levenskunst, autonomie en solidariteit (2)
De laatste fase die de levenskunstenaar dient te doorlopen, is het bepalen hoe hij zijn betrokkenheid op het waardevolle tot uitdrukking brengt en trouw blijft aan de waarden in zijn leven. Daarbij zijn de deugden onmisbaar. Door de deugden kunnen we ons enerzijds bekwamen in onze omgang met objecten van waarde en anderzijds zorgen deugden (positieve karaktereigenschappen) dat we daar trouw aan blijven (in de levensfilosofie gaat het ook om een eigen stijl te scheppen in bijvoorbeeld creativiteit, communicatie, de manier van werken en de omgang met tegenslag. Daar kunnen de deugden ook bij helpen, maar dit onderwerp valt buiten de reikwijdte van dit artikel). Een deugdzaam leven zorgt voor voortdurende oriëntatie op de persoonlijke waardenhiërarchie, op wie we werkelijk willen zijn. De deugden helpen bij het bereiken van persoonlijke doelen en zijn onmisbaar om betrokken te kunnen zijn. Een levensfilosofie zonder een rol voor de deugden zal ontaarden in een persoonlijke mislukking en immoreel gedrag. De levenskunstenaar kan ten prooi vallen aan gebrek aan inzicht en wilskracht. Hij kan verkeerde prioriteiten stellen of te vaak vallen voor verleidingen. Hij kan wat hij belangrijk vindt niet goed in zijn leven integreren bij gebrek aan goede eigenschappen. Daarom zal de levenskunstenaar deugdzaam moeten proberen te leven. De vraag is natuurlijk welke deugden van belang zijn. Het belang en de relevantie van deugden is situatie-afhankelijk. In de ene situatie heb je meer aan moed en in de andere meer aan zachtmoedigheid, terwijl in weer een andere situatie edelmoedigheid op zijn plaats zou zijn. Maar die situaties kunnen zich binnen alle domeinen van het leven voordoen: op het werk, in het privé-leven, in intieme relaties, in vriendschappen. Slechts enkele deugden, zoals nauwgezetheid en doortastendheid, zijn met name in bepaalde contexten van belang, zoals bij deze het werk. Er zijn vele tientallen deugden (zie bijvoorbeeld Peterson en Seligman, 2004) die allemaal hun waarde hebben bewezen in de praktijk. Toch denk ik dat sommige deugden nog belangrijker zijn dan andere en wel die deugden die sociale betrokkenheid bevorderen. De levenskunstenaar weet als het goed is duidelijk wat hij wil, hij weet ook dat hij respectvol om behoort te gaan met alles wat van waarde is, maar hij zal niettemin geneigd zijn op momenten te weinig rekening te houden met anderen, ook al erkent hij het belang van betrokkenheid. Zoals aangegeven beschermen de deugden tegen "afglijden", in dit geval het uit het oog verliezen van de ander. Tegen de neiging van egoïsme waarbij dat wat van waarde is, "en toch wel blijft" veronachtzaamd wordt, moet men zich vooral beschermen, omwille van de samenleving, naasten en zichzelf. Daarom verdient het aanbeveling zich vooral te oefenen in het versterken van sociale deugden als trouw, compassie, edelmoedigheid (de deugd van het geven), barmhartigheid, tolerantie, rechtvaardigheid en bovenal liefde (zie Comte-Sponville, 2008 voor een mooie bespreking van deze en andere deugden). Maar ook een deugd als bezonnenheid heeft naast een private ook een duidelijk sociale component. Daarnaast kan de levenskunstenaar zich toeleggen op deugden die hij nog verder kan ontwikkelen om te kunnen slagen in zijn persoonlijke doelen. Moedigheid als hij het oordeel van anderen te veel vreest, matigheid als hij te veel eet en drink, zachtmoedigheid als hij sterk geneigd is tot woede en verontwaardiging. Dit vereist een integer zelfonderzoek van de eigen kwaliteiten.
het belang van leefregels
Het verwijt aan de deugdethiek is dat ze niet actiegericht genoeg is. Dit verwijt is maar ten dele waar. Zo kan bijvoorbeeld de deugd van waarheidsliefde vertaald worden naar het voorschrift "spreek de waarheid". Niettemin zijn, zoals bijvoorbeeld ook levensfilosofen als Dohmen en Schmidt betogen, op een lager niveau leefregels van groot nut. Leefregels zorgen ten eerste, nog meer dan deugden alleen, voor commitment. Ze voorkomen dat we afdwalen en dwingen om alleen met goede argumenten af te wijken van onze hogere waarden. Op deze wijze vervullen ze dezelfde functie als rituelen. Door ze toe te passen herinneren we ons aan wat belangrijk en waardevol is en geven we daar via onze handelingen uitdrukking aan (in tegenstelling tot religieuze riten gaat het dus niet in de eerste plaats om eer bewijzen). Postmoderne denkers menen dat het leven volgens ethische regels geen recht doet aan de morele complexiteit van het dagelijks leven. Het zou volgens hen beter zijn uit te gaan van een situationele ethiek waarin het individu per geval afweegt wat de beste keuze is die hij kan maken, hierbij leunend op praktische wijsheid (phronesis), eerdere ervaringen, moreel gevoel (empathie) en intuïtie. Deze benadering kent twee belangrijke beperkingen. Ten eerste wordt verondersteld dat ieder individu de juiste morele afweging kan maken en niet, bij gebrek aan regels, valt voor de verleiding van het volgen van het eigenbelang dat vaak niet strookt met het moreel juiste. Zoals de filosoof Hilary Putnam eens in een essay schreef, is het balanceren tussen handelingsmogelijkheden als oplossing van een moreel dilemma, wat postmoderne ethici bepleiten, juist vaak amoreel. Veel gebruikte morele regels hebben hun legitimiteit, hun werkingskracht, over vele jaren verkregen. Er mag dan ook in het algemeen verondersteld worden dat ze een aanwijzing zijn voor juist handelen. Wie op voorhand breed geaccepteerde morele regels afwijst, sluit eeuwenoude morele wijsheid bij voorbaat uit. Een individuele afweging kan in velerlei opzichten tekort schieten en leiden tot egocentrische en laffe beslissingen (die achteraf met veel vernuft gerationaliseerd worden). Natuurlijk kunnen regels niet heilig zijn. Kants eis dat onder geen enkele omstandigheid gelogen mag worden, is moreel niet te verdedigen. Regels kunnen in bijzondere gevallen genegeerd worden als de gevolgen per saldo duidelijk negatief zijn. Maar in veruit de meeste gevallen is liegen moreel laakbaar. Om ons te hoeden voor verleidingen van het ego, voor wilszwakte en overwegingen uit angst, verdient het aanbeveling om onze waarden en deugden te beschermen via leefregels. Die regels kunnen we ook zelf stellen. Als een gezond lichaam een waarde is, is matigheid bijvoorbeeld een daarbij passende deugd. Als we het daarbij laten bestaat het gevaar dat we van geval tot geval bezien of we wel matig genoeg leven of niet. Dat leidt vermoedelijk al snel tot te veel onmatig gedrag. Daarom zijn leefregels nuttig die de deugd van matigheid vertalen naar het begrenzen van de hoeveelheid ongezond eten en drinken. Let wel; we kunnen nog wel eens zondigen. Leefregels moeten bij voorkeur niet in de vorm van verboden worden geformuleerd, maar liever in de vorm van restricties en geboden. Als we echt iets niet meer willen, roken bijvoorbeeld, dan kan dat laatste ook het beste als gebod of doel worden geformuleerd. Op die manier geven we onszelf een nuttige taak, wat meer stimuleert dan een verbod dat snel als knellend ervaren wordt. Ook de framing van levenskunst is van belang. Naarmate we leefregels vaker toepassen, raken we er vertrouwd mee en gaan ze "in ons systeem zitten". Daar diep genesteld worden ze uiteindelijk een tweede natuur, een gewoonte. We zien ze niet meer als dwingend en beperkend, maar geheel in ons eigen belang en dat van de wereld.
De grote Indiaase wijze Krishnamurti zei dat een rechtschapen mens zijn wil ontwikkelt als middel om weerstand te bieden tegen alles wat ons ideale zelf in de weg staat. Maar een mens van de wil kan de waarheid nooit vinden omdat hij nooit vrij is. Waar het om gaat is onze zwaktes te onderkennen, vervolgens daaraan op een liefdevolle maar toegewijde manier te werken, zodanig dat de regels die we ons hiervoor moeten opleggen steeds meer hun waarde bewijzen en een natuurlijk deel gaan uitmaken van onze levenswijze. Dan wordt het stadium van het 'zijn' bereikt, waarbij we niet meer hoeven te vechten.
Ik heb zojuist al geraakt aan het tweede doel van leefregels; ze maken het gewenste leven concreet. Regels geven vorm aan het leven wat we willen leiden. Leefregels geven substantie aan het persoonlijk gekozen goede leven. Als we alleen de waarden en deugden benoemen die tellen in ons leven zullen we er wel in zekere mate naar leven, maar leefregels zorgen ervoor dat we ook echt inhoud geven aan het leven wat we willen leiden.
Ten derde lossen leefregels de beperkte action guidance van de deugden op. Ze maken de stap mogelijk van wat te zijn naar wat te doen. Het voordeel dat leefregels daarbij ook bieden is dat ze individueel maatwerk kunnen leveren, in tegenstelling tot de deugden. Iemand die een gat in de hand heeft, is hebzuchtig en zou zich in matigheid moeten oefenen. Maar zoals zojuist aangegeven kan matigheid op vele wijze vorm krijgen. De persoon in kwestie kan een gezond leven leiden en hoeft dan ook niet te matigen met voedsel en drinken, maar zou wel de leefregel aan kunnen nemen om minder te consumeren. Wat "minder" is zal hij ook moeten concretiseren, anders dreigen de verleidingen te veel speelveld te krijgen en is er te weinig actiegerichtheid. Dit geeft meer besef van controle en zelfsturing, wat blijkens empirisch onderzoek op zich al een belangrijke bron van geluk is. Leefregels bieden, misschien meer nog dan deugden en waarden, houvast en richting in een onzekere en complexe wereld. Op collectief niveau voorkomen regels een toestand van anomie (wetteloosheid). In anonieme publieke ruimten is er een gebrek aan leefregels. Iedereen gaat zijn eigen gang, waardoor wanorde en verloedering ontstaan. Wetsregels zijn onvoldoende om goed samen te kunnen leven. En wanneer de zorg voor de publieke ruimte aan enkele welwillende mensen wordt overgelaten, is dat niet alleen oneerlijk, maar ook onvoldoende. Het instellen van leefregels kan gedrag reguleren, waar eerder sprake was van "een zooitje ongeregeld". Een belangrijke functie van collectieve leefregels is dat ze een norm en daarmee duidelijkheid verschaffen. Soms weten mensen niet goed wat nog wel en niet mag en regels brengen daarin duidelijkheid. Daarnaast kunnen regels ook een bijdrage voor een collectief goed verlangen. Op deze wijze activeren regels de betrokkenheid van mensen bij een collectief goed. Dit gaat vaak niet vanzelf omdat zonder regels weinigen zich werkelijk verantwoordelijk voelen. Op alle niveaus geldt dat goed gedrag vaak niet vanzelf tot stand komt.
Conclusie
Levensfilosofie en deugdethiek hebben beide het goede leven als doel. Ze hebben elkaar nodig om te komen tot een sociale levenskunst, waarbij het individu door een grondig waardenonderzoek inzicht krijgt in de afhankelijkheid en verbondenheid van zijn leven met het grotere geheel. Door een dergelijk onderzoek ontstaat een besef van wat echt belangrijk is en wat meer in de periferie van het persoonlijk waardenstelsel thuishoort. Bij het hedendaags individualisme gaat het vooral om presteren (aanzien verwerven) en (niet zelden dwangmatig) genieten. Dit is niet het individualisme van de levenskunstenaar. Hij streeft naar zelfcultivering en goede relaties. Het goede leven is meer dan het resultaat van persoonlijke keuzes, het is ook het gevolg van erkenning en respect, wat zich uitdrukt in waarachtige betrokkenheid. Vanuit het besef van wat echt belangrijk is, namelijk voorbij te gaan aan de dwang van het ego en zich te richten op relaties en wat de wereld te bieden heeft, wordt de levenskunstenaar meer betrokken. Die betrokkenheid beperkt zich niet tot de eigen sociale omgeving, maar tot iedereen. Vanuit het besef van onze bevoorrechte positie, een positie die bovendien deels het gevolg is van historische onrechtvaardigheid, wordt duidelijk dat we, omdat we allemaal evenveel recht hebben op een gelijke kans op geluk, ook betrokken moeten zijn op zij die lijden buiten onze eigen kring. Die betrokkenheid wordt vereenvoudigd als we door waardenonderzoek leren inzien dat het echte geluk niet schuilt in veel consumeren zodat we vrijgeviger kunnen worden. De schuldvraag is minder interessant, het gaat erom wat we kunnen betekenen en niet nalatig te zijn.
In deze tijd schiet een dwingende ethiek met dogma's en regels tekort. Mensen willen hun eigen leven vorm en inhoud kunnen geven omdat ze verschillende waarden, doelen en ontwikkelpunten hebben. De levensfilosofie heeft net als het humanisme (en het liberalisme) veel vertrouwen in de mens. Dat is ook goed, maar een zeker realisme hoort daarbij. De mens is ook geneigd tot het kwade en daarom lijkt het wijs dat hij, juist vanuit de waarden die hij erkent en onderschrijft, streeft naar deugdzaamheid om wat hij belangrijk vindt trouw te blijven en dat streven verder kracht bij te zetten door leefregels (daarbij in ieder geval vertrouwend op regels die hun waarde bewezen hebben). Een dergelijke morele levenskunst lijkt de beste kansen op een gelukkig leven te bieden en bij te dragen aan een betere samenleving.
Bronnen
-Kwame Antony Appiah (2010). The honour code
-Joep Dohmen (2010). Brief aan een middelmatige man
-Harry Kunneman (2007). Dikke autonomie en diepe autonomie. In: Esther de Wit et al, De autonome mens
-Kenneth Gergen (2009). Relational being
-Hilary Putnam (1990). "Taking rules seriously", in: Realism with a human face
-André Comte-Sponville (2008). Kleine verhandeling over de grote deugden
-R. Alexandrescu et al (1995). Richard Rorty
-Christopher Peterson en Martin Seligman (2004). Character strenghts and virtues.