. Het rationeel denken maakt ook ideeën over alternatieve samenlevingsvormen mogelijk wat gecombineerd met optimistisch vooruitgangsgeloof kan uitmonden in desastreuze maatschappelijke wantoestanden als het communisme. Maar ook het optimistische geloof in de vrije markt pakte rampzalig uit. De pessimist keert zich af van dergelijke systeemleren en vooruitgangsmythes. Ze brengen vaak niets dan narigheid. Het geluk valt niet te bereiken, het beste wat we kunnen doen is het leven draaglijker maken en voorkomen dat we slaags met elkaar raken. Cohen vindt voor zijn boel bij elkaar houden wat dat betreft steun bij de hedendaagse pessimistische denker John Gray.

In de volgende bijdrage bespreek ik de levensfilosofie die het pessimisme aanreikt. Hoe moeten we omgaan met de verscheurde situatie, het absurde in de woorden van de existentialisten, waar we ons in bevinden. Kunnen we boven het lijden uitstijgen?

bronnen

-Joshua Foa Dienstag (2006). Pessimism.

-Emil Cioran (1956/2001). Bestaan als verleiding.