het tekort van het liberalisme
In de vorige bijdrage hebben we geconstateerd dat de sterke toename van de welvaart de belangrijkste oorzaak is van de ontbinding van gemeenschappen en de opkomst van het individualisme. De ongekend sterke economische groei van de afgelopen decennia bracht meer economische keuzemogelijkheden, wat de sociale afhankelijkheid van anderen verminderde. Steeds meer producten zijn er op de markt gekomen, wat mensen de mogelijkheid biedt zich te onderscheiden en een eigen identiteit te vormen en hier uitdrukking aan te geven. Nieuwe vormen van werk kwamen onder invloed van technologische vooruitgang beschikbaar, zoals de diensteneconomie, wat verdere mogelijkheden biedt tot ontplooiing. Niet alleen de economische, maar ook de culturele vrijheden namen toe. Traditionele opvattingen pasten niet meer goed bij de nieuwe welvaart, hebben we geconcludeerd, waardoor religie ook een proces van individualisering onderging. Door het proces van secularisatie dat hiervan het gevolg is, werd de horizon van wat acceptabel is in relatief korte tijd verbreed: homo's kregen rechten, vrouwen emancipeerden op de arbeidsmarkt en de seksualiteit werd bevrijd uit haar kluisters. Dit proces van verzwakking van traditionele gemeenschapsbanden en de toenemende keuzevrijheid van individuen, wordt door de leer van het moderne liberalisme omarmd en gepropageerd. Voor het moderne liberalisme is de vrijheid van het individu het hoogste goed. Die vrijheid vindt haar begrenzing waar de vrijheid van de ander wordt aangetast. Daarvoor dient het individu dan ook verantwoordelijkheid te nemen. De uitoefening van de eigen vrijheid mag de ander niet schaden (cf. het schadebeginsel).
De voordelen van het liberalisme zijn evident: het biedt het individu de mogelijkheid zich in vrijheid te ontwikkelen en het leidt tot welvaart (hoewel die ons al decennia lang blijkens onderzoek niet gelukkiger maakt). Toch is het moderne liberalisme een problematische politieke filosofie. Het schiet moreel tekort omdat het persoonlijke vrijheid (in negatieve zin wordt dan bedoeld: vrij van inmenging van en beperking door anderen, waaronder de staat) ver verheft boven andere andere belangrijke normen van een goede samenleving. Verder is het liberalisme conceptueel problematisch omdat het een enge opvatting van vrijheid hanteert, namelijk persoonlijke keuzevrijheid. Iedere keuze is goed volgens het liberalisme zolang dit maar niet tot schade aan de ander leidt. Waar de grenzen van de persoonlijke vrijheid liggen is een onderwerp van discussie onder liberalen. Sommige vinden dat het alleen kan gaan om materiele schade, anderen gaan verder en weer anderen verwijzen simpelweg naar de wet. In de huidige complexe, door globalisering bepaalde samenleving hebben bijna alle acties wel invloed op die van (verre) anderen. Als ik vlees eet, draag ik bij aan de ontbossing en ben ik mede verantwoordelijk voor de aantasting van het leefgebied van inheemse bosbewoners en dieren. Als ik autorijd, schaad ik de gezondheid van de gemeenschap. Als ik ongezond leef, draag ik bij aan de verhoging van de ziektekostenpremies van iedereen. Toch is dit alles voor liberalen geen reden om de persoonlijke vrijheid te beperken. Hun schadebeginsel is kennelijk behalve vaag ook niet erg robuust.
Het is ook niet zo dat alle keuzes die individuen maken goede keuzes zijn die hun eigen belang dienen. Integendeel. Psychologen hebben allang aangetoond dat individuen irrationeel zijn bij het maken van keuzes. Maar of ik iets kies uit gewoonte, omdat ik verslaafd ben, uit blinde volgzaamheid, bij gebrek aan informatie of uit impuls, is voor het liberalisme irrelevant. Het vrijheidsconcept van het liberalisme is moreel onwaardig omdat het niets meer is dan de vrijheid om de eigen smaak te volgen. De vrijheid van het liberalisme komt zo voor een belangrijk deel overeen met consumentisme. Bovendien heeft de cultuur van het liberalisme geleid tot egocentrisme. Mensen verwachten veel van de overheid en van elkaar, maar zijn niet zelden weinig bereid om zelf ook actief bij te dragen aan een betere publieke ruimte en waardevollere relaties. Vrijwilligerswerk wordt bijvoorbeeld nog wel gedaan, maar nauwelijks onder jongeren. De jonge filosoof Rob Wijnberg beschrijft in zijn boek Boeiuh! zijn eigen generatie als cynisch en lethargisch. Jongeren hebhen geen idealen meer; hooguit dragen ze als het niet te veel moeite kost bij aan een goed doel, zonder zich daar langdurig aan te conformeren. Liberalen laten de vorming van gemeenschappen graag aan individuen over. En inderdaad, die zijn er nog volop. Alleen blijkt zeker onder het jongste cohort dat die gemeenschappen bij uitstek op het eigenbelang gericht en oppervlakkig zijn (Linked-In, Hyves). Van actief commitment aan een maatschappelijk goed doel is weinig sprake, als er al wat gedaan wordt, dan een bedragje overmaken. Zeker gezien de rampspoed die dreigt, is dit een verontrustende ontwikkeling. Het valt nog te bezien of hier sprake is van alleen een leeftijdseffect, of van een cohorteffect.
Dat vrijheid met positieve verantwoordelijkheden komt, die verder gaan dan het niet schaden van de ander, is voor het liberalisme alles behalve vanzelfsprekend. Ook al zijn het gemeenschappen die ons vormen en ons mogelijkheden bieden, voor liberalen betekent dat nog niet dat we tegenover die gemeenschappen ook plichten hebben. In de individualistische maatschappij van het liberalisme draait het om prestaties. Ook al heeft het liberalisme geen boodschap aan de sociaal-culturele voorwaarden die individuele keuzes schragen, mensen blijven sociale dieren waarvoor erkenning van belang is. Aanzien en erkenning zijn in de individualistische, liberale samenleving echter niet langer vanzelfsprekend; ze moeten verworven worden. Door de detraditionalisering is de "sterke moraal" van bijvoorbeeld het christendom grotendeels verloren gegaan. Een sterke moraal dient om de natuurlijke neigingen tot hebzucht en macht te beteugelen in het algemeen belang. Wat dat betreft zijn de remmen losgegaan, waar we in deze crisistijd de wrange vruchten van plukken. Bij gebrek aan een sterke moraal zal het moderne individu aanzien willen verwerven door veel geld te verdienen en werk met macht te bezetten. We leven in een materialistische prestatiesamenleving. Dit biedt het voordeel dat individuen zich kunnen ontplooiien waar andere individuen weer de vruchten van plukken. Maar in een prestatiemaatschappij kunnen er slechts enkele echt uitspringen en het verschil maken. Voor het gros die niet de top bereikt geldt dat ze zich ermee moet verzoenen dat ze maatschappelijk tot de klasse der grijze muizen behoort. De prestatiemaatschappij leidt tot vele teleurstellingen en gevoelens van tekortschieten. Er is een gebrek aan alternatieve waarderingsbronnen. Wie het niet haalt en dus faalt, kan daarbij alleen maar naar zichzelf wijzen; we leven immers toch in een meritocratie met gelijke kansen voor iedereen? Vroeger was het in dit opzicht een stuk makkelijker: wie voor een dubbeltje geboren werd, werd nooit een kwartje. Het lag dus niet aan jou. Nu is het leven een strijd op de markt van liefde en werk, zoals de auteur Michel Houellebecq stelt.

Het nieuwe communitatarisme onderkent de tekorten van het liberalisme en tracht deze te amenderen. Volgens deze stroming, ontstaan in de jaren '90 van de vorige eeuw, is het kernprobleem van het liberalisme dat ze geen oog heeft voor het belang van de gemeenschap en te veel de nadruk legt op het recht op vrijheid, ten koste van verplichtingen die burgers hebben richting gemeenschappen. In tegenstelling tot eerdere vormen van communitarisme onderschrijft het nieuwe communitarisme de liberale samenleving en haar instituties. Zij wil het kind niet met het badwater weggooien, maar om de metafoor door te trekken grondig wassen. Meer dan nu zou de waarde van gemeenschappen onderkend moeten worden: gemeenschappen, zoals de familie en de school, zorgen voor morele en sociale vorming, ze bieden steun en geborgenheid en geven tegenwicht aan de bureaucratie van de staat met haar opgezwollen regels. In tegenstelling tot de liberalen vinden de nieuwe communitaristen dan ook dat er alle reden is om gemeenschappen te steunen, maar wel zonder ze daarbij van bovenaf te sturen. Want daar ontmoet het nieuwe communitarisme het zo vergeten klassieke liberalisme: in het ideaal van zelfbestuur. Het ging klassieke liberalen als Locke en Mill niet in de eerste plaats om maximalisatie van persoonlijke vrijheid maar om de collectieve autonomie van burgers die geleid worden door regels die ze zelf in goed overleg zijn overeengekomen. Het klassiek liberalisme streefde daarom naar vrij onderzoek, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en handel en vrije verkiezingen. Dat biedt immers de beste voorwaarden voor een samenleving waarin mensen gezamenlijk tot de beste oplossingen komen voor maatschappelijke problemen. Het klassiek liberalisme was dan ook heel wat socialer georienteerd dan het moderne (neo)liberalisme. Wanneer we het belang van gemeenschappen onderkennen voor ons eigen welzijn, is het niet meer dan vanzelfsprekend, aldus de nieuwe communitaristen, dat ieder lid van een gemeenschappen naar vermogen ook bijdraagt aan de kwaliteit en ontwikkeling van de gemeenschap. Volgens de nieuwe communitaristen mag van burgers verwacht worden dat ze leven naar de doelen en waarden van gemeenschappen en dat ze hier ook een participerende rol binnen vervullen: van de familiale gemeenschap, tot de politiek.
Deze gerichtheid op de gemeenschap roept de cruciale vraag op waar communitaristen de grenzen leggen ten aanzien van de morele reikwijdte van gemeenschappen, tegenover de vrijheid van het individu. Gemeenschappen kunnen immers ook verstikkend en onderdrukkend zijn. Ze zijn notoire vrijheidsbeperkers. In de preambule van de Amerikaanse organisatie van het nieuwe communitarisme (het land waar deze stroming ook haar oorsprong en meeste aanhangers vindt) staat daarover het volgende te lezen:
"communities that glorify their own members by vilifying those who do not belong are at best imperfect. Communitarians recognzize-indeed, insist-that communal values must be judged by external and overriding criteria, based on shared human experience."
Verder staat er:
"For a community to be truly responsive (..) it will have to develop moral values which meet the following criteria: they must be nondiscriminatory and applied equally to all members; they must be generalizable, justified in terms that are accessible and understandable: e.g., instead of claims based upon individual or group desires, citizens would draw on a common definition of justice; and, they must incorporate the full range of legitimate needs and values rather tha focusing on any one category, be it individualism, autonomy, interpersonal caring, or social justice." (ESR, xxvii)
Het communitarisme bepleit dus open, responsieve gemeenschappen met een humane moraal die door haar leden ter discussie wordt gesteld en aangepast als omstandigheden daar aanleiding toe geven. In de volgende bijdrage zal ik ingaan op de vraag hoe het communitarisme in de praktijk vorm kan krijgen en aldus kan bijdragen aan meer gemeenschapszin zonder dat de liberale verworvenheden in essentie worden aangetast. Ik zal daarbij ook enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij de ideeen van aanhangers van het communitarisme.
7/06/2009
bron: A. Etzionio (ed), 1998. The essential communitarian reader.