De leer van niet-zelf

"Wie bent u?" vroeg Menander, veldheer van het door Alexander de Grote veroverde India aan een boeddhistische monnik. Deze monnik, Nagasena, antwoordde dat hijzelf "niet bestaat". Menander kon aanvankelijk niet begrijpen wat hij hoorde. De leer van het niet bestaan van het zelf (anatta) behoort tot de kern van het boeddhisme. Het is een moeilijk te bevatten idee dat lijnrecht ingaat tegen het sterke zelfbesef in het individualistische westen. Voortdurend zijn we bezig met persoonlijke ontwikkeling, stellen we doelen en zijn we bezig om succesvol te zijn, zodat we ons kunnen beroepen op een krachtig ik. We evalueren onszelf voortdurend en proberen onszelf te verbeteren. Hoe zo zou het zelf niet bestaan? Hoe moeten we begrijpen dat het zelf een illusie is? Allereerst is het van belang onderscheid te maken tussen een persoon en een zelf. Een persoon is het menselijke lichamelijk-geestelijke geheel dat zowel in autonomie als in afhankelijkheid van haar natuurlijke en culturele omgeving handelt. Het zelf is een onderdeel van de persoon en is gelocaliseerd in de hersenen. Neurologisch onderzoek suggereert dat verschillende "zelven" onderscheiden kunnen worden. Zo is er een reflectief zelf, dat problemen oplost, een emotioneel zelf, dat emoties ervaart, een autobiografisch zelf dat de voorgaande zelven incorporeert en voorziet in een idee van een uniek "ik" door de tijd. Tenslotte kan een kernzelf onderscheiden worden dat een grotendeels nonverbale ervaring van een ik creërt, zonder dat het gericht is op verleden of toekomst. Al deze zelven zijn verbonden met verschillende delen van de hersenen, die de fysieke basis vormen van de unieke persoon die we ervaren te zijn. Hersenbeschadiging laat dit duidelijk zien. Bij mensen waar bijvoorbeeld bepaalde delen van de subcortex en hersenstam beschadigd zijn, verdwijnt zowel hun autobiografisch als kernzelf.

Allereerst is het goed om te beseffen dat het bewuste zelf niet zo'n grote rol speelt, als we geneigd zijn te denken. Veel gedachten ontstaan spontaan, zonder enige doelgerichte creatie door een zelf. Veel wat we doen, doen we routinematig. Sterker nog, vaak geldt zelfs "hoe minder ik, hoe beter", omdat dat de uitoefening en het effect van handelen en emotioneel functioneren ten goede komt. En zelfs als het lijkt dat een keuze bewust gemaakt wordt door het zelf, komt deze in werkelijkheid tot stand langs onbewuste processen. En ook hier geldt dat dat vaak maar beter is ook (Dijksterhuis, 2009).

Dat de rol van het zelf overschat wordt is één, dat het in het geheel niet bestaat is nog wat anders. Welke argumenten zijn hiervoor? Wie aan zichzelf denkt, als een handelend en denkend uniek ik, ervaart hierbij zelfstandigheid, stabiliteit en continuïteit. De wereld mag veranderen, maar ik blijf, zo ervaren we. Maar dit zelf is in werkelijkheid noch zelfstandig en noch stabiel en continu.

Dat het zelf niet een coherent geheel is, blijkt al uit voorgaande bespreking. Binnen het boeddhisme, dat een traditie heeft met een sterke analytische en empirische benadering, is dat al lang bekend. Daar valt het idee van een zelf uiteen in zogenaamde skanda's. Dit zijn functies van ieder individu die tezamen een idee van een zelf geven. Sensorische informatie komt binnen, waar onze zintuigen positief, neutraal of negatief op reageren. Die ervaringen slaan we op in ons geheugen en voorzien we van concepten. Aan sommige van die concepten hechten we ons; er ontstaat verlangen. Uiteindelijk treedt er identificatie op. Tenslotte vormt de geest een drager van die verlangens en opvattingen; het ik of ego. Tezamen vormen deze skanda's de illusie van een zelf, maar aangezien de skanda's zelf voortdurend van vorm en inhoud veranderen, geldt dat ook voor het zelf. De leer van niet-zelf moet zo beschouwd worden als een specificatie van het andere kernleerstuk van het boeddhisme, het inzicht dat niets permanent is en alles verandert (anicca). In de hersenen wordt het zelf voortdurend veranderd, geconstrueerd en gedeconstrueerd.

Hoe komt het dan dat we het zelf toch als continu ervaren? Het lijkt continu vanwege de manier waarop de hersenen bewuste ervaring tot stand brengen. Hanson et al (2009:213) vergelijkt het met snapshots of de beelden in een film. Omdat ze snel achter elkaar worden geprojecteerd, wordt de illusie van continuïteit gecreerd:

"Consequently, we experience "now"not as a thin sliver of time in which each snapshot of experience appears sharply and ends abruptly, but as a moving interval (..)It is not so much that we have a self, it's that we do self-ing. As Buckminister Fuller famously said, "I seem to be a verb".

Binnen het boeddhisme wordt wel gesproken over een bewustzijnsstroom. Voortdurend vormen zich mentale beelden en indrukken die elkaar opvolgen en op elkaar inwerken. Een bepaalde ervaring of indruk "kleurt" latere indrukken en ervaringen. In andere woorden, eenheden van bewustzijn geven bepaalde positieve of negatieve energie door. Ook al is er sprake van een stroom, bepaalde elementen komen in die stroom terug, of worden bestempeld door eerdere beelden. We beleven vaak min of meer hetzelfde. Zo herkennen we dingen. Op basis van eerdere ervaringen signaleren we gevaar waarop we actie moeten ondernemen.

Veel problemen kunnen onbewust, zonder bewuste ervaring van een ik, worden opgelost. Dieren zijn in staat om zo gevaar af te wenden. Zij hebben geen bewust zelfbesef, of een concept van een uniek ik. Waarom is dan toch zelfbewustzijn nodig bij de mens? Waarom kunnen niet alle handelingen langs onbewuste weg worden opgelost, zonder ik-ervaring? De kwestie van het bewustzijn is lastig en ik ben er zeker geen deskundige in, maar taal speelt zonder meer een belangrijke rol hierbij. Door het ontstaan van taal, dat de mens in staat stelt beter te communiceren en meer sociaal te integreren, wat de overlevingskansen vergroot, werd ook het reflectief en abstract denken mogelijk. Zonder woorden en concepten is een hoger bewustzijn niet mogelijk. Taal zorgde ook voor culturele en maatschappelijke evolutie en bijbehorende complexere problemen. Die problemen vergen een systematische manier van denken, waarbij met gebruik van procedures gedacht moet worden. Maar ook voor complexere problemen danhoe zorg ik voor voldoende eten en voorkom ik dat ik een prooi word, is het onbewuste van groot belang. Wat vaak voldoende is, is dat we onze hersenen goed instrueren, dat wil zeggen het probleem goed doorzien. Niet het zelf, maar de hersenen zorgen vervolgens dat er een oplossing uitrolt. In dergelijke situaties, als we met vragen te maken hebben die niet een directe oplossing hebben, ontstaat er een ik-bewustzijn, wat nodig is omdat we ons moeten inspannen, focussen op het doorzien van het probleem. De verhoogde aandacht zorgt voor een zelfbewustzijn en dit temeer als er persoonlijke belangen op het spel staan. Als we nadenken over onpersoonlijke vragen (kruiswoordpuzzels bijvoorbeeld) waar geen persoonlijke belangen mee gemoeid zijn, kunnen we hierin opgaan, zonder dat we een ik ervaren.

Op veel momenten hebben we geen "ik-besef", we doen dingen zonder nadenken, gedachten stromen in en uit. Pas als er iets opmerkelijks gebeurt, treedt het zelf naar voren. Als er iets aangenaams of onaangenaams gebeurt, zoals bij succes of fysieke pijn, dan lijkt er een zelf in actie te komen dat verlangens aanjaagt. Of beter gezegd, in bepaalde situaties ontstaan verlangens die een ik-besef aanjagen. Het verlangen komt voor het ik. Ik denk dat in geval van bedreigingen de vorming van een "ik-idee" door de hersenen wordt gevormd om ons te doordringen van het gevaar. Door een ik op te roepen, wordt het menselijk organisme zich bewust dat het gevaar hem, als individu, bedreigd, in plaats van dat er alleen maar gevaar wordt opgeroepen. Er gaat niet alleen een alarm af, er wordt bij wijze van spreken ook op de schouders getikt en gezegd "jij bent in gevaar!". Het ik-bewustzijn verhoogt de ervaring van het gevaar, omdat het vaster gekoppeld wordt aan het individu. Dat we door de ik-ervaring gevaar (of pijn) zo bewuster ervaren, heeft ook een positieve keerzijde. We kunnen ook beter genieten; genot, zoals seks, ervaren we door zelfbewustzijn ook intenser.

Onze hersenen zijn geprogrammeerd om voortdurend de omgeving op risico's en gevaren te scannen. De amygdala is het deel van de hersenen dat daarvoor verantwoordelijk is. Zij attendeert niet alleen op directe gevaren, maar ook op mogelijke gevaren, of op issues die we nog moeten oplossen. Het ik is behalve een cognitief concept, ook een affectieve reactie op het ervaringsveld. Het is de mentale beweging, gebaseerd op angst. Angst voor controleverlies, voor het onvoorspelbare, het onbekende, voor niet weten, ten diepste de angst voor lijden. Niet alleen voor dat van onszelf, maar ook voor dat van anderen die ons nastaan, zowel nu als in de toekomst (De Wit, 1998). Zo gebeurt het dat we in het weekend of in bed ongewild lastig worden gevallen door zorgen over soms alleen maar mogelijke problemen die we dan toch niet kunnen oplossen. Wanneer die beelden binnenkomen, buiten onze wil om, wordt het denkend brein, het reflectief zelf, geactiveerd om met oplossingen te komen. Wanneer dat in werking wordt gezet, worden we min of meer gedwongen om scenario's uit te werken. Na verloop van tijd, als we bedaard zijn, verdwijnt het zelfbesef weer. Het zijn dus uiterlijke oorzaken die een zelfbesef activeren. Zo ontstaat ook zelfkennis. Ons beeld van ons zelf, dat velen als een last meetorsen, komt tot stand in confrontatie met de wereld. In de ene cultuur zijn bepaalde eigenschappen gunstig. Zo wordt introversie hoog gewaardeerd in Azië, maar kan het een nadeel zijn in het individualistische Westen. Het bewuste zelf komt nooit alleen. Het is in de loop van de evolutie ontstaan om vooruit te denken en zo onze overlevingskansen te vergroten. Evolutionair gezien bood het zelfbewustzijn het voordeel dat complexere problemen opgelost konden worden, met name planningsvraagstukken, zoals het borgen van een optimale voedselvoorziening (de ontwikkeling van jaagtechnieken en landbouw) of de organisatie van een lokale samenleving.

Het ik-besef komt ook op naarmate we gaan hechten aan mentale toestanden die voortkomen uit externe prikkels:

"Soms identificeren we dit "Ik" met onze zintuiglijke vermogens: "Ik zie je en ik hoor je." Vaak ook identificeren we dit "Ik" met onze emoties: "Ik ben vrolijk". En even vaak doen we dat juist ook niet: "Ik werd door emoties overmand." Ook onze gedachten vormen soms de inhoud van wat we "Ik" noemen: "Ik dacht daarover." (De Wit, 1998:121)

Wanneer de identificatie verder gaat en langer duurt, onstaat hechting. Die hechting kan affectief zijn waardoor verlangens ontstaan, of cognitief, waardoor opvattingen ontstaan. Verlangens worden geduid, gerechtvaardigd, gegrond en vanwege het belang dat er aan gehecht wordt, groeit een zelfidee erom heen. De geest registreert een heftig verlangen en doet het zelf oprijzen als een klimop om het object van verlangen. De geest bevordert zo de hechting, omdat ze meent dat dit ons verder brengt en plezier geeft. Het boeddhisme leert dat we de werkingen van de geest evenwel niet altijd moeten vertrouwen. Veel verlangens brengen uiteindelijk geen geluk. Gesteld voor de vraag wie we ten diepste zijn, zullen veel mensen waarschijnlijk antwoorden met wat ze belangrijk vinden in het leven, wat hun verlangens, waarden en opvattingen zijn. Datgene wat we zijn is datgene waar we aan hechten. Vanuit datgene waaraan we hechten, vormen we weer een autobiografie, een zelfrechtvaardigend verhaal waar we ons goed bij voelen en waarvan we verwachten dat dit ook op instemming kan rekenen van significante anderen. Samengevat wordt het zelf dus gevormd door hechtingen, de confrontatie met complexere problemen en angsten.

Dat het brein een zelf-besef creëert, betekent nog niet dat we een zelf zijn of hebben. Dat we een ik ervaren, wil nog niet zeggen dat het bestaat. Wanneer kun je zeggen dat iets bestaat? Volgens wetenschappelijke maatstaven zou er dan sprake moeten zijn van empirische aantoonbaarheid. Maar niemand heeft ooit een zelf of ziel waargenomen. Volgens de godsdienstpsycholoog Han de Wit (1998) zijn er twee mogelijkheden. Als we een ervaarder (ik) konden waarnemen dan zou die zich in het veld van ervaringen moeten bevinden. Maar dan ontstaat volgens hem een contradictie, "want het waargenomene kan niet tegelijk ook de waarnemer zijn". Toch lijkt dit wel te gebeuren; we nemen onszelf waar, dat wil zeggen onze gedachtestroom, eigenschappen, verlangens. We hebben een zelfbewustzijn, dat vergeleken kan worden met het eerder genoemde reflectieve zelf. De geest opereert op meerdere niveaus. Maar het reflectieve zelf is natuurlijk ook niet onafhankelijk en wordt gevoed door culturele opvattingen en diepe ervaringen. Hier zetelt het ideale zelf, dat kritisch kijkt naar de bewustzijnsstroom die ons doordringt. De tweede mogelijkheid is dat de waarnemer zich niet in het ervaringsveld bevindt. Maar wat voor gronden hebben we dan nog om zijn bestaan aan te nemen? De conclusie dient zich dan ook aan dat het zelf zich binnen het ervaringsveld bevindt, maar op een hoger niveau daarbinnen. Hierbinnen is het ik alleen te vinden als inhoud van een gedachte waarin het concept "ik" voorkomt. Of zoals Hanson et al (p.214) het zeggen:

"Self-related representations abound in the mind and thus in the brain. Those patterns of information and neural acivity are certainly real. But that which they point to, explicitly or implicitly- a unified, enduring, independent "I" who is the esential owner of experiences and agent of actions-just doesn't exist."

Gedachten waarin het ik voorkomt, komen geregeld voor. Dat onze hersenen in staat zijn om het ik te creëren, net als andere mentale beelden, wordt duidelijk door naar dromen te kijken. Zowel de ik-figuur in de droom als de omgeving en figuren waar hij mee te maken heeft, zijn een creatie van de geest. Als we wakker worden zeggen we "het was maar een droom". De filosoof René Descartes deed de beroemde uitspraak "Ik denk, dus ik ben", waarmee hij dacht de enige echte zekerheid die we hebben vast te stellen. Maar het boeddhisme erkent zelfs die zekerheid niet. Tenzij we het "ik" in die uitspraak opvatten als een andere naam voor bewustzijnsstroom. Dan kunnen we zeggen er is een bewustzijnsstroom die soms ervaren wordt en een drager heeft in de vorm van een persoon. 1)

zonder zelf minder lijden

We hebben al gezien dat het bewustzijn, die de ik-ervaring met zich meebrengt, niet voor niets is ontstaan. Ze verhoogt de overlevingskansen door complexere, toekomstsgerichte problemen op te lossen. Maar er zijn meer voordelen (Hanson et al): het brengt een idee van continuïteit binnen de kaleidoscoop van ervaringen. Het brengt passie en toewijding in relaties- "ik houd van je" is een veel krachtiger statement dan "Er is liefde aanwezig". Het bewuste zelf kan lijden aan pijn toevoegen, maar ook plezier aan genot.

Deze voordelen niet tegenstaand, beveelt het boeddhisme aan het zelf klein te houden en te doorzien dat het idee van een onafhankelijk, stabiel zelf een illusie is. Waarom is het opgeven van die illusie zo belangrijk? Omdat het zelf een bron van lijden is. In dit verband kan beter gesproken worden van het ego. Het ego is de mentale activiteit die de wereld beziet vanuit het persoonlijk belang. Ze scant de wereld op bedreigingen en kansen. Wat is het gevolg hiervan? Dat we onszelf op een afstand plaatsen. We gaan geloven in een afgescheiden zelf, dat als doel heeft bescherming te bieden en datgene toe te eigenen wat in ons belang of dat van onze naasten is. Daar wordt het ego geboren. Vanuit het ego ontstaan vervolgens de "drie vergiften", hebzucht en gehechtheid (raga), agressie of afkeer (dvesha) en onwetendheid of onverschilligheid (moha). Deze drie emoties manifesteren zich in het handelen als strategieën die erop gericht zijn om onszelf "te redden". Maar in feite zijn ze zelf een bron van lijden, niet alleen omdat we immers niet altijd kunnen krijgen wat (we denken dat) goed voor ons is of vernietigen wat (we denken dat) slecht voor ons is, maar ook en ten diepste omdat ze worden gevoed vanuit de angst voor lijden. Ze bieden houvast, maar geen diepe rust en geluk. De hechting die het ego veroorzaakt wordt sterker naarmate ons bewuste denken een grotere rol speelt en we met behulp van onze herinneringen, ervaringen en verwachtingen een ideaal zelfbeeld vormen. Het lijden ligt zo altijd op de loer omdat dit zelfbeeld al snel beschadigd kan raken.

Het idee van een vast zelf, neemt dus de vorm van een ego aan, waardoor het een vloek wordt. Het ego kleurt de wereld in, waardoor een heldere waarneming verloren gaat. Daarnaast leidt het ego, het woord zegt het al, tot egocentrisme. Dit egocentrisme belemmert onze natuurlijke betrokkenheid en zorg voor de wereld om ons heen. Onze Boeddhanatuur wordt verduisterd door het ego. "Het ego is de kracht die voortdurend werkzaam is als levensangst en niet-willen zien en zo onze menselijkheid, onze boeddhanatuur in gijzeling houdt" (De Wit, 78).

We moeten de idee van een permanent, waar zelf opgeven, evenals de zoektocht hiernaar. Het zoeken naar jezelf is niet vruchtbaar. De geest kan ons voortdurend door haar creativiteit nieuwe "zelfontwerpen" voorspiegelen, waarover we ons kunnen afvragen: "Ben ik dat echt?" In plaats daarvan kunnen we beter goed leven, onze talenten inzetten op een manier die het lijden vermindert en welzijn brengt. Als we het ego kunnen afwerpen, verdwijnt de tegenstelling tussen ik en de wereld, hebben we minder angst, kunnen we beter opgaan in activiteiten en zijn we beter in staat tot het accepteren van de wereld zoals deze is. Zonder ego ligt het pad naar Big Mind en Big Heart open voor ons.

Bronnen:

-Rick Hanson et al (2009). Buddha's Brain. The practical neuroscience of happiness, love and wisdom

-Han de Wit (1998). De lotus en de roos.

zie ook de volgende korte docu op Youtube:

http://www.youtube.com/watch?v=tZoTqn077S0&feature=related

en een lezing van de monnik Ajahn Brahm

 

 

1) het idee van reïncarnatie en de leer van niet-zelf lijken niet te verenigbaar, maar binnen het boeddhisme heeft reïncarnatie een andere betekenis dan bij bijvoorbeeld het hindoeïsme. Niet de ziel, die volgens het boeddhisme niet bestaat, leeft voort, maar de bewustzijnsstroom. Deze nestelt zich na het overlijden in een andere levensvorm. Volgens traditionele boeddhisten is de bewustzijnsstroom vervuld van positief of negatief karma, zodat het kan dat men de last of voorspoed ervaart die in het voorbije leven van een ander in werking zijn gezet. In de praktijk is de leer van boeddhistische reïncarnatie echter moeilijk te doorgronden. In het Tibetaans boeddhisme wordt een nieuw geestelijk leider gezocht door de reïncarnatie van de overleden leider te zoeken. Wanneer een jong kind als mogelijke reïncarnatie wordt beschouwd, moet deze enkele testen ondergaan, zoals het aanwijzen van de juiste attributen die aan de overleden leider toebehoorden. Hierbij wordt dan toch overdracht van bepaalde kennis verondersteld, of bewustzijnsinhouden die meer zijn dan alleen positief of negatief geladen bewustzijnsstromen. Hoe dit alles in stand blijft, behoort tot de mystieke kant van het boeddhisme. Zie bijvoorbeeld het beroemde Tibetaanse dodenboek.