De verrechtsing van de jongeren

Elsevier meldt deze week dat jongeren steeds rechtser zijn geworden. Uit het artikel blijkt dat jongeren in tegenstelling tot eerdere generaties solidariteit geen belangrijk thema meer vinden. Gevraagd wat ze de democratische waarden vinden, wordt het pas als vijfde genoemd. Vrijheid, carriere, relaties en fun staan centraal. Het is geen verrassende bevinding. Ook uit eerder onderzoek blijkt dat jongeren individualistischer worden en zich minder betrokken voelen bij maatschappelijke problemen. Deze ontwikkeling is natuurlijk goed te begrijpen tegen de achtergrond van maatschappelijke ontwikkelingen, maar daarom nog niet minder zorgwekkend. Er is sprake van wantrouwen, zelfs defaitisme, zo blijkt. Jongeren verwachten weinig van de staat bij tegenslag. De welvaatststaat zal verder worden afgebroken, zo is de verwachting.   

Nu strijd leveren voor behoud van de AOW-rechten is onzinnig vinden veel jongeren. Vroeg of laat zal de AOW-leeftijd toch op zijn minst verhoogd worden en misschien zelfs afgeschaft. Laat de ouderen dan nu ook maar vast langer doorwerken. 

Jongeren vinden het ook wel best dat de verzorgingsstaat verder wordt afgeslankt; ze berusten erin en vinden dat mensen zelf hun eigen dopjes maar moeten doppen. Dat ze zelf ook weleens de wrange vruchten van economische tegenslag kunnen ondervinden, wordt nauwelijks onderkend. "Ik red me wel, laat me maar met rust", is het idee. Voor de jonge hoger opgeleiden is dat geen vreemde gedachte gezien de voortdurende glorieuze berichten over grote toekomstige tekorten aan goed geschoold personeel. Maar de lager opgeleiden zullen het in deze kenniseconomie moeilijk gaan krijgen. Er zal een kloof ontstaan tussen hoger en lager opgeleide jongeren, een kloof waar de jonge hbo-ers en academici kennelijk geen boodschap aan hebben.  

De meerderheid van de jongeren stemde bij de laatste nationale verkiezingen CDA. Het CDA! De partij die de vrijheid van meningsuiting aan banden wil leggen. Denk aan Donner die daags na de moord op Van Gogh de wet op godslastering wilde aanscherpen en shariawetgeving niet onmogelijk acht in de toekomst. Of Hirsch Ballin. Zoals Rob Wijnberg in een van zijn columns* aangaf zou die man eigenlijk moeten aftreden. Deze minister wilde namelijk voorstellen het lasterartikel zo aan te passen dat columns, films of kunstwerken verboden kunnen worden wanneer een bepaalde groep omwille van het verschijnen ervan de openbare orde besluit te verstoren. Dat zou betekenen dat Hirsch Ballin eigenrichting in de hand werkt, de meningsuiting inteugelt en de kant van het geweld kiest, zoals Wijnberg aangaf. Het CDA, de partij van afbraak en het achterhaalde communitarisme. Wat een rol gespeeld zal hebben bij de massale keuze voor het CDA en andere rechtse partijen is dat de linkse partijen, waaronder de vroeger nog populaire PvdA, geasscocieerd worden met onvoldoende hard optreden tegen desintegratie en immigratie. Die kritiek is maar ten dele terecht. Het immigratie- en integratiebeleid van de PvdA verscheelt nog maar nauwelijks van die van het CDA en de VVD. Het CDA zwijgt als het gaat om integratie.

 

Er wordt wel beweerd dat we in een postmateriele samenleving leven, waarin materiele waarden als geld en werk minder belangrijk zijn geworden dan geluk, vrije tijd en duurzaamheid. Niettemin lijkt het er volgens Elsevier op dat zowel materiele (luxe, geld, goede baan) als postmateriele waarden belangrijk worden gevonden door jongeren. En blijkbaar valt het daarbij met het belang van het laatste wel mee. Een kritisch consumentenbewustzijn is blijkbaar nog ver weg. Jongeren willen vooral een leuke goed betaalde baan en in hun vrije tijd plezier maken. Vrijwilligerswerk en de protestbereidheid zijn nauwelijks in trek. Alleen als er een aantrekkelijk evenement aan verbonden is, zoals een benefietfestival, wil men best even solidair zijn. De jongste generatie is nogal apathisch en behalve op het materiele vlak allesbehalve veeleisend; vrijblijvendheid staat voorop.

De zelfcultus, het navelstaren is alom tegenwoordig. Getekend en voortgedreven door het dikwijls ongefundeerde positivisme, de hoge verwachtingen en verwennerij van hun ouders, zijn de jongeren van nu volop bezig met hun narcistische zelfproject. En hoewel er alle reden is tot meer collectieve autonomie om de grote problemen die ons bedreigen tegemoet te treden, blijft ieder vrolijk in het eigen kringetje draaien. 

Voor rechts staat het eigendomsrecht centraal, dat als een soort van natuurrecht wordt gezien. Maar in werkelijkheid is het de gemeenschap die bepaald wat een ieder krijgt, namelijk hoeveel men mag houden na belastingaftrek. Dat idee zou meer ingang verdienen: dat niemand ergens recht op heeft, totdat wij allen, als gemeenschap, dat beslissen. Een bedrijf mag zich pas vestigen als het aan gemeenschappelijke eisen voldoet; een individu heeft pas recht op inkomen als het belasting heeft betaald. Economische vrijheid is een belangrijk goed; verstoring daarvan leidt tot vermindering van prikkels wat weer leidt tot ineffectieve uitkomsten. Maar het belang van die vrijheid waarbij ieder het zelf moet regelen wordt overschat, ook door veel jongeren. Zelf alles regelen in plaats van bijdragen aan en vertrouwen op georganiseerde solidariteit is doorgaans oneerlijker, duurder, complexer en onzekerder. Veel jongeren keren zich tegen het belastingklimaat; de staat zou minder beslag moeten leggen.

In vergelijking met de vorige generatie zijn jongeren ook conservatiever geworden op het immaterieel vlak. Een grote meerderheid ziet liefde en seks als met elkaar verbonden, terwijl het een biologisch feit is dat beide behoeften in principe onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan. Rond de 50% van de jongeren onderschrijft het SGP-standpunt dat ouders met jonge kinderen niet mogen scheiden. Jongeren trouwen ook vaker en eerder; ik zie het zelf met enige verbazing om me heen. Ik zelf ben van de generatie X (1965-1978), een generatie vol nihilisme. Ik had gehoopt dat de generatie Y na mij meer idealistisch zou zijn, maar het broodnodige postmateriele bewustzijn dringt nog te weinig door. De eeuwige constante van eigenbelang is daar debet aan, maar er spelen meer factoren een rol. Zoals de information overload, vooral waar het tegenstrijdige berichten betreft. Ook jongeren weten niet meer wat waar is en wat niet; visies buitelen over elkaar heen. Moe van het bombardement aan informatie, sluit men zich af, of pikt men eruit wat bij de eigen gading past. Maar uiteindelijk is deze houding er natuurlijk een van gebrek aan nieuwsgierigheid, naar een antwoord op de vraag hoe het nu echt in elkaar zit.

De samenleving is steeds meritocratischer geworden. Op zich is dat een goed punt, maar het leidt ook tot sociale desintegratie. Iedereen binnen de massa hoger opgeleiden wil het verschil maken en lonkt naar de schaarse topposities. Alles wordt ingezet om die te bereiken. De maatschappij wordt daar ook steeds beter op ingericht door het Amerikaanse model met differentiaties in het onderwijssysteem (topopleidingen, masterclasses, collegegelddifferentiatie) en het belang van netwerken te volgen. Er is sprake van een voortdurende inflatie van verworvenheden. In een prestatiemaatschappij moet men zich steeds meer onderscheiden, steeds meer doen om op te vallen. Het geloof in het maakbare "ik" dat hiervoor nodig is, wordt daarbij geleverd tijdens de opvoeding. Generatie Y is grootbegracht door ouders die eveneens opgroeiden in een economische crisis en het ideologisch vacuum van het neoliberalisme. In die zin volgen ze hun ouders; van een generatieconflict is geen sprake meer. De jongere van nu heeft vrienden als ouders en wordt door hen voortdurend gestimuleerd tot groei en zelfwaardering.

Zelfredzaamheid is de moderne norm bij uitstek. Dat leidt tot wantrouwen ten aanzien van de solidariteitsgedachte. Verdien jij mijn belastinggeld wel? Waarom zou ik mee moeten betalen aan de problemen van anderen als ik zelf niet profiteer? In een individualistische samenleving als de onze is er minder begrip en inzicht in sociale factoren die het menselijk gedrag bepalen. Alles wordt uitgelegd als een persoonlijke keuze.

Zorgwekkender vind ik de lage betrokkenheid van de jeugd bij de grotere grensoverstijgende problemen. Dit komt door de eerder benoemde information overload. Maar het is ook het onprettig gevoel van onmacht waardoor voorbij wordt gegaan aan de wereldproblematiek. Ik heb het vaak horen zeggen. "Waarom zou ik me uit moeten sloven voor een beter milieu als India en China steeds meer gaan produceren en consumeren?" "Wat maakt die ene auto extra uit?" Dat kleine beetjes helpen en dat een bewust gekozen levensstijl ook persoonlijke voldoening geeft, wordt niet ervaren. Het is nog net niet het jaren '80 doomdenken revisited, want er wordt nog wel naar de politiek gekeken, al zijn de verwachtingen niet hoog gespannen. Maar om de politiek tot daden te verleiden, is protest en zichtbare betrokkenheid nodig. Van de politiek wordt door de jongste generatie zoals gezegd evenwel niets geeist. Daarbij komt dat de afkeer van politiek groot is, ook onder jongeren. Minder dan 1% is lid van een politieke organisatie.

Er is sprake van veel lethargie; de problemen lijken op afstand te staan, media abstracties, te ver weg en tegelijk te groot om er zelf iets aan te doen. Hoe reeel en bepalend ze ook zijn. De jongeren zijn wat dat betreft gedesillusioneerd. Ze hebben gezien hoe de protestgeneratie nauwelijks iets voor elkaar heeft gekregen; uiteindelijk zegevierde het consumentisme. Grote verhalen bleken niet te werken. De jongere van nu beperkt zich hooguit tot hapsnap benaderingen, visies en vergezichten, daar heeft hij weinig mee.

Het probleem is dat ethische vraagstukken tegenwoordig te veel op een gevoelsbasis benaderd worden. Uitgaan van het gevoel is vaak goed, maar soms ook niet. Bij complexe sociale vraagstukken is morele argumentatie van belang. Het gevoel kan ook nooit voldoende motiveren. Zichtbaar leed werkt op het gevoel en zet aan tot hulp, maar veel leed is onzichtbaar. En goede bedoelingen, ingegeven door medelijden, kunnen soms zelfs averechts werken. Als we alleen iets doen als we een behoefte hiertoe voelen, is dat te weinig. Een plichtsbesef is nodig, in eerste instantie het besef dat we ook wereldburgers zijn die verantwoordelijkheden hebben. In ieder geval is het van belang het opkomend nationalisme tegen te gaan. Zeker onder lager opgeleiden heerst het idee dat de overheid eerst maar eens de binnenlandse problemen moet oplossen door te korten op "linkse hobby's". Laat het buitenland maar voor wat het is. Er wordt kortom binnen de dijken gedacht. Binnenlandse problemen worden belangrijker gevonden dan veel ernstigere internationale problemen. Blijkens Elsevier vindt dit nationalistisch denken ook bij veel jongeren ingang.

De vraag is hoe de betrokkenheid met (mondiale) problemen en verre anderen te vergroten in een samenleving waarin persoonlijke prestaties allesbepalend zijn. Of moeten we met de jonge filosoof Rob Wijnberg, bekend van zijn colums in NRC Next, het gebrek aan idealisme niet als een probleem beschouwen, maar structureel sceptisch zijn en net als hem "het nihilisme omarmen"? Ik vind dat een gevaarlijke en armzalige benadering. We moeten voorbij het platte individualisme, zowel om ons eigen benauwde ego te ontstijgen en meer zingeving in het persoonlijk leven in te brengen, als vanwege onze morele plicht, een plicht die voortvloeit uit reele bedreigingen en lotsverbondenheid. Wat dat betreft heb ik wel een beetje hoop. Want ik denk dat er hier niet alleen sprake is van een cohorteffect maar ook van een leeftijdseffect. Het postmaterialisme groeit.

24/08-09