Het nieuwe denken
Veel van wat op de spirituele markt verschijnt, kan gerekend worden tot "het nieuwe denken" (New Thought). Het nieuwe denken is een reactie op het ascetisme van de oude spirituele stromingen als het Boeddhisme. Hoewel zowel het nieuwe en oude spiritualisme spirituele ontwikkeling en een hoger bewustzijn van eenheid met elkaar delen, stelt het nieuwe denken veel meer de mogelijkheid van de vervulling van wensen centraal, waarbij ze veel minder belang hecht aan kwalitatief onderscheid tussen soorten wensen. Het nieuwe denken keert zich dan ook niet tegen lagere, materiele behoeften. Beroemde auteurs zoals die van The Secret en Deepak Chopra kunnen tot deze dominante spirituele stroming gerekend worden. Ik zal hieronder kort ingaan op twee centrale denkbeelden van het nieuwe denken en aangeven waarin deze volgens mij tekortschieten.
leven in het nu
Veel spirituele denkers benadrukken het belang van het "leven in het nu". In De kracht van het nu stelt Eckhart Tolle, de beroemdste pleitbezorger van dit dogma, dat we het huidige moment moeten accepteren zoals het is, "alsof we er zelf voor gekozen hebben". Hij stelt dat leven in het nu "op wonderlijke wijze je hele leven zal veranderen." Daarvoor, zegt Tolle, "moeten we uit het verleden en de toekomst treden en in het heden leven, omdat het verleden en de toekomst duidelijk geen eigen realiteit hebben." Leven in het nu heeft het voordeel dat we bewust zijn van de dingen die we doen en van de situatie waarin we verkeren. Door gericht te zijn op het huidige moment leven we aandachtiger, waardoor we bewuster waarnemen, zoals bijvoorbeeld de schoonheid van de natuur. We krijgen meer oog voor het bijzondere in de wereld. Door in het nu te leven, raken onze gedachten niet meer verstoord door herinneringen aan het verleden, of zorgen om de toekomst. Verdriet en zorgen komen onvermijdelijk voort uit denken aan het verleden en de toekomst. Door je op het nu te richten, kan meer voldoening en plezier uit het leven gehaald worden. Heel veel mensen worden gekweld door tegenslag uit het verleden, waar het heden mee belast wordt. Emotionele ervaringen kleuren de gedachten in het heden en daarmee het gedrag. Eveneens laten de meeste mensen zich leiden door de toekomst, waarin een promotie gerealiseerd of een fantastische partner geschaakt moet worden. Daardoor weten mensen de waarde van het heden onvoldoende te waarderen. "Life is what happens to you while you're busy making plans", zei John Lennon eens.
Tolle stelt dat de meeste mensen geleid worden door hun ego. Dit ego is een mentaal zelfbeeld van wie je bent, geconditioneerd door de culturele en sociale omgeving. Het is de stem van binnen die voortdurend evalueert, speculeert, vergelijkt, waardeert en afkeurt. Het ego is voortdurend uit op erkenning en is voorbestemd om te denken in termen van verleden en toekomst. Het focust op het verleden omdat dat een identiteit verschaft en omdat het verleden bepalend is voor de omstandigheden waarin we verkeren. En het ego kijkt naar de toekomst omdat daar onze dromen, verwachtingen en angsten liggen. Tolle stelt, in navolging van vele andere spirituele denkers, dat er een dieper zelf bestaat. Dit diepere zelf kan ontdekt worden door simpelweg te luisteren naar de stem in je hoofd. "Dan zal je je realiseren: daar is de stem en hier ben ik, om ernaar te luisteren." Door je op het nu te richten, bijvoorbeeld door meditatie, kan dit diepere zelf ontdekt worden en ontstaat er ruimte voor stilte, vredigheid en wat Tolle "de vreugde van het Zijn" noemt.

Het dogma van het leven in het nu is evenwel niet onproblematisch. Het kan ontaarden in een leven zonder diepte, gedreven door lagere driften en wensen. In het heden leven wordt dan gelijk gesteld aan een carpe diem instelling, waarbij het gaat om het bevredigen van vluchtige behoeften, waarbij geen oog is voor lange termijneffecten, zowel op het persoonlijk welzijn als dat van anderen. Verschillende spirituele leraren hebben nauwelijks aandacht voor het onderscheid tussen lagere en diepere behoeften en hoe die zich tot elkaar behoren te verhouden. Deepak Chopra bijvoorbeeld stelt dat al onze verlangens van God zijn gegeven. Don Miguel Ruiz stelt dat we deel zijn van het Oneindige. Hij zegt dat we goed zijn zoals we zijn, omdat we deel zijn van de hogere orde. Veel auteurs in de traditie van het Nieuwe denken (Chopra, Walsch, Dyer, Redfield, Byrne) overdrijven onze verbinding met het goddelijke. Ze stellen dat we deelachtig zijn in de grootheid van God, als druppels in een goddelijke oceaan en dat we daarom ook goddelijke wezens zijn. Met een dergelijk verheven mensbeeld is het dan nog moeilijk om neigingen kritisch te evalueren en hier kwalitatieve onderscheidingen in aan te brengen.
Tolle en anderen stellen verder dat het beter is om je niet te veel op de toekomst te richten. Dat valt te begrijpen vanuit het gegeven dat de toekomst onzeker is en dat het af kan leiden van de mogelijkheden die het heden biedt. Toch wordt de toekomst zo geen recht gedaan. In het leven is het van belang om doelen te hebben. Deze bieden houvast en richting, inspireren en motiveren en voorkomen dat we een speelbal worden van uiterlijke krachten. Het is niet voor niets dat het stellen van concrete, haalbare doelen centraal wordt gesteld in veel therapieën. Het nastreven van doelen impliceert een gerichtheid op de toekomst. Hoe valt dit te verenigen met het belang om in het nu te leven? Ten eerste hoeft het een het ander niet uit te sluiten. We kunnen in volle aandacht en in volle voldoening in het nu bezig zijn met activiteiten die in het teken staan van een doel in de toekomst. Het besef dat die activiteiten deel uitmaken van een hoger doel, geeft het nog extra glans. Van belang is dat de doelen die we kiezen enerzijds voldoende motiverend en zingevend zijn. Hieraan is voldaan wanneer ze deel uitmaken van een hoger doel, of een waardestelsel waar we bewust voor gekozen hebben. Doelen dienen zo gekozen te worden dat ze intrinsiek motiverend zijn. Dit wil zeggen dat we voldoening halen uit het doel zelf en de activiteiten die hiervoor nodig zijn. Externe voordelen (geld, aanzien, waardering, status, macht) zijn van ondergeschikt belang. Anderzijds moeten we ook weer niet te veel aan gekozen doelen hechten, zodat we flexibel genoeg zijn om verder te kunnen wanneer doelen niet haalbaar blijken te zijn. Als een doel gekozen is in het licht van een overkoepelende waarde, is bij het niet realiseren van dat doel bovendien niet alles verloren. Het doel was immers slechts een manifestatie van een hogere waarde, die nog steeds leidend is voor de persoonlijke ontwikkeling. Het gekozen doel is dan wel niet gehaald, gegeven het besef dat er een hogere richtinggevende waarde is, kunnen we hier weer snel een nieuw doel bij vinden, nadat we plaats hebben gegeven voor de emotionele pijn van tegenslag.
Er schuilt natuurlijk wijsheid in de stelling dat we het heden moeten omarmen alsof we het zelf gekozen hebben. Tolle bedoelt hier niet mee dat we alles maar moeten accepteren zoals het is. Hij stelt dat we ons moeten overgeven aan hoe de dingen op het moment zijn, dat wil zeggen zonder daarover emotioneel in disbalans te geraken. Vanuit een dergelijke, koele verstandhouding met de werkelijkheid, kunnen we volgens hem ook effectiever veranderingen realiseren. Het is maar de vraag of deze stelling klopt (zoals zoveel spirituele stellingen wordt ook deze niet wetenschappelijk gestaafd). Om tot verandering te komen, lijkt een zekere uit onvrede geboren emotionele energie van groot belang. Zonder emotionele kracht is sociaal engagement bijvoorbeeld moeilijk tot stand te brengen. Het is een vaker voorkomende paradox in het Nieuwe denken. Enerzijds wordt er nauwelijks rekening meegehouden dat de mens een emotioneel wezen is. Zo stapt Tolle wel makkelijk heen over de moeite die het kost om de last van het verleden los te laten, zo dit al wenselijk is. Anderzijds draait het vooral om het voelen in het Nieuwe denken. Om echt in het nu te kunnen zijn, zouden we het denkende ego achter ons moeten laten en vooral in het gevoel moeten treden. Het gaat er dan om wat we nu voelen. Omdat we van binnen goddelijke wezens zijn, kunnen we op dat gevoel vertrouwen. Het gevolg is evenwel onvoldoende oog voor verantwoordelijkheden en de ratio.
Hoewel Tolle niet zegt dat we de werkelijkheid zonder meer moeten accepteren, gaat hij niet in op wanneer en in welke richting we als individuen de samenleving zouden moeten veranderen. Werkelijke spiritualiteit impliceert ook een sterke verbeeldingskracht. Hoe kan het anders en beter? Op een vreedzame en constructieve wijze kan vanuit die verbeeldingskracht het heden veranderd worden. Ik raak hier aan een wezenlijk bezwaar van het Nieuwe denken; de afwezigheid van serieus sociaal engagement. Het lijkt in deze stroming toch vooral te gaan om het hebben van bijzondere, persoonlijke ervaringen. Dat is overigens geenszins kenmerkend voor alle spiritualiteit. In het Boeddhisme bijvoorbeeld is betrokkenheid op de ander van wezensbelang.
Nog een opmerking over de aard van het vol in het nu leven. Veel spirituele denkers, waaronder Tolle, hebben het in dat verband over een hoger bewustzijn. Maar impliceert opgaan in het heden, niet juist een onbewuste toestand, een toestand van flow, waarbij sprake is van een volledige gerichtheid op een activiteit, zonder enige hindernis van de omgeving, afleidende gedachten, tijd en ruimte. Een toestand, waarbij we niet hyperbewust zijn, maar juist, als het ware zo gevoed worden door waar we mee bezig zijn, dat we min of meer automatisch handelen, in volle toewijding? Waarbij ieder besef van het zelf, ook van een dieper zelf, verdwijnt? Er zijn volgens mij meerdere wijzen van leven in het nu. Ten eerste een hyperbewuste, waarbij we in volle concentratie waarnemen met onze zintuigen. Ten tweede een passief bewuste. Een voorbeeld hiervan is het moment dat je op een luchtbed op een meer in volle gelukzaligheid en gemoedsrust de wolken voorbij ziet trekken, zonder verdere inspanning. En ten derde, een toestand van actieve onbewustheid, van flow, waarbij we helemaal opgaan in de activiteit waarmee we bezig zijn. Het tegendeel, passief onbewustzijn, is dan de toestand die juist kenmerkend is voor niet in het nu leven, maar geleefd worden door het nu.
Door in het nu te leven, worden we weer verbonden met het Zijn zelf, in plaats dat het zelf in beslag wordt genomen door het ego, zo stellen spirituele leermeesters. Deze verbinding met het Zijn, maakt inzichtelijk dat we deel uitmaken van iets groters. Voor dat inzicht is pas ruimte wanneer we niet meer gericht zijn op ons ego. Het hogere bewustzijn van het zelf is overstijgend en geeft een gevoel van eenheid. Hierbij kom ik aan het volgende dogma van het Nieuwe denken, dat van het holisme.
holisme
Het idee dat de mens deel is van een groter geheel, staat centraal in de het nieuwe spirituele denken. Dit denkbeeld wordt door verschillende denkers uiteenlopend uitgelegd, maar telkens komt het erop neer dat we ten diepste deel zijn van een groter geheel, zij het van een universeel bewustzijn (zie meer hier), zij het dat we allemaal een goddelijke aard hebben en in wezen druppels in een goddelijke oceaan zijn.
De onverlichte mens is zich niet of nauwelijks bewust van zijn deelachtigheid in een transcendent geheel, omdat hij de wereld vanuit zijn ego waarneemt. Het ego denkt in belangen en tegenstellingen en deelt de wereld in in afgescheiden delen. Het materiële denken beschouwt de wereld als bestaand uit eenheden die weliswaar met elkaar kunnen interacteren, maar toch bovenal onafhankelijk van elkaar bewegen. Het holisme biedt het voordeel dat ze wijst op dat wat ons bindt met andere wezens (niet alleen mensen, maar ook dieren en uiteindelijk alles). Op die manier kunnen tegenstellingen overwonnen worden en ontstaat meer oog voor het algemeen belang. De menselijke neiging om te categoriseren en dus te onderscheiden, evolutionair te verklaren vanuit een behoefte aan orde en zekerheid, leidt vaak tot uitsluiting, discriminatie of zelfs agressief gedrag. De nadruk op onderlinge verbondenheid zoals het holisme voorstaat, kan die neiging onderdrukken en aldus gelijke behandeling en morele universaliteit bevorderen. Ook in ecologisch opzicht is het idee van eenheid waardevol. Een groen holisme wijst op het bestaan van ecosystemen waar ook de mens deel van uitmaakt. Zij laat zien dat aantasting van de natuurlijke omgeving ten behoeve van geldelijk gewin uiteindelijk ook repercussies zal hebben voor het menselijk welzijn. Met haar oog voor onze natuurlijke dimensie en het feit dat we ook dieren zijn, bevordert ze een noodzakelijk beleid van duurzaamheid. Net als bij het sociaal holisme, draagt ze er verder aan bij dat we ons meer verbonden voelen met de gehele leefwereld en haar inwoners en zo meer mededogen kunnen opbrengen.

Het idee van eenheid heeft dus zeker waardevolle implicaties. Toch heb ik er enkele problemen mee. Ten eerste bestaat het gevaar van reductionisme. Als alles uiteindelijk hetzelfde is, kan de uniciteit en eigenheid van het particuliere onderbelicht raken. In verschillende spirituele denkbeelden uit een dergelijke reductionisme zich in regressieve mensopvattingen, volgens welke we ernaar zouden moeten streven een natuurmens te worden om zo meer in harmonie te raken met en terug te keren tot een verloren gegane paradijselijke toestand. In dergelijke visies is de mens vervreemd van zijn biologische aard. Diepe ecologie bijvoorbeeld stelt dat het beschermen van ecosystemen het meest belangrijk is. De mens en haar rechten en mogelijkheden worden in deze leer ondergeschikt gemaakt aan het grotere systeem waar ze deel van uitmaakt. Hoewel hier zeker een kern van waarheid in zit, kan een terugkeer naar vroegere bestaansvormen niet een gewenste richting zijn. Een spirituele leer dient op evenwichtige wijze aandacht te hebben voor alle menselijke aspecten; het lichamelijke, het emotionele maar ook het rationele. Eerder heb ik ook gewezen op de wetenschappelijke bezwaren tegen het veel gehoorde idee dat uiteindelijk alles bewustzijn is. Dat neemt niet weg dat het tegendeel, een plat materialisme, ook niet overtuigt. Ook de stelling, ten tweede, van veel schrijvers uit de traditie van het Nieuwe denken dat de mens zelf ook goddelijk is omdat hij deel is van het grotere goddelijke Geheel, lijkt me niet realistisch. Als we al een met God zouden zijn, impliceert dit nog niet dat we ook over goddelijke vermogens beschikken. Veel auteurs stellen echter dat we vanwege onze goddelijke aard goed zijn en onze verlangens kunnen bevredigen. Ik geloof wel dat de mens in potentie over hoge morele vermogens beschikt (noem dit goddelijk), maar het is geenszins vanzelfsprekend dat die ook tot volle wasdom en expressie komen. Daar is (onder andere) spirituele ontwikkeling juist op gericht.
Het idee van universele eenheid wordt zoals gezegd niet vanzelfsprekend ervaren; het besef dat we deel uitmaken van een groter geheel dient zich niet vanzelf aan. Preoccupatie met het egocentrische ik en haar wensen en frustraties, de normale praktijk, moet door oefening worden ontstegen. Spirituele leermeesters hebben zeker gelijk dat een zekere zelfverheffing nodig is om je bewust te worden van een hogere verbondenheid. Sommige denkers zijn mij echter te radicaal in hun methode wanneer ze het abstracte denken vanuit een anti-intellectuele houding bekritiseren. Hierbij kom ik bij mijn derde kritiekpunt. Volgens deze denkers leidt het abstracte denken, de ratio, tot het opdelen van het Geheel, waardoor de mens losgezongen raakt en tegenover de rest van de (leef)wereld komt te staan. In plaats daarvan wordt het gevoel gepropageerd. Het besef dat alles één is, ontstaat als we niet meer delend denken maar naar binnen keren en daar onze goddelijke bron voelen branden, die we delen met alle wezens. Dit anti-intellectualisme komt overigens niet alleen binnen het Nieuwe denken voor, maar ook binnen het Boeddhisme. Het risico van een dergelijke gevoelsbenadering, is een gevaarlijke vorm van verschraling, waarbij niet langer nadenkend wordt gehandeld, maar volledig wordt gevaren op het gevoel, of de intuïtie. Nu is het zo dat veel, zeker complexe, beslissingen beter op basis van gevoel gemaakt kunnen worden. En eveneens speelt de bewuste ratio een te grote rol in de huidige westerse samenleving. Maar het zou niet goed zijn om daarvoor in de plaats het gevoel te stellen als richtinggevend. Gevoel en rede kunnen elkaar niet alleen goed aanvullen, ze veronderstellen elkaar zelfs. Het idee, wat in spirituele kringen veel gehoor vindt, dat als het goed voelt, het ook wel goed is, is dan ook te simplistisch. Een afwending van het (abstracte) denken is volgens mij ook niet nodig om tot een transcendente levenshouding te komen, waarbinnen een diep doorleefd besef is deel te zijn en bijgevolg te moeten leven naar de wetten van een groter Geheel.
In psychologische en uiteindelijk ook in morele zin, ten vierde, is er het probleem dat de mens die niet leeft overeenkomstig het Hogere, en bijvoorbeeld wellustig, hebzuchtig of machtsbelust handelt, al snel als onwetend en angstig wordt gezien binnen de New Age beweging. Dit terwijl de mens die leeft en handelt vanuit een besef van eenheid en verbondenheid enkel door liefde gedreven zou worden. Het valt te begrijpen dat New Age aanhangers de ontspoorde mens zo beschouwd. Het is immers eenvoudiger om begrip te voelen voor iemand die slechte daden begaat als we menen dat die persoon eigenlijk handelt uit angst of onwetendheid in plaats van berekende kwaadwilligheid. Maar dat is een te positieve en eenzijdige voorstelling van zaken. Het kwaad kent vele wortels en het is nogal simpel om te zeggen dat men X wil bereiken uit angst dat men X niet zal krijgen. Het spectrum aan motivaties is veel breder. Je verbonden voelen met mensen buiten je eigen kring is niet gemakkelijk en vergt geduld en oefening, want mensen zijn niet zo mooi en onschuldig als nieuwe denkers het weleens willen doen voorkomen. Het wijd verbreide New Age idee dat slechts een handeling alleen slechte gevolgen kan hebben vanuit een bepaald perspectief, maar de dader en zijn motivaties niet en dat het kwaad op zich dus niet bestaat, is verder in strijd met het bestaan van morele keuzemogelijkheden en het gegeven dat slechte daden bewust als vergelding worden ingezet, of in het geval van sadisme, om het kwaad zelf. Maar ook onverschilligheid speelt een rol, waarbij mensen doelbewust kiezen voor het kwaad.
Er is nog wel meer kritiek mogelijk bij het dogma dat alles één is, zoals het idee dat als het eenheidsbewustzijn zich voorbij een kritische massa van mensen verspreidt, er een nieuw spiritueel tijdperk aanbreekt (volgens de auteur van Een ongewoon gesprek met God, Walsch, ligt de grens bij 3%). Bovenal is het idee dat als we maar een eenheidsbewustzijn bereiken (volgens de nieuwe leer kan dat verbazingwekkend simpel bovendien), het wel goed komt met ons, nogal simplistisch. Wat me samengevat niet bevalt aan het Nieuwe denken is dat ze niet omvattend, niet integraal genoeg is en onvoldoende rekening houdt met alle aspecten van wat het betekent om mens te zijn. In de volgende bijdrage zal ik dit nader concretiseren aan de hand van het werk van enkele vooraanstaande representanten van het Nieuwe denken.