De mystieke ervaring

Alle wereldreligies kennen een mystieke onderstroom. Maar mystiek is niet altijd verbonden aan een bepaalde confessie; ook niet-kerkelijke en ongelovige mensen hebben mystieke ervaringen gehad. In dit stuk wordt nader ingegaan op de betekenis van mystiek. In de eerste paragraaf wordt ingegaan op de vraag wat mystiek is. Vervolgens komt de vraag aan bod hoe mensen tot mystieke ervaringen komen en zelfs mysticus worden. In de tweede paragraaf wordt ingegaan op de kenmerken van de mystiek zoals deze in getuigenissen en mystieke teksten zijn terug te vinden. Mystieke teksten kunnen heel verschillend geïnterpreteerd worden. In de derde paragraaf wordt bezien op welke wijze de theologie betekenis geeft aan mystieke geschriften uit de christelijke traditie. De ambivalente houding van de vertegenwoordigers van de officiele religieuze leer tegenover mystici komt hierbij ook aan bod. Deze bespreking eindigt met enkele slotbeschouwingen.

1. Wat is mystiek?

De essentie van de mystieke ervaring is de ervaring van eenwording met wat de diepere grond van het zijn genoemd kan worden. Dit is binnen de theïstische religies God of het goddelijk beginsel, maar binnen de oosterse religies kan een mystieke ervaring ook duiden op de ervaring van eenheid, van nondualiteit, van een samenvallen met de ultieme realiteit. In met name religies als het hindoeïsme en de Quakerbeweging wordt de mystieke ervaring ook in sterke mate gezien als het zien van het licht van God, maar de ervaring van de goedheid en liefde van God komt in alle theïstische mystieke tradities terug. Deze eenwording met het goddelijke valt soms samen met een complete niet-identificatie met de wereld (Kaivalya in sommige hindoeïstische scholen, Jhana in boeddhisme). Specifiek voor het boeddhisme, hindoeïsme en jainisme is dat de hoogste mystieke staat samenvalt met de bevrijding uit de cirkel van karma en wedergeboorte (Moksha, Nirvana). Contact met het hogere komt door directe ervaring tot stand. Dit kan een visoen zijn, of een verhoogd bewustzijn waardoor dieper inzicht ontstaat.

Kenmerkend van de mystiek is de eenwording met het hogere. Dit kan geïllustreerd worden met de beschrijving die de vroeg Middeleeuwse kerkvader Augustinus gaf van zijn relatie met God. Volgens Augustinus heeft hij onbewust altijd naar God gezocht, maar realiseerde hij zich dat pas op latere leeftijd toen hij tot de ontdekking kwam dat de ziel het beeld van God is. Door introspectie kan via de ziel dan ook contact met God gelegd worden. In het diepste deel van de ziel schijnt Gods licht. In de acies mentis, zo kan gesteld worden, overlapt de ziel met God. Van Augustinus kan gezegd worden dat zijn zoektocht naar en het vinden van zichzelf samenviel met het vinden van God. Deze idee, dat God via de weg naar binnen te vinden is, heeft de latere christelijke mystiek sterk beïnvloed. Eeuwen later heeft William of St. Thierry bijvoorbeeld gesteld dat God en de ziel overlappen in het geweten. Door liefde en de rede elkaar tot grotere hoogten te laten opstuwen kan de mens komen tot de essentie van zijn geweten en daarmee tot God. Het idee dat het goddelijke in de mens verborgen ligt vindt steun in bijbelteksten, maar heeft ook tot weerstand geleid binnen de kerk omdat deze leer geen recht doet aan het totaal andere en hogere karakter van God.

De mystieke ervaring en de effecten daarvan op het ervarende subject zijn niet goed te onderscheiden. Dergelijke ervaringen kunnen gepaard gaan met heftige emoties, dan wel vredige gelukzaligheid in een volle ervaring van eenheid met het hogere. Rudolf Otto onderscheidde in zijn boek The idea of the holy drie kenmerken geestestoestanden die gepaard gaan met mystieke ervaringen: (1) mysterium, het gevoel dat er iets geheel anders is dat bestaat voorbij onze ideeën en de menselijke ervaring. Het mysterium kan een gemis oproepen, maar het kan ook overwelmen; (2) tremendum, wat neerkomt op ontzag voor het hogere, een ontzag dat ook gepaard gaat met huivering. Otto relateert aan het feit dat mystici vaak hebben geschreven over hun nietigheid en de instabiliteit van hun ego in het aanzicht van het hogere (het concept lijkt in dat opzicht met Kants concept van het sublieme dat zowel ontzag als vrees oproept; (3) fasciens; het gevoel van fascinatie, dat er iets wonderlijks is en wat ook kan zorgen voor verrukking.

Een mystieke ervaring maakt iemand echter nog niet tot een mysticus. Een mysticus is iemand wiens leven door die ervaring(en) bepaald is. Veel mensen hebben mystieke ervaringen meegemaakt en hoewel die een diepe indruk achter hebben gelaten, hebben ze hun leven niet radicaal veranderd vanwege die ervaring. Het bekendste voorbeeld van een mystieke transformatie is wel de inkeer van Saulus die na zijn ontmoeting met God apostel Paulus werd. De mysticus is zich niet alleen bewust geworden van zijn relatie met het universum, een bewustzijn dat alleen af en toe nog eens oplicht na een ervaring. Hij heeft als het ware geleerd te leven op het niveau van goden en engelen-het goddelijk bewustzijn, of de universele geest, hij is niet langer een afzonderlijk ego, maar "zowel alles of niets". Aangezien mystici ook mensen zijn, is deze hogere staat niet permanent vol te houden, maar de ware mysticus kan wel voor langere tijd hierin leven en streeft dit ook, overigens niet dwangmatig maar open en vanuit liefde, na.

Mystiek is een mogelijkheid die zich in het leven voordoet. Er bestaat verschil van opvatting over de vraag of mystieke ervaringen maakbaar zijn. Het boeddhisme leert dat iedereen na lange oefening eenheidservaringen kan bereiken, hoewel volledige verlichting slechts aan enkelen voorbehouden is. Experimenten met drugs, zoals gedaan door beroemde schrijvers als Aldous Huxley en William James bijvoorbeeld, hebben aangetoond dat psychedelica hogere bewustzijnstoestanden kunnen oproepen die gelijkenissen vertonen met mystieke ervaringen, maar het is de vraag of deze kunstmatige toestanden ook echt het religieuze karakter van een mystieke ervaring hebben. Een andere opvatting is dat mystieke ervaringen in geen enkele opzicht afdwingbaar zijn. In navolging van Hooglied 2:7 (" wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken voordat zij het wil") stelt de christelijke theoloog Auke Jelsma (2004: 17) bijvoorbeeld: " Mystiek is geen prestatie, kan niet opgeëist worden en is niet het logische gevolg van bepaalde inspanningen". Er bestaan getuigenissen van areligieuze mensen die plots een mystieke ervaring hebben gehad. Deze mensen vertellen van een genade en inzicht dat religieuze mensen pas, als dat al gebeurt, na jarenlange oefening en meditatie bereikt. Waarschijnlijk is er ook verschil in ontvankelijkheid en aanleg die samenhangen met opvoeding, karakter, cultuur en het tijdsgewricht. De mystieke ervaring hangt doorgaans nauw samen met de context waar degene die ze overkomen is, zich in bevindt.

Een zekere persoonlijke groei lijkt doorgaans wel een voorwaarde te zijn voor een mystieke ervaring. Hoewel er voorbeelden zijn van plotselinge verlichting door areligieuze mensen, lijkt een zekere persoonlijke ontwikkeling nodig om ontvankelijk te kunnen zijn voor dat wat het aardse en dagelijkse ontstijgt. Wie te gepreoccupeerd is met status en geld, zal niet snel een mystieke ervaring beleven. Er dient al een zekere afstand tot het aardse ingenomen te zijn. Eveneens dient de kracht van het ego afgezwakt te zijn. Gesteld kan worden dat de weg naar eenwording en de mogelijkheid van mystiek begint bij de vraag naar het zelf en het inzicht dat het ego het ware zelf blokkeert. Evenmin zal iemand die met zichzelf in de knoop zit snel tot een mystieke ervaring komen omdat dan ook vaak sprake is van een onvrije, te veel op het ego gerichte mentaliteit. Tot het moment dat de innerlijke chaos ontstegen wordt. Uit schuldbesef kan wel twijfel ontstaan die als het ware licht kan binnenlaten tot het eerder afgesloten zelf. Cohen en Phipps (1992:117) wijzen erop dat er een nauwe samenhang is tussen kosmisch bewustzijn en artistieke creativiteit. De uiterlijke realiteit wordt geprojecteerd tot een innerlijk beeld, waardoor de kunstenaar soms niet langer toeschouwer kan blijven, maar vanuit zijn verbeeldingskracht een innerlijke beweging ontstaat die in uitzonderlijke gevallen tot mystieke ervaringen of wat daarop lijkt kan leiden.

2. kenmerken van de mystieke ervaring

Hoewel er veel verschillen zijn tussen de wereldreligies blijken de overeenkomsten tussen de mystieke ervaringen van mystici en andere mensen met uiteenlopende religieuze overtuigingen groot. Jelsma (2004:49) wijst erop dat " mystiek tot engagement leidt, tot mededogen, tot betrokkenheid bij andere mensen". Een bekend voorbeeld is de barmhartigheid van Fransiscus van Assisi nadat deze door naar eigen zeggen goddelijke ingreep afstand nam van een rijk leven (hij was zoon van een vermogend textielhandelaar) en na een ontmoeting met melaatsen zijn leven in dienst besloot te stellen van God en zijn medemensen en (voor die tijd uitzonderlijk) de dieren. Maar ook kan gedacht worden aan de quakers die zich in de VS keerden tegen de doodstraf en slavernij, het opnamen voor indianen en vrouwenrechten en zich hebben ingezet voor gevangenishervorming. Ook nu nog bestaat deze religieuze stroming die de ervaring in plaats van geschriften centraal stelt en sociale rechtvaardigheid hoog in het vaandel heeft staan. Niet alle mystici zijn echter zo activistisch ingesteld. Er zijn ook voorbeelden van mystici die juist een teruggetrokken, innerlijk bestaan leidden.

Deze activistische compassie onder de op ervaring gebaseerde religieuze stromingen wordt ingegeven door de ervaring van verbondenheid met al wat leeft en de krachtige ervaring van de goddelijke oorsprong van alles. De Experience Research Unit in Oxford bevat verhalen van gewone mensen die bijzondere ervaringen hebben gehad. Een van die ervaringen was van iemand die later een spiritueel leraar werd. Hij beschrijft hoe hij toen hij een treincoupé binnenkwam, zag hoe deze verlicht werd:

"Ik had het gevoel dat ik werd opgetild naar een of ander enorm besef van zijn, omringd door een liefevol, jubelend, stralend plan. Ik heb me nog nooit zo nederig gevoeld. Ik heb me nog nooit zo verrukt gevoeld. (..) Alle mensen waren stralende, luisterrijke wezens aan wie uiteindelijk een ongelooflijke vreugde ten deel zou vallen. (..) Ik hield van iedereen in die coupé. Dat klinkt nu natuurlijk een beetje gek en ik bloos terwijl ik het opschrijf, maar op dat moment denk ik dat ik voor al die mensen in die coupé had willen sterven. Het was alsof ik me bewust was geworden van de gouden waarde in ieder van hen."

In de Indiaanse traditie worden mystici omschreven als mensen die het verdriet van anderen voelen. In het boeddhisme staat centraal dat iedere verdienste door mystieke ervaring ook wordt gewijd aan de verlossing van alle wezens aan het wiel der wedergeboorte. Paulus, die als de eerste christelijke mysticus beschouwd kan worden, gaf de liefde voorrang boven geloof en hoop (1 Korinthiërs 13). Vanuit het standpunt van de mystiek is dat niet vreemd; daar voert de liefde de boventoon.

Die liefde heeft ook dikwijls een erotische lading gekregen, ook in de christelijke traditie die toch in een moeizame verhouding staat tot het erotische. Christelijke mystici ontleenden hun inspiratie sterk aan het bijbelboek Hooglied. Velen waren gefascineerd door dit boek omdat het een grote voorraad aan metaforen bevat voor de onbegrijpelijkheid van spirituele liefde. De erotische voorstelling kan de eenwording en wisselwerking van goddelijke liefde tot uitdrukking brengen. Maar het biedt ook de mogelijkheid om het verschil tussen de menselijke erotisch/romantische liefde enerzijds en de goddelijke liefde anderzijds te benadrukken. Het liefdesdiscours in de mystieke teksten drukt zowel een heftig verlangen naar Jezus en God uit als Zijn onkenbaarheid. Het waren vooral vrouwelijke mystici die zich bedienden van erotisch taalkgebruik. Dit is volgens sommige theologen goed te verklaren vanuit het feit dat vrouwen in de middeleeuwen achtergesteld werden in meer intellectuele beschouwingen over God, zowel door gebrek aan scholing als door sociale normen. Hun verlangen naar God konden ze dan ook niet langs intellectuele weg, maar alleen langs de weg van de liefde tot uitdrukking brengen. De meeste mannelijke mystici brachten een veel scherper onderscheid aan tussen spirituele en lichamelijke liefde. Vrouwelijke mystici realiseerden zich dat ze niet door hun lichaam van God waren afgescheiden. In de figuur van Jezus, het vlees geworden woord, vinden zij hun gelijk. Net als in de oosterse religies onderkenden ze dat het lichamelijke en het spirituele samenhangen. Dit kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in visioenen met een sterk lichamelijke inhoud en stigmata, maar ook in bijvoorbeeld intieme en erotisch geladen beschrijvingen van de persoonlijke relatie met Jezus zoals in het het boek van Margaret Kempe. Daar beschrijft zij Jezus als haar geliefde, echtgenoot en zoon.

Het lijkt nu dat het leven van mystici veel gelukzaligheid kent, maar de weg naar een mystiek leven waarin de eenheidsbeleving centraal staat, is dikwijls pijnlijk, blijkt uit diverse verhalen. De beroemde mysticus Jan van het Kruis sprak over de duistere nacht van de ziel die gelijk staat aan de afwezigheid van genoegen in alle aardse dingen; het ontbreken van werkelijk geluk. "Want wanneer de ziel beroofd van haar genoegen in de dingen, wanneer haar lusten tekort schieten wordt ze als het ware eenzaam en in duisternis achtergelaten." Deze duisternis wordt vaak gediagnosticeerd als depressie, maar is in werkelijkheid vaak een spirituele crisis, waarna, als het goed is een hoger inzicht bereikt wordt dat de neerslachtigheid overwint.

Een ander terugkerend thema is verlies van zelfbewustzijn. Dit hangt nauw samen met de kern van de mystieke ervaring; de eenwording met het hogere (wat dat dan ook mag zijn). Dit zelfverlies moet echter niet gelijk worden gesteld aan verlies aan bewustzijn. Het tegendeel is het geval; net als bij meditatie is er juist sprake van een verscherpt bewustzijn:

"Het was een soort wakende trance die ik regelmatig ervoer, al vanaf mijn jongenstijd, wanneer ik geheel alleen was. Meestal overkwam dit mij wanneer ik voor mezelf twee of drie maal zwijgend mijn naam herhaalde, totdat plotseling, als het ware uit de intensiteit van het bewustzijn van de individualiteit, de individualiteit zelf leek op te lossen en te vervagen in een grenzeloos zijn; dit was niet een toestand van verwarring, maar van de allergrootste vreemdheid, volstrekt onbeschrijflijk, waar de dood een haast lachwekkende onmogelijkheid was, waar het verlies van persoonlijkheid (als dat het was) niet een uitdoving was, maar het enige ware leven (..) Dit zou de toestand kunnen zijn die door Paulus beschreven wordt. of ik mij in of buiten mijn lichaam bevond zou ik niet kunnen zeggen." (citaat in Cohen & Phipps, 1992:46)

Er is echter niet alleen sprake van verhoogd bewustzijn, maar geregeld wordt in mystieke getuigenissen ook melding gedaan van intensere emoties en zelfs fysieke gewaarwordingen, zoals de sensatie van lichamelijke warmte. Daarnaast komt geregeld een versterkte gewaarwording van de natuur terug.

Mystici zien de kosmos als bezield en geordend waarbij alles samenwerkt om tot vervolmaaktheid te komen vanuit een grondbeginsel dat liefde genoemd kan worden. Dat er veel lijden is, wordt dan gezien als iets van tijdelijke aard dat voortkomt uit onwetendheid. De mysticus is in staat voorbij het lijden te komen, dat wil zeggen het lijden aan de pijn wat er altijd zal zijn. Het lijden wordt overwonnen door het eenheidsbesef, de eenwording met het hogere; zij het God, of een ander ultiem beginsel.

Vanuit de mystieke ervaring en het eenheidsbesef groeit ook :acceptatie. De middeleeuwse kluizenaarster Julian van Norwich leerde zo dat alle dingen, ook zonde en verlies, hun plaats in de wereld hebben omdat ze deel zijn van een goddelijk patroon: "In mijn dwaasheid vroeg ik me af waarom God niet in den beginne het ontstaan van de zonde had verhinderd", schrijft ze. Het antwoord kwam in de vorm van een mystieke openbaring:

"Maar ik zag geen zonde: want ik geloof dat die niet op enige wijze substantie heeft noch deel heeft aan het zijnde, noch gekend zou kunnen worden dan door de pijn waarvan zij de oorzaak is. En daarom is pijn, zoals ik het zie, iets wat tijdelijk is; want ze loutert en ze dwingt ons om onszelf te kennen en om genade te vragen." (cit. CP: 60). Dergelijke gedachten komen ook terug in de andere religies. Leven is lijden, zo leert het boeddhisme, alhoewel in de oosterse religies veel minder betekenis wordt gegeven aan pijn (als manier om tot groei en verlossing te komen), maar meer de nadruk ligt op het omgaan met pijn. In het boeddhisme wordt het maken van onderscheid door de geest gezien als oorzaak van hechting en verlangen en daarmee lijden. Dit is bijvoorbeeld duidelijk verwoord in de Vuurpreek van Boeddha Gautama waarin hij zegt dat de afhankelijkheid van indrukken leidt tot hartstochten en dat de afkeer van de indrukken van de geest zal leiden tot de afwezigheid van hartstochten, waardoor vrijheid ontstaat. Alle dingen met een gelijkmoedige en kalme geest te verduren levert de ziel veel zegeningen op en brengt de mens uiteindelijk ook dichter tot God. Alles kent zijn plaats en er is maar één werkelijkheid. "Zorg ervoor dat ge niet de gevangene wordt van 'als', door te zeggen: 'Als ik dit of dat had gedaan', zei de soefi wijze Rumi.

Veel mystici roepen ook op afstand te nemen van het denken omdat de denkhandeling tussen de mens en het hogere instaat. De staat van leegte is zowel een voorwaarde om tot het hogere te komen, maar ze is er ook een gevolg van. Zoals de christelijke mysticus Jan van Ruusbroec zegt: "En vanuit de Goddelijke Eenheid straalt een eenvoudig licht in hem; en dit licht laat hem de duisternis en de naaktheid en het niets zien." Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw wordt het belang van de leegte vinden belangrijker in de christelijke mystiek. Men ging zich richten op de innerlijk weg, de via purgativa. Tot dan was er vooral natuur- en visionaire mystiek. Het woordloze gebed en zelfs de zuivering van beelden en voorstellingen, kwam centraal te staan. Zo worden de geest en het hart leeggemaakt om ruimte te maken voor God, dacht men. Dit doet denken aan de staat van Nirvana waarin zijn en niet-zijn samenkomen. Zoals de Boeddha zegt is de geest de schepper van alle dingen. Wanneer deze haar activiteit staakt is er slechts ware leegte: "In de binnenste diepten van de zee verheffen zich geen golven. Alles is stil. Laat daarom de monnik stil zijn. Moge geen beweging, geen golf van gedachten, zich in zijn geest roeren." Veel mensen kunnen deze leegte of stilte niet verduren, maar de mysticus koestert haar omdat ze de ruimte is waarin men op kan gaan in het goddelijke. In het proces van eenwording wordt de leegte niet opgeheven, maar is er ook ruimte voor dualiteit. Zijn en niet-zijn vallen dan samen wat ook een voorwaarde is voor de mysticus, die het zelf en het zijn heeft overstegen, om bewust en vol ontzag te aanschouwen.

Wat ook terugkomt in de mystieke ervaring is deel te zijn van de eeuwigheid, wat gepaard gaat met gevoelens van ruimteloosheid. Het onderscheid tussen verleden, heden en toekomst vervaagt. "Je hoeft nergens heen te gaan. Je bent er al", zo zei de Indiaase wijsgeer Krishnamurti. In het mystieke leven is er geen doel, maar slechts de gerichtheid op het nu. Wie zich belangeloos ten beste geeft in het nu, ontstijgt op paradoxale wijze het tijdelijke. De tijd is de vijand van het ware inzicht, stelde Krishnamurti. Hij zag het tijdelijke als nauw verbonden met het denken, wat het mystieke hindert:

"Tijd is de afstand die het denken voor zijn verrichtingen aflegt. De reis volgt altijd het oude pad, dat wordt bedekt met een nieuw wegdek en nieuwe inzichten, maar steeds dezelfde weg is, die nergens heen leidt-behalve naar pijn en verdriet. Pas als de geest de tijd overstijgt houdt de waarheid op een abstractie te zijn. Dan is gelukzaligheid niet een aan genot ontleend denkbeeld, maar een niet te verwoorden werkelijkheid. Wanneer men de geest van de tijd ontdoet is dat de stilte van de waarheid, en het zien hiervan is het doen: zien en doen zijn dus niet van elkaar gescheiden." (cit. in CP: 197)

Ten slotte dient opgemerkt te worden dat mystieke ervaringen niet hetzelfde zijn als paranormale ervaringen. Bij dat laatste gaat het om ervaringen die in strijd zijn met wetenschappelijke kennis, zoals uittredingen, telepathie en herinneringen aan vorige levens. Bij mystieke ervaringen is dat niet noodzakelijk het geval. Van sommige mystici zoals Swedenborg is bekend dat ze paranormale ervaringen hebben gehad, maar dat betreft slechts een kleine minderheid. Een paranormale ervaring gaat ook lang niet altijd gepaard met gelukzalige gevoelens die voortkomen uit een eenheidsbewustzijn, de essentie van het mystieke.

Bronnen:

-J.M. Cohen en J.F. Phipps (1992). De mystieke ervaring

-Auke Jelsma (2004). Geroepen en op weg gegaan. Een verkenning van de christelijke mystiek

-Nelstrop, Magill en Onishi (2009). Christian Mysticism: an introduction to contemporary theoretical approaches