Over onthechting
Een van de kernleerstukken in het boeddhisme is het streven naar onthechting. Deze term wordt vaak verkeerd begrepen. Onthechten betekent niet dat we geen waarde meer moeten hechten aan dingen of personen. Integendeel, het zou een goed streven zijn om te proberen juist meer te waarderen, dat wil zeggen de waarde van dingen in te zien vanuit het besef dat onze relatie ermee niet vanzelfsprekend en tijdelijk is. Leren waarderen is ook oefenen in dankbaarheid en regelmatig terugdenken aan het goede dat we hebben meegemaakt, zonder niet langer in het nu te leven. De herinnering mag niet leiden tot heimelijk oordelen over het heden, maar kan het wel voeden met nieuwe energie en inzichten, als we bijvoorbeeld terugdenken aan de hoogtijdagen van een relatie of lessen trekken uit persoonlijke ervaringen. Het gevaar van mooie herinneringen is dat ze een schaduw werpen op het heden. Dit gebeurt wanneer de herinnering gepaard gaat met een (vaak niet onderkend) verlangen naar vroeger tijden. Het zijn die destructieve, niet haalbare verlangens waarvan we ons in de eerste plaats moeten onthechten. Beter is het om de aandacht te richten op het nu en de waarde van het moment te ontdekken door goed waar te nemen, te leren en te onderzoeken. Wanneer de vele facetten en de rijkdom van het leven zoals dat zich aandient aan het licht komen, verhoogt dat onze waardering, net zoals we een schilderij meer waarderen als we de achtergrond, de gebruikte technieken en de context ervan leren kennen. Kennis van zaken zorgt niet zelden voor meer waardering, net als een open, leergierige houding. Waarderen is in relatie staan met wat buiten ons ligt, het intensiveert en geeft uitdrukking aan onze betrokkenheid voor de wereld om ons heen. Door de wereld te waarderen, ervan te genieten en er een geestelijke band mee aan te gaan, treden we buiten de kaders van het ego. Hiermee wordt bedoeld dat deel in ons dat zich laat leiden door egocentrische strevingen; naar zelfbehoud, naar aanzien, naar hebben, alles gericht om groter te worden. Het boeddhisme leert dat dit ego of atman een illusie is, dat wil zeggen een menselijke uitvinding, die hoewel niet echt bestaand, wel ons gevangen houdt in een leven dat draait om egocentrische en onrealistische strevingen die uiteindelijk geen diep geluk brengen. Zie hier meer over deze leer van niet-zijn.
Aan de Boeddha werd eens gevraagd op welke wijze hij verlichting had bereikt. "Door niet te streven", luidde zijn antwoord. Hiermee wordt niet een apathische, noch een ascetische levenshouding bedoeld. Dat zou ook onmogelijk zijn, de mens is een verlangend en strevend wezen. Wat de Boeddha aangaf met dit antwoord is dat om werkelijk vrij en verlicht te raken, het nodig is ons te onthechten van egocentrische en onrealistische strevingen. Op die manier verlossen we ons van de dwang en illusie van het ego en raken we in contact met de werkelijkheid, zowel die van onszelf als die van de externe werkelijkheid (hoewel dat eigenlijk ook een illusoire scheiding is). Het gaat er dus om ons te verlossen van verkeerde verlangens die we als egocentrisch kunnen aanduiden. Maar egocentrisch moet hier dan wel goed begrepen worden. Iemand wordt doorgaans egocentrisch genoemd als deze overwegend op eigen belangen is gericht, zonder aandacht en zorg te hebben voor anderen. Hier wordt met egocentrisch bedoeld de persoon die zich laat leiden door het illusoire ego die verlangens tot stand brengt die ten diepste liefdeloos zijn en waar geen intrinsieke waardering voor onszelf, anderen en de wereld in verkeert. Het zijn alle door het ego afgescheiden onzuivere verlangens. Onzuiver omdat ze niet autonoom en op intrinsieke betrokkenheid (zoals mededogen, liefde) gebaseerd zijn (voor onszelf, voor anderen, voor het levende, voor kunst, muziek, sport, kennis, etc). Het gaat er dus niet om dat al onze verlangens en strevingen op anderen en niet op onszelf gericht behoren te zijn. Sowieso is er binnen het boeddhisme geen moeten, geen dwingende ethiek. Er zijn alleen leefregels die ons kunnen helpen het lijden te verminderen en dichter bij verlichting te geraken in perfecte harmonie met de wereld. Het gaat erom onze verlangens te zuiveren en aldus onthecht te raken van onzuivere verlangens. Wat die zuivere verlangens zijn, zal door zelfonderzoek duidelijk moeten worden. De vraag die daarbij leidend is, is wat je nu echt belangrijk vindt en waarom dan.
Velen zouden diep van binnen het liefst beroemd willen zijn en veel aanzien willen genieten, liefst in combinatie met rijkdom. Dergelijke verlangens mogen dan sterk gevoeld zijn, ze zijn niet zuiver want egocentrisch en onrealistisch. Waarom is het egocentrisch om naar aanzien en succes te verlangen? Omdat het verlangen geen ander doel dient dan het ego te voeden. Door dergelijke egocentrische verlangens na te jagen blijven we in een staat van afhankelijkheid verkeren. Onthechting is niet alleen gericht op onthechting van wat ik onzuivere verlangens noem, maar ook van de achterliggende relaties die schuilgaan in die verlangens. Aanzien en erkenning bestaan bij de gratie van de ander, sterker van heel veel anderen. Wie succes en aanzien centraal stelt, levert de beoordeling van zijn leven als het ware uit. Onze relatie met de buitenwereld wordt in een gespannen sfeer getrokken. De hel, in de woorden van Sartre, dat zijn de anderen, zolang zij geen erkenning bieden en een vergelijkbare of hogere status innemen. De afhankelijkheid waar het persoonlijk geluk van afhangt, is daarmee immens. Die afhankelijkheid maakt ons geluk broos en voorwaardelijk, terwijl het zou moeten gaan om bestendig, diep geluk. Veel mensen zijn doodongelukkig omdat ze alleen maar proberen om elkaar te overtroeven. Ook voor de samenleving is het streven beter te zijn dan anderen niet perse goed, in weerwil van het marktdenken waarvan onze maatschappij is doordrongen. Het zou moeten gaan om de wens te excelleren, datgene zo goed mogelijk te doen wat je zou moeten doen, in andere woorden deugdzaam en verantwoordelijk te zijn. De narcistische en egocentrische wens om je te onderscheiden verkwanselt de aandacht en zorg voor de ander. Ook in het economisch leven is concurrentie niet alles. Een markteconomie kan alleen werken wanneer ze moreel is ingebed, wanneer op ethisch verantwoorde wijze individuen hun belangen afstemmen, ontstaat vertrouwen wat noodzakelijk is voor welvaart op de langere termijn. In de politiek heet het verlangen naar aanzien door het zoeken naar electoraal gewin in plaats van de zorg om idealen populisme.

De filosoof Joep Dohmen (2010) geeft in zijn Brief aan een middelmatige man nog een reden waarom het schadelijk is als niet het nastreven van wat waardevol is, maar het verlangen naar aanzien, het denken en handelen domineert. In navolging van Charles Taylor stelt Dohmen dat onze identiteit alleen zinvol gedefinieerd kan worden tegen de achtergrond van een morele horizon waaraan we ons committeren of met redenen van afwijken. Je kunt niet de middelmaat ontstijgen door om het even welk record te doorbreken. Hoe obscuurder het onderscheid, hoe minder aanzien omdat de waarde van de onderscheidende prestatie minder erkenning sorteert. Een zinvol en gelukkig leven is alleen mogelijk wanneer dat leven zich richt op wat substantieel van waarde is. Wie zich verliest in een egocentrische preoccupatie met zichzelf, aldus Dohmen (en daar vinden levensfilosofie en boeddhisme elkaar), mist zelfrespect vanwege een gebrekkige morele oriëntatie. Wie zichzelf de maat der dingen vindt, mist de voldoening die een gewijd leven biedt. In plaats van op zoek te gaan naar wat echt waardevol is, wat zijn zuivere verlangens zijn en te leren hoe hij die waarden zou kunnen representeren, leeft de egocentrische mens een moreel verarmd leven waarbij diep geluk uitblijft. Het verlangen naar aanzien, kan alleen succesvol zijn als ze secundair is en het verlangen om goed te doen primair is. Tegen het gevaar van narcisme waartoe de individualistische samenleving uitnodigt, is moreel zelfonderzoek geboden om tot zuivere verlangens te komen die autonoom en liefdevol zijn. Autonoom omdat ze in overeenstemming zijn met onze metawil, met wat we echt willen; ze zijn een manifestatie van de persoon die we willen zijn, niet in de ogen van de ander, niet als imago, maar van wat we waardevol en belangrijk vinden. En daarom ook liefdevol, want tot wat we intrinsiek belangrijk vinden, richten onze verlangens zich met liefde en passie.
Zoals het boeddhisme inziet, is een onmisbaar en centraal onderdeel van de zuivere verlangens zorg en compassie. Door ons te richten op de ander en zijn behoeften, krijgt ons leven zin. Het verlangen anderen te helpen en bij te staan, waarvan de waarde helaas onvoldoende onderkend wordt in het huidig cultureel klimaat, is essentieel voor persoonlijke groei. Dit wordt ook breed`onderkend in de westerse filosofie. Vandaag de dag vraagt de zorgethiek hier aandacht voor, maar het was Schopenhauer al die wees op het goede geweten dat we overhouden aan de belangeloze aandacht die we geven aan anderen. Hij zag dit als bewijs dat "ons ware zelf niet alleen bestaat in onze eigen persoonlijkheid (..) maar in alles dat leeft. Door dit goede geweten voelt het hart dat het is vergroot, terwijl het bij egocentrisme ineenkrimpt." Voor veel mensen, vaak vrouwen, vormt zorg voor naasten, maar ook voor de natuur, het voornaamste diepere verlangen. Maar ook een vita contemplativa kan een diep verlangen zijn. In tegenstelling tot een breed heersende opvatting hoeft betaald werk niet perse zuivere verlangens te vervullen. Velen vinden in hun werk geen passie of sterke betrokkenheid, maar wel in andere zaken. Mensen zijn daarnaast vaak niet goed in staat om het relatieve belang van intrinsieke motivatie (het plezier in het werk zelf) ten opzichte van extrinsieke motivatie (het aanzien en geld dat werk oplevert) te doorzien. Om te achterhalen of je je baan vooral waardeert vanwege intrinsieke (zuivere) of extrinsieke redenen, zou je jezelf de vraag kunnen stellen of je hetzelfde werk ook zou willen doen zonder aanzien en voor aanzienlijk minder geld.
Vaak gaan verlangens niet in vervulling. Ook al komen we er achter wat echt belangrijk voor ons is, dan wil dat nog niet zeggen dat we ook slagen in de vervulling van datgene dat we nastreven als uitdrukking van ons diepste zijn. Onthechting betekent ook het vermogen om met tegenslag om te gaan, om een verlangen dat niet haalbaar bleek, los te kunnen laten, om het op te kunnen brengen te onthechten van de emotionele pijn bij een mislukking. Incasseringsvermogen kweken. De opdracht tot onthechting die we ons kunnen opleggen, is een oefening in weerbaarheid. In loslaten en verdergaan. Voorkomen moet worden dat we uit angst voor mislukking de waarde die we aan zaken en mensen toekennen uit voorzorg verminderen. Daarmee zouden we onrecht doen aan het liefdevolle karakter van onze zuivere verlangens en deze als het ware ontheiligen. Beter is het om, als na krachtige pogingen we niet slagen, ons te realiseren dat onze verlangens een van de vele uitdrukkingen zijn van de waarden die leidend zijn in ons bestaan. Onthechting als voorwaarde voor het opladen en opnieuw richten van de levensenergie wordt bereikt door het moeizame proces van accepteren en nieuwe, persoonlijke uitdrukkingswijzen vinden van een hoger goed. Wie faalt, zal pijn ervaren. Die pijn is reeël, het lijden is een grondtrek van het leven, leert het boeddhisme. In plaats van die pijn weg te stoppen of je er tegen te verzetten, is het beter om, ook al is er weinig overtuiging en energie, toch weer verder te gaan door uit te kijken naar wat nog meer waardevol is en zo nieuwe zuivere verlangens te cultiveren. Zoals ik elders zal betogen, verdient het daarbij de aanbeveling om de wijsheid van eeuwen te gebruiken. Wat waardevol is en wat leidt tot geluk bepalen we nooit alleen.
Ten slotte nog enkele woorden over de relatie tussen het ideaal van onthechting en de liefde. Het misverstand kan ontstaan dat we ons ook niet te zeer moeten hechten aan andere personen. Niets is minder waar, zoals ik ook al hier aan de orde heb gesteld. Een sterke gehechtheid aan anderen, heeft echter wel het risico dat die kan ontaarden in irrationele jaloezie, verstikking van de ander, idealisering en manipulatie alsmede verwaarlozing van andere waardevolle zaken. Het zijn die gevaren die we moeten ontwijken en dat kan door een minder egocentrische liefde. Het begrip liefde heeft binnen veel spirituele tradities een bredere betekenis dan het westerse ideaal van romantische liefde. Romantische liefde, de liefde tussen twee personen die gekenmerkt wordt door passie, intimiteit en erotische aantrekkingskracht, moet echter niet als een basisbehoefte gezien worden. Betekenisvolle relaties daarentegen wel. Kijk naar de Dalai Lama die nooit romantische liefde gekend heeft, maar toch gelukkig is. In veruit de meeste liefdesrelaties zijn heftige emoties, een zekere mate van verslaving en een verstoord zicht op de werkelijkheid een repeterend thema. Het gaat erom te streven naar zuivere liefde, waarbij het verlangen de ander gelukkig te zien en te investeren in de relatie door zorg, openstelling, communicatie en delen centraal staan. Deze niet-egocentrische liefde kan bestaan tussen man en vrouw en tussen moeder en kind en in vele andere relaties. We zouden niet-egocentrische, open en waarheidsgetrouwe liefde spirituele liefde kunnen noemen. Erotische liefde die gebaseeerd is op aantrekkingskracht is van een andere orde, maar zeker niet verkeerd. Wanneer beide samenkomen tussen twee mensen, is dat het hoogste wat bereikt kan worden.
Het aloude ideaal van onthechting is in deze tijd van wedijver, narcisme en overvloed belangrijker dan ooit. Ze behoedt voor een leven van ongeluk, ontevredenheid, morele leegte en verkeerde prioriteiten. Het is niet voor niets dat dit boeddhistische concept, in andere woorden en met andere nadruk, ook centraal staat in de hedendaagse levensfilosofie. Opgroeien is langzaam loslaten; dat onthechtingsproces stopt niet bij volwassen worden, maar gaat een levenlang door.
19/12/10