kritische vragen over het boeddhisme

Geheel in lijn met het boeddhisme zelf, waarin voortdurend wordt opgeroepen om de waarheid te zoeken, heb ik het boeddhisme aan enkele kritische vragen onderworpen. Dit is dus geen FAQ, maar een kritische doorlichting aan de hand van vragen. Zo wilde ik ontdekken of er geen bezwaren kleven aan deze leer. Zeker als het gaat om een spirituele zoektocht die bepalend is voor het persoonlijk leven, is een grondige verkenning van mogelijke wegwijzers van groot belang. Ik hoop dat de sceptische lezer er wat aan heeft.

Het is toch niet altijd goed om emoties te beheersen, zoals het boeddhisme leert, en te streven naar gelijkmoedigheid? Emoties kunnen toch ook goed zijn?

Het is niet zo dat het boeddhisme tegen emoties is, zoals bijvoorbeeld het stoïcisme. Ze wijst wel op de schadelijke effecten die het gevolg zijn van het overmand worden door emoties. Een geëmotioneerd persoon heeft verminderde controle over zichzelf omdat hij wordt bewogen door emoties. Het gevolg hiervan kan zijn dat onjuist en ongepast gesproken of gehandeld wordt, zodat men zichzelf en anderen schade toebrengt, of er een destructief emotioneel conflict ontstaat. Dit geldt met name voor woede, haat en jaloezie. Kunnen dergelijke negatieve emoties dan alleen maar schadelijk zijn? Woede lijkt geen onredelijke reactie op situaties van onrechtvaardigheid waardoor anderen moeten lijden. Ze kan dan de brandstof zijn om tot herstellende actie over te gaan. Maar hoewel woede in dergelijke situaties gerechtvaardigd kan zijn, wil dit nog niet zeggen dat ze ook goed is, in de zin dat het (de enige) gepaste reactie is. Evengoed kunnen we geraakt worden door hetzelfde leed en op grond van empathische gevoelens tot actie overgaan. We kunnen ook zonder woede de onrechtvaardigheid afkeuren en boosheid is geen noodzakelijke motor tot verandering. In ieder geval heeft psychologisch onderzoek aangetoond dat het direct uiten van boosheid niet tot opluchting leidt, zoals lang gedacht. Bovendien verhindert woede net als andere negatieve emoties een helder zicht op de werkelijkheid en zorgt ze voor mentale onrust. En hoe zit het dan met positieve emoties zoals blijdschap en euforie? Ook deze zijn in zichzelf niet goed; hun waarde is situationeel gebonden. Het hangt van de situatie af of dergelijke emoties gepast zijn of niet. Blijdschap over iets slechts of euforie over iets wat nauwelijks bijdraagt aan het eigen geluk zijn ongepaste emotionele toestanden; intense vreugde over het herstel van een ernstig zieke vriend niet. Een emotie is goed wanneer ze in haar intensiteit passend is (in verhouding staat tot de situatie en de effecten die daarvan uitgaan), aanzet tot juist handelen en spreken, het zicht op de werkelijkheid niet belemmert en niet onnodig leed toevoegt. Dan is sprake van gelijkmoedigheid. Dit hoeft geen emotieloze mentale toestand te zijn, zolang de emotie voldoende ingekapseld en beheerst wordt.

Emoties zijn ook een uitdrukkingsvorm van onze betrokkenheid op de wereld. Wie een passie voor iets heeft, zal eerder geëmotioneerd raken, zowel in positieve als negatieve zin. Om die reden kunnen emoties helpen om beter te zien en juist te handelen in vergelijking met een toestand waarin de emoties geheel uitgeschakeld zouden zijn. Voor deze informatieve eigenschap van emoties heeft het boeddhisme geen aandacht voor zover ik weet. In blijdschap zien we meer het goede in dingen en in boze verontwaardiging zien we ineens allemaal misstanden die we eerst niet zagen, niets vermoedend als we waren. Emoties kunnen als lichtkanonnen zijn die nieuwe plekken beschijnen. De kunst is uit de emoties nuttige informatie te filteren en de affectieve toestand zelf te laten verdampen.

Ten slotte is er ook nog sprake van functionele emotie. Het is denkbaar dat functionele boosheid door een leidinggevende nodig is om orde op zaken te stellen. Soms kan extra affectie nodig zijn om weerstandspatronen te doorbreken. Een dergelijke boosheid wordt dan vanuit een staat van gelijkmoedigheid geëtaleerd. Gebeurt dit niet, dan kan misschien hetzelfde effect bereikt worden met een echte woedeuitbarsting, maar toch zijn er dan twee nadelen. De leidinggevende zal minder mentale rust ervaren bij echte woede en zijn vlammende betoog zal mogelijk minder afgewogen zijn als het doordrenkt is van woede, in plaats van dat er de juiste hoeveelheid aan wordt toegevoegd, zodat het geheel evenwichtig blijft. De werknemers zullen dan misschien ook hun gedrag aanpassen bij een echte woedeuitbarsting, maar eveneens meer angst en minder waardering hebben voor de leidinggevende. Gelijkmoedigheid dwingt het meeste (zelf)respect af.

Compassie kan toch ook de ander verzwakken?

Compassie of mededogen betekent oog hebben voor het leed van anderen en de wens dit te willen verminderen. Maar dat laatste hoeft niet altijd te gebeuren door taken over te nemen. In het boeddhisme wordt de nadruk gelegd op dat verlichting alleen vanuit jezelf kan komen. De ander helpen betekent in de eerste plaats de ander anders naar de werkelijkheid te leren kijken, een ander perspectief tonen, inzicht vergroten, zodat de ontvanger zelf zijn lijden kan verminderen. Maar het is aan de ontvanger om hier al dan niet iets mee te doen. Net als therapie niet werkt als de patiënt de lessen niet oefent en ter harte neemt, zo kan een boddhisatva of boeddhistische leraar ook weinig verandering teweeg brengen. Het boeddhisme stelt de eigen verantwoordelijkheid centraal, maar roept eveneens op tot mededogen en liefdevolle vriendelijkheid. Mensen die lijden moeten geholpen worden; idealiter niet uit plichtsbesef, maar uit een innerlijke drang die voortkomt uit het achterlaten van een egocentrisch perspectief door het bereiken van verlichting.

En hoe zit het met de eigen verantwoordelijkheid in relatie tot karma?

Het boeddhisme leert dat we het heft weer in eigen handen moeten nemen, dat we geen speelbal zijn van externe krachten, maar door een geestelijke revolutie verlichting kunnen bereiken. Centraal staat de veranderingskracht en het mentale vermogen van de mens om het leven zelf vorm te geven en geluk te bereiken. Dat we niet met moeilijke omstandigheden om kunnen gaan, zo leert het boeddhisme, ligt in hoge mate aan onze geestelijke traagheid en vertroebelde blik en niet aan de ander, of de onrechtvaardige wereld. Niet al, maar wel veel van het lijden wordt daardoor veroorzaakt, door ons ego. Het boeddhisme leert ook dat alles van elkaar afhankelijk is en op elkaar inwerkt, volgens de wet van oorzaak en gevolg (karma), maar dat betekent nog geen determinisme waarin geen plek is voor een vrije wil. Oorzaken kunnen nog veranderd worden zolang ze nog niet zijn gerijpt. In de keten van oorzaak en gevolg zitten vele schakels waarop we nog tijdig kunnen ingrijpen. Traditionele boeddhisten geloven dat iedere slechte daad ook slechte gevolgen zal hebben en iedere goede daad goede effecten. Dat mensen die slechte dingen doen het toch soms zo goed hebben en mensen die goede dingen doen juist niet, komt volgens hen doordat alleen gekeken wordt naar het huidige leven: "De rijkdom van oneerlijke mensen is vaak het gevolg van hun vrijgevigheid in voorgaande levens. Hun huidige oneerlijkheid laat karmische zaadjes achter, zodat ze in toekomstige levens bedrogen zullen worden en armoede zullen ervaren. Evenzo krijgen wrede mensen respect en macht door hun positieve activiteiten uit het verleden. In het heden misbruiken ze hun macht, waardoor ze de oorzaak voor toekomstig lijden creëren. Aardige mensen die jong sterven ervaren het gevolg van negatieve activiteiten (zoals doden) uit vorige levens. Hun huidige vriendelijkheid zaait echter zaadjes of indrukken op de geestesstroom waardoor zij in de toekomst geluk zullen beleven."

Deze visie op levensoverstijgend karma is mijns inziens niet essentieel voor het boeddhisme. Het geloof dat iedere goede of slechte daad uiteindelijk ook goede en slechte gevolgen heeft voor de actor of diens reïncarnatie, lijkt me ook een onbewezen metafysisch idee dat uitgaat van een soort van morele natuurwet. Wat essentieel is in de leer van karma is dat we zelf voortdurend gevolgen scheppen door ons gedrag die uiteindelijk op ons kunnen terugkomen als een boemerang uit een ver verleden. Doen we niets, dan krijgen we ook niets. Of zoals een bekend boeddhistisch gezegde luidt: "een dag niet gewerkt, is een dag niet eten." Maar doen we het verkeerde, dan is er een grote kans dat we ook zelf hiervan de negatieve gevolgen van zullen ondervinden. De leer van karma stelt dat we zelf aan zet zijn om resultaten te bereiken en dat we goed moeten doordenken hoe we die op juiste wijze moeten bereiken, zonder negatieve bij-effecten. Door veel oefening kan iedereen ontsnappen aan de wereld van samsara, of tenminste voor een groot deel.

Een gevaar van het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid om geluk te bereiken echter, is dat de materiële grond van het lijden miskend wordt en niet tegen ongelijkheid wordt opgetreden. Inderdaad is het boeddhisme helaas lange tijd een sociaal-conservatieve leer geweest. Van oudsher had het boeddhisme te weinig belangstelling voor de verbetering van de sociale en economische omstandigheden. De geest moest zich schikken aan de materie en niet andersom. Net als het christendom kwam het boeddhisme niet verder dan armenzorg en het ledigen van de ergste noden uit mededogen en naastenliefde. Het zogenaamde geëngageerde boeddhisme bracht daar verandering in en erkent dat mensen om zich te ontwikkelen over zowel materiële als immateriële basisgoederen of mogelijkheden moeten beschikken. Maatschappelijke hervorming is hiervoor noodzakelijk. Idealiter zet mededogen aan tot hulp die in zowel geestelijke als materiële basisbehoeften voorziet, zodanig dat op de langere termijn de ontvanger zelf in staat is in die behoeften te voorzien. Tevens leidt mededogen tot een meer rechtvaardige samenleving. Het boeddhisme is geen politieke leer, maar de politiek kan wel leren van de boeddhistische leer.

Het boeddhisme stelt dat in zintuiglijk genot en materiële objecten niet het echte geluk schuilt. Maar is dat wel zo? De meeste mensen zijn zonder boeddhisme ook gelukkig terwijl in hun leven die zaken van groot belang schijnen te zijn voor hun welzijn.

Uit onderzoek blijkt dat het hebben van werk, betekenisvolle (liefdes) relaties, een goede gezondheid en voldoende inkomen van belang zijn voor geluk. Het boeddhisme ontkent dat natuurlijk ook niet. De meeste mensen in het westen bezitten deze zaken en zijn dus min of meer gelukkig. Maar wie nader naar deze factoren kijkt, ziet dat ze niet vaststaand zijn. Steeds meer mensen kunnen in deze tijd van flexibilisering hun baan verliezen en ook relaties zijn minder stabiel en duurzaam dan vroeger. Voldoende inkomen en een goede gezondheid zijn eveneens geen zekerheden. Ons geluk is dan ook conditioneel en van niet-beheersbare, uitwendige oorzaken afhankelijk. Dat leidt ertoe dat er ook angst is voor verlies en dit temeer we meer hechten aan de externe bronnen van geluk en dreigingen groter worden. Daarnaast is het zo dat die externe geluksbronnen ook meer beloven dan ze waarmaken. Schijn bedriegt. Het extra geluk van extra salaris verdampt al snel, evenals dat van de nieuwe auto, als het al niet minder was dan we dachten te ervaren. En die partner blijkt ook verre van perfect na de witte broodsweken. Het externe geluk is niet alleen veranderlijk, maar ook relatief. Als we meer verdienen, maar onze vrienden nog meer, zijn we per saldo ongelukkiger, blijkt uit onderzoek. Het boeddhisme leert dat er ook een stabieler, duurzamer geluk mogelijk is, dat van binnenuit komt. Ze ontkent niet dat status en geld aan welzijn bijdragen, maar relativeren de mate hiervan, geheel in lijn met empirisch geluksonderzoek. Wie het zonder dieper, innerlijk geluk moet stellen, zal voortdurend nieuwe objecten en ervaringen tot zich moeten nemen om korte gelukspieken te bereiken. De zoektocht naar wat de filosoof Lacan objet petit a noemde en wat staat voor de vervulling van een diep verlangen, is oneindig. Ontevredenheid en een licht mishaagd gevoel doemen daarom telkens op. Het probleem is ook dat mensen niet goed weten wat hen echt gelukkig maakt; ze streven niet zelden de verkeerde dingen na en leggen de verkeerde prioriteiten.

Het boeddhisme kan dus toevoegen aan het conditionele geluk door meer stabieler geluk en vermindering van het (existentieel) lijden. Is er geen uitruil tussen beide vormen van geluk? Leidt meer spiritueel geluk ertoe dat we minder geluk kunnen ontlenen aan uitwendige zaken? Dit kan als we leren inzien dat die zaken uiteindelijk minder bijdragen aan ons welzijn dan we denken, waardoor we ze minder gaan waarderen. In het ergste geval kunnen er zelfs gevoelens van zinloosheid ontstaan, als wordt ingezien dat geluk vluchtig en niet diep is ondanks alle pogingen om het vast te houden. Maar als dat gebeurt, moet dat ook als een fase gezien worden. Het innerlijke geluk zal dit verlies aan uiterlijk geluk dan moeten compenseren, anders schieten we er weinig mee op. Maar zelfs als dit al zo is, is er toch reden om te stellen dat er sprake is van persoonlijke vooruitgang. Meer waarheidsgetrouw leven, zonder illusies is immers ook waardevol. Maar ik geloof dat die uitruil niet noodzakelijk hoeft plaats te vinden en wel om twee redenen. Ten eerste leren we wat we hebben beter te waarderen, in plaats van dat we telkens weer iets nieuws najagen. Als we leren dat dit niet zoveel geluk oplevert als we eerst dachten, dan krijgen we meer oog voor de waarde van onze huidige partner en bezittingen. De last van het zoeken, twijfelen en streven wordt minder en het aantal teleurstellingen over het lagere dan verwachte geluksgevoel bij een nieuwe verovering minder. We ervaren minder ontevredenheid en onrust en hoeven minder nodig lang en hard te werken om meer status en geld te verkrijgen. Het leven wordt ontspannender, terwijl we nog steeds kunnen genieten van wat de wereld te bieden heeft. Ten tweede zijn we meer in control, we voelen ons meer meester over onszelf, wat in zichzelf al bijdraagt aan geluk.

Het is ten slotte een misverstand te denken dat een boeddhistische levenswijze in strijd is met een leven van veel welvaart. De Boeddha zelf zei er het volgende over:

"Als je je vastklampt aan je rijkdom, is het beter die van je te werpen dan je hart erdoor te laten vergiftigen. Als je je er echter niet aan vastklampt, maar hem verstandig gebruikt, dan zul je een zegen voor mensen zijn. Het zijn niet rijkdom en macht die iemand tot slaaf maken, maar het vasthouden aan rijkdom en macht."

(orgineel citaat uit: Majjhima Nikaya, uit Woorden van Boeddha, A. Bancroft)

Is het doel van het boeddhisme, verlichting waarbij er geen lijden meer is, niet onrealistisch en onhaalbaar?

Pijn zal er altijd zijn, maar beëindiging van het lijden aan die pijn is voor wie zich de leer van het boeddhisme geheel eigen heeft gemaakt en deze doorleefd heeft, mogelijk. Maar het is niet voor niets dat veel traditionele boeddhisten geloven dat opheffing van het lijden niet binnen één leven bereikt kan worden. En zeker niet voor beoefenaar die geen monnik zijn. Voor gewone volgelingen dient de permanente staat van verlichting het beste als een ideaal gezien te worden, in plaats van als een reeel en haalbaar doel. Maar hoewel volledige en permanente verlichting niet voor gewone volgelingen is weggelegd, kunnen we wel verlichte inzichten en momenten bereiken die van steun kunnen zijn op moeilijke momenten. Die ervaringen kunnen ons helpen lijden te verminderen. Het is als licht dat soms doorbreekt door de wolken. Verlichting is er wanneer we de werkelijkheid zien zoals die is, in al haar veranderlijkheid en hier vrede mee kunnen hebben; ze is er wanneer we op gelijkmoedige en op een wijze manier reageren op tegenslag, als we ons verheugen in het helpen van anderen en hun waarde ten volle waarderen. We ervaren verlichting als we vergeven en zo het toegevoegde mentale lijden en de last van het verleden achter ons laten. Er is verlichting als we niet-egocentrisch denken en handelen, als we handelen vanuit goede motieven om het lijden te verminderen, zonder onderscheid. Ook is er verlichting als we onze relatieve geest, die zichzelf in relatie tot andere dingen brengt en zich zo begrenst, overstijgen. Als we de dingen zuiver zien. Verlichting is dus wel zeker haalbaar, alleen zullen we niet permanent verlicht zijn. Dat is ook niet erg.

Het is ook niet goed om te streven naar verlichting als we bijvoorbeeld aan zitmeditatie doen. Dat lijdt alleen maar tot geforceerdheid en teleurstelling waardoor ontmoediging optreedt. In plaats daarvan kan beter gewoon de leer van het boeddhisme gevolgd worden, waarbij we proberen mindfull te zijn.

Zoals de beroemde monnik en schrijver van de klassieker Zen-begin, Shunryu Suzuki, stelt:

"Als er geen gedachte aan winst is in datgene wat je doet, dan doe je wat. In zazen (zitmeditatie, NB) is wat je doet niet omwille van iets. Je kunt je voelen alsof je iets bijzonders doet, maar in feite is het slechts de uitdrukking van je ware natuur; het is die activiteit die je innigste wens bevredigt. Maar zolang je denkt dat je zazen beoefent om iets, is dat geen eigenlijke oefening."

Door beoefening van het boeddhisme, geef je uitdrukking aan je ware natuur, de stille bron van waaruit inzicht en activiteit ontstaat, de leegte van waaruit vormen ontstaan, je eigen natuur vindt zichzelf weer. Zo gaat het bij zazen om het begrip shikan taza, of "alleen maar zitten".

Suzuki wijst ook op het normale, niet verheven karakter van saturi (verlichting):

"Verlichting is niet een of ander fijn gevoel of een of andere bijzondere geestesgesteldheid. De geestesgesteldheid die er is wanneer je in de juiste houding zit, is op zichzelf verlichting. Als je niet tevreden bent met de geestesgesteldheid die je hebt bij zazen , betekent dit dat je geest nog steeds afdwaalt." (1976: 34)

Verlichtingservaringen kunnen bereikt worden door de leer van het boeddhisme grondig op je te laten inwerken en door meditatie. Net zoals we geen piano leren spelen door alleen boeken hierover te lezen, zo kunnen verlichtingservaringen alleen ontstaan door veel oefenen.

 

Hoe kan het dat er geen zelf bestaat?

Hiervoor verwijs ik naar deze uiteenzetting.

 

Waarom moeten we altijd maar bewust en mindful zijn? Het is toch ook heerlijk om het verstand soms op nul te zetten en niet bewust te zijn?

Dit is een valse tegenstelling. Bewust zijn is niet hetzelfde als zelfbewustzijn; wat het boeddhisme leert is dat we aandachtig zijn, of in de bekende term mindfull. Dit betekent dat we ernaar dienen te streven in het nu te leven, in volle aandacht voor en toewijding aan de activiteit waar we mee bezig zijn. Het gaat erom "op te gaan" in de activiteit. Als dat bereikt is, zijn we niet meer gepreocuppeerd met ons ego. Het storende zelfbewustzijn, niets meer dan een creatie van de geest, is niet meer en we zijn vrij om te doen wat we willen doen. Het effect is zo hetzelfde als een avond tv kijken of opgaan in het bezwerend ritme op een dancefeest. In al die gevallen brengen we de stem van het ego tot zwijgen. Maar hoewel er helemaal niets mis mee is om ons af en toe te verliezen in passieve afleiding, kan dit natuurlijk geen spiritueel doel zijn. Er zijn ook veel risico's verbonden aan consumptief, passief vermaak. Ten eerste kan het tot verslaving leiden. Ten tweede kan het ons gevangen houden in de kringloop van samsara door onhelder zicht, wat leidt tot vertraging in groei en ontwikkeling. Ten derde leidt overconsumptie tot ernstige maatschappelijke en ecologische effecten. Het boeddhisme gelooft ook sterk dat de menselijke aard geneigd is tot activiteit. Lang luieren en onmatige passiviteit, zoals lang tv kijken, zijn niet goed voor de mens. Onderzoek bevestigt dit ook.

Heeft het boeddhisme niet te weinig oog voor de maatschappelijke oorzaken van lijden?

In het boeddhisme gaat het om het tegengaan van mentaal, toegevoegd lijden als reactie op pijnlijke (zowel geestelijke als fysieke) situaties. Het gevaar wat hierin schuilt is dat psychisch lijden verwijtbaar wordt. Psychisch lijden is het gevolg van een verkeerde instelling waardoor niet de juiste mentale reactie gegeven wordt. Om het hieruit voortvloeiend gevaar van verwijzing naar de eigen verantwoordelijkheid tegen te gaan, stelt het boeddhisme het belang van mededogen centraal. De Boeddha liet een luxueus bestaan achter zich om het lijden te onderzoeken en met zijn kennis anderen te helpen. We kunnen mensen die lijden niet aan hun lot overlaten. We kunnen ze niet kwalijk nemen dat ze niet over de juiste inzichten beschikken die het lijden wegnemen. En zelfs al zouden ze over die inzichten beschikken, dan nog kan niet verwacht worden dat die kennis alleen voldoende kracht geeft aan gewone mensen om het lijden achter zich te laten. Het geeft geen pas om het lijden te veroordelen. In het boeddhisme draait het alleen om het vinden van de oorzaken van lijden en het oplossen ervan. Verder niets. Een goede boeddhist dient alles te doen wat in zijn of haar vermogen ligt om het lijden van de ander op zo'n duurzaam mogelijke wijze tegen te gaan. Dit betekent dus de ander weerbaarder maken. Dat kan door onderricht over de leer van Boeddha, maar dat is lang niet altijd (alleen) gepast. Wanneer lijden veroorzaakt wordt door armoede, kunnen beter materiële middelen verstrekt worden. Het zogenaamde geëngageerde boeddhisme dat door Thich Nhat Hanh nieuw leven is ingeblazen, stelt zich expliciet ten doel om de maatschappelijke omstandigheden te verbeteren en zo het lijden te verminderen. Dit is geheel in de geest van de Boeddha zelf, getuige de volgende uitspraak:

"Mensen zouden in staat moeten zijn zonder voortdurende armoede te leven. Boeren zouden graan en andere noodzakelijkheden moeten krijgen. Er zou kapitaal moeten worden verschaft aan handelslieden, en er zou een fatsoenlijk loon moeten worden betaald aan de werknemers. Wanneer mensen zekerheid hebben en een toereikend inkomen kunnen verdienen, zullen ze tevreden zijn, zonder angst en zorgen."

uit: Digha Nikaya (citaat in Woorden van Boeddha, A. Bancroft)

Is het boeddhisme geen irrationeel pacifisme waarbij geweld altijd wordt afgewezen?

Het boeddhisme is een causale leer, waarbij gewezen wordt op de wet van oorzaak en gevolg (karma). Die wet geeft ook aan dat daden van agressie bijna altijd een negatieve spiraal van meer agressie en geweld in gang zetten. We zien dit bij het conflict tussen Israël en Palestina en de oorlog tegen het terrorisme. "Vergeld geen kwaad met kwaad", leerde de Boeddha. En haat komt niet tot een eind door haat, maar kan alleen stoppen door edelmoedigheid." Toch wordt binnen het boeddhisme onder zeer uitzonderlijke omstandigheden geweld niet uitgesloten als beste wijze van reageren. Zo is er een bekend verhaal in de boeddhistische Palicanon dat een boddhisatva, die later als de Boeddha Shakyamuni herboren zou worden, geen andere weg ziet om een massamoord op 500 arhats te voorkomen door de aanvaller te doden. Deze daad moet gezien worden als een daad van liefde en mededogen, met de beoogde slachtoffers. Alleen mededogen kan een antwoord zijn op geweld, zo leert het boeddhisme, maar in dit voorbeeld neemt mededogen de vorm aan van geweld. Het zou veel te ver gaan om hierin een rechtvaardiging te zien voor een preventieve oorlog. In het voorbeeld was het absoluut zeker dat de overvallers de moorden zouden plegen én dat ze op geen andere manier gestopt konden worden. Het vraagstuk over geweld is complex binnen het boeddhisme en hoewel het uitgangspunt geweldloosheid is, menen veel boeddhisten dat uitzonderingen mogelijk zijn. Ook de Dalai Lama is deze positie toegedaan. Zie meer over dit onderwerp hier.

Stilstaan bij het lijden vergroot toch het lijden?

Als je je lijden niet onder ogen ziet, zal het zich "ondergronds", in het onbewuste gaan nestelen. Het gevoel zelf zal echter niet verdwijnen, maar het zicht op de oorzaken wel, zodat het niet meer goed mogelijk is het lijden te bestrijden. Ondanks het voortdurend weg vluchten van onprettige gevoelens, zullen ze op de achtergrond toch blijven bestaan en telkens weer aan het licht komen. Het onderkennen van het lijden is het begin van mentale groei en de weg naar verlichting. Het lijden is zo bezien niet alleen negatief; ze is ook een signaal en wegwijzer. Door soms stil te staan bij de bronnen van het lijden, worden we ook weerbaarder voor toekomstig lijden, dat we dan minder ervaren als tegenslag, maar als onderdeel van het leven. "Now I found that the world is round and of course it rains everyday" (Bee Gees).

Leidt leven in het nu niet tot een oppervlakkige carpe diem leefstijl?

Leven in het nu betekent aandachtig zijn, open staan voor de rijkdom van het moment en vervolgens vanuit die aandachtige, milde openheid handelen. Het betekent dat we de volheid van het moment niet voorbij laten gaan door met onze gedachten in het verleden of de toekomst te zijn. Het betekent ook dat we het heden zien zoals het is, zo onbevooroordeeld mogelijk en niet gekleurd door een belast verleden, of alleen maar als middel of hindernis naar de toekomst. Leven in het nu is geen oproep om er maar op los te leven alsof het de laatste dag is die je meemaakt. Natuurlijk staan verleden, heden en toekomst niet los van elkaar. Het verleden werkt via de wet van karma altijd door, maar het gaat erom dit te doorzien en die causaliteit te bewerken zodat het verleden het heden niet bepaalt. Ieder moment moet op zijn eigen merites beoordeeld worden door er goed naar te kijken (stil te staan) en dan te handelen.

Hoe zit het met de toekomst? Het is toch goed om doelen te stellen? Zeker: doelen geven zin aan het leven en kunnen motiveren. Hiervoor is het wel nodig dat de doelen voldoende concreet zijn en als haalbaar worden gezien. Voorkomen moet echter worden dat doelen verabsoluteerd worden. Gaandeweg kan blijken dat doelen toch niet haalbaar zijn of dat de doelen niet passend zijn bij wie je bent. Mensen denken vaak te weinig na over de betekenis van hun doelen. Die moet je eerst goed weten. Het is goed om je af te blijven vragen of de nieuwe koers de goede is door te blijven monitoren en rustig de ingeslagen weg af te leggen, van moment tot moment. Leven in het nu wil zeggen dat je je blijft openstellen voor wat zich aandient en niet halsstarrig blijven vasthouden. Deze open houding levert inzicht en toewijding aan het moment en die ontspannen instelling zorgt voor kracht. Mindfulness betekent ook het moment de baas zijn, een andere voorwaarde voor succes. Leven in het nu is daarom de beste garantie op succes in de toekomst.

In de woorden van S. Suzuki:

"We moeten niet blijven vasthouden aan wat we deden; we moeten er alleen over nadenken. En we moeten er een idee van hebben van wat we in de toekomst moeten doen. Maar de toekomst is de toekomst en het verleden het verleden; nu moeten we werken aan iets nieuws."

Een concreet, vast doel kan motiveren, maar het kan ook tot minder openheid leiden. Als het binnen onze macht is, zou het goed zijn om niet een vast omlijnde lange termijnplanning te hebben van wat we willen bereiken, maar alleen een richting die gaandeweg steeds meer vorm aanneemt en toch van meet af aan weet te inspireren.

 

 

wordt vervolgd..