over Ken Wilber
In de vorige bijdragen is geconcludeerd dat veel moderne spiritualiteit belangrijke tekortkomingen kent. Ze baseert zich op quasi-wetenschap, is reductionistisch (een gevolg van plat holisme en een eenzijdig mensbeeld), is conceptueel onhelder en kent narcistische trekken. Sommige theorieën gaan verder uit van een heilsleer die gebaseerd is op obscure ideeën. Een duidelijke, omvattende visie op persoonlijke ontwikkeling ontbreekt. Net voordat ik daarom mijn studie wilde verleggen naar de meer traditionele spirituele leer, ontdekte ik het werk van de Amerikaan Ken Wilber. Na geraakt te zijn door teksten op het internet besloot ik een intellectuele biografie van hem te kopen, geschreven door de Nederlandse godsdienstpsycholoog en Wilber-deskundige Frank Visser. Wilber is, tegen de postmoderne tijdgeest in, een systeemdenker die bestaande ideeën over bewustzijn en ontwikkeling beoogt te integreren tot een omvattende synthese. Uitgangspunt voor Wilber- en daarmee ontloopt hij de postmoderne kritiek- is dat er niet één Waarheid is, maar dat eeuwen van onderzoek tal van verschillende ideeën over de werkelijkheid hebben opgeleverd die allemaal hun waarde hebben. Wilber probeert die ideeënverzameling van "deelwaarheden" in een logisch en consistent geheel te plaatsen. Zo zou je kunnen zeggen dat voor Wilber geldt "het meer omvattende is het meer ware". Wat Wilber siert is dat zijn denken ook zelf voortdurend in ontwikkeling staat. Meerdere malen heeft hij zijn theorieën herzien. Het respect voor de eeuwige wijsbegeerte, denkbeelden over de mens, de wereld en spirituele groei die universeel zijn, staat centraal in Wilbers benadering, in plaats van dat hij zoals zovelen het wiel opnieuw uitvindt. Maar Wilber is meer dan een eclecticus; hij staat ook kritisch tegen veel ideeën binnen de spirituele theorievorming. Met name keert hij zich tegen het Nieuwe denken, dat hij als narcistisch beschouwt. Bovendien hebben veel hedendaagse spirituele denkers volgens Wilber een verkeerd beeld van spirituele ontwikkeling. Zij gaan uit van het idee dat we op zoek moeten naar een verloren gegane bewustzijnsstaat. Aanvankelijk geloofde Wilber ook dat het kind de meeste eenheid met het universum bezit. Maar later verwerpt hij dit denken als een vorm van regressie en gaat in plaats daarvan uit van ontwikkeling als het beklimmen van een ladder.
Wilber opereert binnen de traditie van de transpersoonlijke psychologie (zie ook hier). Deze tak van de psychologie is ontsprongen aan de humanistische psychologie van Abraham Maslow (een richting die veel gelijkenissen vertoont met de positieve psychologie die vandaag de dag sterk in zwang is). De transpersoonlijke psychologie heeft als onderzoeksdomein (de mogelijkheden van) een "hoger bewustzijn" en spirituele ervaringen. Na het behaviorisme dat de mens ziet als een machine die reageert op externe stimuli, de psychoanalyse die de mens vooral als slachtoffer van zijn driftleven ziet en de humanistische psychologie die de mens als redelijk en autonoom wezen ziet dat streeft naar ontplooiing van zijn vaardigheden, voegt de transpersoonlijke psychologie een spirituele dimensie toe aan het mensbeeld. In al zijn werk probeert Wilber inzichten van de westerse psychologie te verbinden met de oosterse wijsheid zoals die tot uitdrukking komt in de eeuwige wijsbegeerte.
Centraal in Wilbers werk staat de persoonlijke ontwikkeling die de mens kan doormaken. Het gaat hierbij om een ontwikkeling richting een verruimd bewustzijn. Hoewel Wilber zijn ontwikkelingsmodel meerdere malen amendeerde, staat de volgende driedeling altijd aan de basis:
prepersoonlijk / persoonlijk / transpersoonlijk
Het prepersoonlijke valt samen met het lichaam en de emoties; in het persoonlijke stadium staan het ego en het denken centraal. Hierbinnen gaat het om de vorming van een rationeel, autonoom individu; het transpersoonlijke stadium is het spirituele stadium waarin voorbij gegaan wordt aan het ego. Bij de overgang van de stadia die binnen deze hoofdindeling te onderscheiden zijn, vindt telkens een transformatie plaats van het "ik". Ontwikkeling geschiedt volgens de principes van differentiatie en integratie die noodzakelijk zijn om ontwikkelingsstoornissen te voorkomen. Door differentiatie kan het zelf zich losmaken van het oude stadium en overgaan naar het nieuwe stadium; door integratie wordt het nieuwe stadium met het voorgaande stadium weer tot een eenheid gemaakt. Ontwikkeling is volgens Wilber dus een kwestie van een continu proces van overstijgen en omvatten. Pas als het zelf zich van het oude stadium heeft losgemaakt, kan het daarmee werken en niet eerder. Als differentiatie optreedt zonder integratie, dan treedt dissociatie op. Het zelf maakt zich niet alleen los van het oude stadium, het raakt er ook los van. Op die manier kan het denken zich zover losmaken van het lichaam dat het daarvan losraakt en zich verliest in bloedeloze abstracties. Dit kan zich voordoen bij een proces van verdringing. Een ontwikkeling wordt dan als het ware geforceerd waarbij vooruitgang geboekt wordt door de voorgaande stadia weg te drukken. Bij de overgang naar het spirituele kunnen we bijvoorbeeld het voorgaande mentale stadium verdringen. Dit is een schadelijk, aldus Wilber. Voorgaande stadia zijn immers de sporten waarop we in Wilbers model moeten staan om de ladder van de ontwikkeling te beklimmen. Mislukt de differentiatie, dan treedt fixatie op. Als het abstracte denken niet tot ontwikkeling komt, dan blijft het zelf gebonden aan de concrete werkelijkheid. Dit kan zich voordoen wanneer het individu last heeft van hechting. Dit begrip komt ook in de psychologie voor en ligt aan de basis van diverse neuroses. Telkens als we teveel hechten aan een ontwikkelingstoestand, kan de ontwikkeling tot stilstand komen. Freud sprak in dit verband over het Oedipuscomplex, maar hechting kan zich op alle niveaus voordoen. Zo spreekt Wilber van het Apollo-complex bij hechting aan het mentale ontwikkelingsniveau en van het Vishnu-complex als we te veel gehecht raken aan de gelukzalige ervaringen van het transpersoonlijke stadium. Ook die gehechtheid zullen we moeten opgeven, als we de ontwikkelingsreis naar de Geest willen vervolgen.
Uiteindelijk onderscheidt Wilber negen stadia die allemaal hun eigen pathologieën kennen en waarvoor Wilber bijpassende vormen van therapie aangeeft indien deze zich voordoen. Wilber heeft deze indeling gekozen om zo aan te sluiten bij de laatste inzichten van de ontwikkelingspsychologie, hoewel hij zelf stelt dat de eerste en beste ontwikkelingspsychologen de oude, oosterse wijsgeren waren. Hierbij wordt duidelijk dat Wilber een vloeiende overgang ziet tussen de psychologie en spiritualiteit. De laatste is zeker geen oplossing voor al onze problemen. Sommige ontwikkelingsstoornissen op een lager niveau zijn het beste gediend bij psychotherapie, maar bij stoornissen op een hoger niveau liggen "mystieke therapieën" meer voor de hand. De traditionele psychologie richt zich op de persoonlijke fasen en haar stoornissen (neuroses). In deze fase staat het ego centraal. In tegenstelling tot veel New Age denkers staat Wilber niet negatief tegenover het ego. Een ontwikkeld, sterk en autonoom ik dat verder kijkt dan de eigen groep en zo voorbij gaat aan ethnocentrisch denken, is juist een voorwaarde voor verdere ontwikkeling. Paradoxaal genoeg neemt in de laatste fasen van de persoonlijke ontwikkeling waarin het ego domineert, het egocentrisme zelfs af. Dan immers kan het individu rationeel argumenteren en wordt hij niet meer gehinderd door groepsdenken wat de morele ontwikkeling in de weg staat. Rationaliteit is zo een voorwaarde voor verdere spirituele ontwikkeling. Van belang is te benadrukken dat voor Wilber persoonlijke groei niet vanzelf gaat. Wel meent hij dat rond een bepaalde leeftijd een nieuw stadium zich aandient, maar of het individu daar ook in binnen wil treden is niet vanzelfsprekend, maar afhankelijk van vele factoren. Dit onderscheid tussen bewustzijnsstructuur en zelf komt ook terug in de ontwikkelingspsychologie. Hierin wordt bijvoorbeeld gesteld dat bepaalde cognitieve en emotionele structuren noodzakelijk, maar niet voldoende zijn voor morele ontwikkeling.
Het is interessant om te zien hoe Wilber het mystieke/transpersoonlijke stadium ziet. Binnen dit hoofdstadium onderscheidt hij weer vier substadia.
psychisch / subtiel / causaal / nondualistisch
In het psychisch stadium draait het met name om de vermoedende ervaring van een diepere werkelijkheid achter de natuurverschijnselen (zoals door dichters als Ralph Waldo Emerson beschreven bijvoorbeeld); in het subtiele stadium gaat het om de verhouding van de ziel tot God. Hierbij hoort en theïstische mystiek, zoals die bijvoorbeeld terug te vinden is bij de Spaanse mystica Theresia van Avila. Kenmerkend voor deze fase zijn subtiele illuminaties, een gevoel de werkelijkheid te doorzien en intens te beleven, innerlijke rust en veel minder verdwaald raken in innerlijke gedachten. Bij het causale stadium hoort een monistische mystiek die de tegenstelling tussen de ziel en het Goddelijke laat opgaan in één identiteit. Hierbij draait het om het inzicht dat God de oorzaak van alles is. Dit stadium is volgens Wilber bijvoorbeeld beschreven door de Duitse mysticus Eckhart. Het allerhoogste stadium, dat van nondualisme, waarin ook de tegenstelling tussen God/Goddelijke en de wereld oplost, is de hoogste staat die een mens kan bereiken. Met name binnen de oosterse tradities is hierover geschreven, zoals het hindoeïsme en het zenboeddhisme. Het mag duidelijk zijn dat de ervaring van deze hogere stadia niet goed in woorden uit te drukken zijn. De weinigen die deze stadia meegemaakt hebben, drukken echter vergelijkbare ervaringen uit. Wilber zelf schreef over zijn eigen ervaring het volgende:
"Ik had weleens korte impressies gehad van de subtiele sfeer - en zelfs van de causale sfeer die daarboven ligt - maar ik was nog niet echt binnengeleid of ingewijd in die sfeer. Een zenmeester zei eens dat de juiste reactie op de eerste echte kensho (kleine satori, verlichtingservaring) niet lachen is, maar huilen, en dat is precies wat ik deed, uren achtereen zo leek het wel. Tranen van dankbaarheid, van mededogen, van onwaardigheid en uiteindelijk van oneindige verwondering (..) Het lachen kwam later - een onbedaarlijk lachen. Op dit vroege punt zou dat heiligschennis zijn geweest." (cit uit Visser, 2004:138)
In lijn met het Boeddhisme en andere oude scholen stelt Wilber dat de hoogste staat die van Eén Smaak is, zoals hij het zelf zegt. De bevrijding ligt dan in het verblijf in de Leegte. Hierin is openheid van geest en verlossing van de benauwenissen van de objectieve wereld te vinden. Deze Leegte kan gelijk worden gesteld aan het concept van het Niets, zoals dat in de eeuwige wijsheid terugkeert. Alles is ontstaan uit het Niets en vindt daar haar basis. Maar dit allesoverstijgende Niets is tegelijk ook een immense bron van potentie, die zich uit in de vele vormen die we in de dagelijkse werkelijkheid aantreffen (wezens en dingen). In dit Niets, deze staat van nondualisme, ontstijgen we het zelf en voelen we ons een met de wereld, omdat we beseffen dat we de wereld zijn. Deze onthechte verlichtingstoestand, waarin we tegelijk boven onszelf staan, maar in volle aandacht leven, is de hoogste spirituele staat. Belangrijk is dat volgens Wilber we ons allemaal al in deze staat bevinden. Waar het omgaat is dat we ontwaken, wat alleen kan door spirituele training, om die staat ook te ervaren.

van het persoonlijke naar het sociale
Later in zijn carriere begon Wilber zich ook te interesseren voor culturele evolutie. Hij onderkent een proces van culturele ontwikkeling, zonder dat hij een heilsleer aanhangt. Vooruitgang is ook hier niet vanzelfsprekend en de komst van een spiritueel tijdperk ligt volgens hem op dit moment ook niet voor de hand. Eerst is het van belang het daaraan voorafgaande tijdperk waarin we ons nu bevinden, het mentale, te vervolbrengen. Doel hierbij is dat alle individuen op rationele, verantwoordelijke en autonome wijze, vrij en respectvol, het maatschappelijk verkeer vormgeven. We zijn nog niet toe aan een tijd die de rede overstijgt, omdat de rede nog lang niet universeel wordt gebruikt. Sterker nog, als we onvoldoende het belang van de rede benadrukken, kan ons weleens een duistere tijd te wachten staan, zo waarschuwt Wilber, waarin het transpersoonlijke wordt verward met het prepersoonlijke en regressies optreden naar minder ontwikkelde maatschappelijke stadia. (1) Het mooie van Wilber is dat hij ook weet te relativeren. We zijn nog niet toe aan een "Aquarius-samenleving", laten we eerst zorgen voor belangrijker zaken, zegt hij:
"De belangrijkste hervormingen hebben niet te maken met de vraag hoe een handjevol baby boomers naar de tweede verdieping (in de richting van spiritualiteit) geholpen kan worden, maar hoe we de miljoenen hongerenden in de lagere stadia kunnen voeden (..). Een integrale visie is een van de minst dringende kwesties op deze aarde."
Hiermee laat Wilber zijn politieke betrokkenheid zien die later ook tot uitdrukking kwam in zijn integrale filosofie waarmee hij zowel conservatieven als liberalen bekritiseert om hun eenzijdigheid. Hij keert zich hiermee ook tegen de New Agers die halsreikend uitkijken naar een nieuw tijdperk dat bereikt wordt als maar een kritische massa van volgers de spirituele lessen volgt die hen worden opgedragen.
Wilber ziet dat sommige denkers in de val trappen van wat hij de pre/trans-verwarring noemt. Hierbij wordt een storing in het ontwikkelingsproces (dissociatie) opgevat als wezenlijk voor een ontwikkelingsfase. Zo zijn New Agers kritisch over de huidige tijd waarin materialisme weinig ruimte laat voor spiritualiteit. Wilber relativeert die zorg niet alleen (er is veel belangstelling voor het spirituele, hoewel helaas vaak in verwrongen vorm, zo moet hij erkennen), hij meent dat de huidige tijd toch te verkiezen is boven voorgaande fasen, waarin de mens dichter bij de natuur stond. Idealen die een weg terug bepleiten, zoals de bio-energeticaleer van Alexander Lowen, werpt hij dan ook verre van zich. Dit wil echter niet zeggen dat Wilber niet kritisch is over de laatmoderne tijd. Hij noemt deze niet voor niets "platland". Deze term staat voor een ontspoorde samenleving, waarin geen ruimte is voor het innerlijke, waarin een hierarchische visie op de werkelijkheid ontbreekt ten gunste van een consumentisme en een materialistisch wereldbeeld. Hierbij sluit hij aan bij de analyses van de wereldberoemde filosoof/socioloog Habermas die spreekt van een kolonisatie van de leefwereld door het systeem (de wereld van macht en geld). Om die kolonisatie te keren, is het van belang de bedreigde sferen te emanciperen. We zullen ons als mensen en daarmee ook als samenleving in alle richtingen moeten ontwikkelen-lichamelijk, psychisch en spiritueel.
In Sex, Ecology, Spirituality introduceert Wilber zijn kwadrantenmodel (Wilber-4 noemt hij het), waarmee hij een totaalvisie op het bewustzijn beoogt. Met dit integrale model laat hij zien dat hij niet gelooft in de moderne fictie van het volledig autonome individu, maar evenmin de postmoderne idee van decentrering en oplossing van het subject onderschrijft. Alle vormen van ontwikkeling kunnen met dit model geanalyseerd worden. Het innerlijke van de mens wordt bestudeerd door de introspectieve psychologie en de spirituele leer, het gaat hier om de innerlijke beleving van de mens. Als doel en kernwaarde geldt hier waarachtigheid of authenticiteit. Eerlijkheid naar het zelf en naar de ander over de innerlijke wereld staat centraal in dit kwadrant. De traditionele psychologie kijkt meer naar het menselijk gedrag, oftewel naar het uiterlijk. Dit is de wereld van de empirische feiten, waarbij waarheidsvinding centraal staat. De cultuurwetenschappen kijken naar het "innerlijk-collectieve" of culturele aspect van het bewustzijn door de denkwerelden van groepen te bestuderen. En de sociologie kijkt naar het "uiterlijke-collectieve" van objectief waarneembare maatschappelijke verschijnselen. Hierbij draait het om de functionele, gelegitimeerde inpassing van het individu in (maatschappelijke, maar ook eco)systemen.
| innerlijk | uiterlijk | |
| individueel | intentioneel | gedragsmatig |
| collectief | cultureel | sociaal |
Het model kan worden verduidelijkt wanneer het wordt toegepast op de huidige tijd waarin het formeel-rationalistisch (abstract) denken centraal staat en het perspectief niet groepsgericht maar wereldcentrisch is.
"Het abstracte denkvermogen in de mens (links-boven) is mogelijk geworden doordat in de hersenen (rechts-boven) de neocortex tot ontwikkeling is gekomen. Dat wil niet zeggen dat deze neocortex de oorzaak is van gedachten, maar wel dat zij daarvoor een noodzakelijke voorwaarde vormt. Individuen die tot abstract denken in staat zijn, zullen vervolgens een cultuur scheppen (links-onder) die rationeel is ingesteld (in tegenstelling tot de oudere magische en mythische culturen) en de maatschappelijke ordening (kwadrant rechts-onder) wordt beheerst door industrialisatie, of het op een rationeel-technische manier produceren van goederen. En het menselijk individu wordt op zijn beurt weer beïnvloed door de cultuur en de maatschappij waarin hij zich bevindt. Voor een integrale theorie over het bewustzijn zijn volgens Wilber alle vier de kwadranten nodig. Geen ervan mag tot de andere gereduceerd worden." (Visser, 2004:239)
Wilber verwerpt dus iedere vorm van reductionisme. Zoiets simpels als een enkele gedachte, bijvoorbeeld "ik moet boodschappen" doen kan alleen met alle kwadranten verklaard worden. De gedachte (innerlijk-individueel) komt voort uit een fysisch proces (uiterlijk-individueel), maar heeft alleen betekenis tegen een culturele achtergrond (innerlijk-collectief) en is feitelijk alleen mogelijk vanwege het bestaan van winkels (uiterlijk-collectief). Bij de vier kwadranten horen ook verschillende talen die niet tot elkaar herleid kunnen worden. Zo kent het innerlijk-individuele een "ik-taal" en het uiterlijke een "het-taal". Een neurologische verklaring van het bewustzijn schiet zo altijd tekort omdat de bijbehorende "het-taal" de subjectieve ervaringen niet kan verklaren. Die kunnen alleen vanuit een "ik-taal" begrepen worden. Hierbij kom ik op Wilbers interessante visie op wetenschap in relatie tot het spirituele.
wetenschap en spiritualiteit
Voor Wilber geldt dus dat het geestelijke/innerlijke nooit gereduceerd mag worden en een eigen onderzoeksterrein is. Het innerlijke is echter niet (geheel) te bevatten met het verstand, maar met contemplatie. Hij hekelt dan ook de relatie die in het Nieuwe denken vaak gelegd wordt met de kwantummechanica. Overigens stelt hij dit denken gelijk aan materialisme, wat dikwijls niet terecht is, omdat veel kwantummystici juist menen dat de diepste werkelijkheid uit bewustzijn bestaat, net als Wilber zelf. Niettemin ziet hij weinig in analogieën met en spirituele interpretaties van de moderne natuurkunde. Wilber meent dat de studie van het innerlijke een onafhankelijke en wetenschappelijke discipline is. Dit volgt uit zijn opvatting over wat wetenschap is:
"De essentie van de wetenschappelijke procedure omvat volgens Wilber de volgende drie elementen: (1) Men volgt een voorschrift op, (2) met het gevolg dat men een bepaalde waarneming kan doen, (3) die men vervolgens toetst aan de waarnemingen van andere onderzoekers die zich daarvoor gekwalificeerd hebben door de eerste twee stappen te doorlopen." (2004:147)
Belangrijk is dat voor Wilber waarnemingen niet beperkt hoeven te blijven tot de zintuiglijk waarneembare wereld. Het gaat om het toetsen van menselijke ervaringen (de werkelijke betekenis van "empirisch") en de menselijke ervaring omvat veel meer dan met het oog gezien kan worden. Door deze interpretatie kunnen ook spirituele ervaringen tot het wetenschappelijk domein behoren. Deze dienen dan wel getoetst te worden door andere mensen die zich ook serieus hebben toegelegd op het spirituele vlak. Wilber geeft toe dat de geesteswetenschap niet zulke harde aanspraken kan maken als de natuurwetenschap, omdat het gaat om interpretatie. Maar er zijn goede en minder goede interpretaties. Persoonlijke ontwikkeling dient serieus genomen te worden als onderzoeksterrein. Ze moet als eigenstandige discipline beoefend worden en niet (louter) vanuit een materialistisch perspectief.
Wilber onderscheidt een ontologie met verschillende werkelijkheidsniveaus en ieder domein van de werkelijkheid kan niet tot het andere herleid worden:
fysiosfeer / biosfeer / noösfeer / theosfeer
De fysiosfeer is de wereld van de materie, de biosfeer van het leven, de noösfeer van het innerlijke/het denken en de theosfeer van het spirituele. Alle entiteiten binnen al deze werkelijkheidsgebieden noemt Wilber ook wel "holons", wat betekent dat alles tegelijk een deel als een geheel is, apart als onderdeel. Hiermee zet Wilber zich af tegen een te makkelijk holisme. Holons kunnen in diepte verschillen. De mens als holon, is bijvoorbeeld "dieper" dan een dier of plant. Door een proces van "emergente evolutie" heeft de mens eigenschappen en vermogens verkregen waarmee hij zich kwalitatief onderscheidt van andere wezens, nl door het zelfbewustzijn dat ons doet reiken tot de theosfeer en ons doet uitstijgen boven de biosfeer. Dit onderscheidende is wat ons definieert als mens. Voor Wilber is de mens dus duidelijk de kroon op de schepping. Dat betekent niet dat we ons geen rekenschap moeten geven van waar we uit voort zijn gekomen en nog steeds deel van uitmaken; een ecologische levensstijl is zo absoluut noodzakelijk. Door onze hogere complexiteit en omvattendheid kan er bij de mens meer mis gaan, dan bij lagere holons. Dat is de prijs van ontwikkeling. Een prijs die niet opweegt tegen de waarde van de mogelijkheid tot menselijke ontwikkeling.
evaluatie
De afgelopen jaren heeft Wilber een indrukwekkend oeuvre opgebouwd waarin de modellering van de persoonlijke en culturele ontwikkeling centraal staat. Wilbers theorie heeft het voordeel boven het werk van veel van zijn tijdgenoten dat het niet ten prooi valt aan reductionisme. Wilber heeft oog voor de complexiteit en rijkdom van het menszijn en het sociale leven. Ontwikkeling is bij Wilber altijd multidimensionaal. Ook baseert hij zijn denken niet op quasi-wetenschap, zoals het kwantummysticisme. Hij maakt actief gebruik van theorievorming uit de sociale wetenschappen en de filosofie, wat zijn denken een relatief sterke basis geeft. Voor zover het domein van de geestelijke ontwikkeling dat mogelijk maakt, onderscheidt Wilber zich door een duidelijke conceptuele analyse. Zijn theorie heeft ook geen sterke voorkeur voor het gevoel, maar waardeert de rede. Sterker nog, het ziet een volwaardige ratio en het ego als voorwaarden voor spirituele groei.
In tegenstelling tot veel auteurs binnen het Nieuwe denken is Wilbers denken niet narcistisch en enkel op het zelf gericht. In de lange tijd dat hij zijn stervende vrouw heeft geholpen, heeft hij het belang en de waarde van dienstbaar zijn aan anderen diep ervaren. Hij sprak in dit verband zelfs over de verlossing die dit bracht. Op het eerste gezicht lijkt zijn denken enkel gericht op het bereiken van persoonlijke vervulling, zoals deze criticus ook meent. Maar dit is niet waar. Wilber onderscheidt twee richtingen die de mens kan afleggen; een naar boven, naar het goddelijke en een naar beneden, gericht op het beter maken van de samenleving. Toen de traditionele religie nog dominant was, was de gerichtheid naar boven, naar God en was er een afkeer van het lagere (seks, het lichaam). Met de secularisatie werd de problematische verhouding tot het stoffelijke genormaliseerd, maar nu dreigt opnieuw een doorslaan naar het lagere, vooral zichtbaar in consumentisme (ook op seksueel terrein) en geestelijke leegte.
We moeten daarom volgens Wilber het "stijgende ideaal" herwaarderen: "alleen dan zal het dalende ideaal van het zorgen voor een betere wereld voldoende diepgang behouden." Een gerichtheid op een hoger ideaal leidt met andere woorden tot de motivatie om anderen te helpen en maakt ons bewust van onze verbondenheid met de ander en de wereld. Vaker heeft Wilber ook gesteld dat als we spiritueel gevormd zijn, we ons ego voorbij gaan. Uit deze verlichte toestand komt vanzelf de verplichting naar voren om anderen te helpen. Deze compassie, de gerichtheid op de ander die door zelfontstijging mogelijk wordt, komt overeen met het aloude boddhisatva-ideaal uit het mahayana en zenboeddhisme (over de aard van het sociaal-relationele en de morele implicaties van deze compassie spreekt Wilber echter niet). Hier betoont Wilber zich een echte zenboeddhist (dit praktiseert hij ook): nondualisme en compassie als leidende idealen.
Wat Wilber gemeen heeft met Nieuwe denkers is dat hij ten diepste een idealist is, die gelooft dat het materiele niet de grondslag vormt van de werkelijkheid. Hij gelooft ook in reïncarnatie, maar wel als "spirituele hypothese" en zonder het idee dat ook herinneringen bewaard blijven. Van een weerzien met overledenen is volgens hem geen sprake. Alleen de lege ziel leeft voort. Wilber is een fervent anti-materialist, zoals zo'n beetje alle spirituele denkers. Hij stelt terecht dat het materialisme het bewustzijn niet goed kan verklaren. Juist degene die meent dat het geestelijke niets anders is dan het resultaat van hersenprocessen, zal dat moeten bewijzen, omdat hij daarmee twee zeer verschillende realiteiten reduceert tot één enkele werkelijkheid; die van de zichtbare materie.
Materialisten verweren zich tegen dergelijke kritiek door te stellen dat als we het bewustzijn verklaren door het postuleren van bewustzijn (zijnde een niet-materiele entiteit), we dan opgeven en erger, ons schuldig maken aan een cirkelredenering. Visser verwerpt deze reactie in het laatste hoofdstuk in zijn boek over Wilber: "juist het materialisme maakt zich schuldig aan een cirkelredenering: de mens is een materieel wezen omdat het materialisme de enig juiste visie is.." Terecht stelt Visser dat niet voorbij mag worden gegaan aan de vraag of bewustzijn tot materie te herleiden is of niet. De anti-materialisten zullen dan echter op zijn minst moeten ingaan op de relatie tussen het materiele (de hersenen) en het bewustzijn. Een relatie die er lijkt te zijn, zoals verschijnselen als dementie laten zien. Ook zouden ze moeten ingaan op de materialistische theorieën, zoals die van Pinker, die er zijn over het bewustzijn. Zowel het materialisme als het anti-materialisme blijven problematisch, maar dat doet niets af aan de waarde van Wilbers denken.
Die waarde ligt niet zozeer in de praktische implicaties. Wilber is geen goeroe, maar zoals Visser het noemt een "cartograaf van het innerlijke", een theoreticus. Maar zijn denken geeft wel richting en structuur in de spirituele zoektocht en waarschuwt voor de vele dwaalwegen die we kunnen ontmoeten in onze gerichtheid op geestelijke groei.
(1) Wilber onderscheidt de volgende fasen: (a) archaïsch, (b) magisch, waarbij het gevoel en de emotie centraal staat, (c) mythisch, ontstaan bij de opkomst van de landbouw waarbij de verbeelding domineert en mensen elkaar verhalen gaan vertellen die de wereld moeten ordenen, (d) het mentale waarin het denken centraal staat en (e) de spirituele tijd.
bronnen
Frank Visser (2004), Ken Wilber: denken als passie.
zie meer: www.worldofkenwilber.com (dat veel kritische essays, ook van Visser, bevat over met name het latere werk van Wilber. Met name de slechte onderbouwing en het onwetenschappelijke karakter in zijn latere boeken komen aan de orde. Wilber is nooit serieus op deze kritieken ingegaan)