Is er vooruitgang?
De westerse cultuur is doordrongen van geloof in vooruitgang. Meer kennis zal leiden tot een betere samenleving, zo laat het vooruitgangsdenken zich samenvatten. Maar deze heilsgedachte stuitte al vanaf de begindagen van de Verlichting op kritiek. Is er eigenlijk wel zoiets als culturele vooruitgang? Die vraag staat centraal in deze serie. In het eerste deel een bespreking van het werk van de belangrijkste hedendaagse criticus van het vooruitgangsgeloof, John Gray.
De westerse cultuur is doordrongen van een geloof in vooruitgang. Dit geloof is al sinds de Verlichting zelf, de bron van dit geloof, aangevallen. In de vorige eeuw waren het de postmoderne denkers, zoals Foucault, die de idee dat de rede voor vooruitgang zorgt, bekritiseerden. De belangrijkste hedendaagse tegenstander van het vooruitgangsgeloof is de britse filosoof John Gray. Gray's zwartgallige filosofie keert zich tegen het idee dat met de groei van kennis en technologie er ook sprake is van menselijke en morele vooruitgang. Nogal geforceerd ziet Gray dit typisch verlichtingsepistel als een seculiere opvolger van de christelijke verlossingsgedachte. Volgens Gray kan er wel sprake zijn van perioden van vooruitgang, maar is dit niet het gevolg van een langdurig historisch en cumulatief proces en altijd tijdelijk. In plaats van lineair, verloopt de geschiedenis volgens hem cyclisch. Morele vooruitgang is nooit permanent, maar zal eens stoppen en vaak zal er zelfs sprake zijn van terugval. Als recent voorbeeld van deze terugval noemt Gray de terugkeer van het martelen onder toeziend oog van de Amerikaanse regering. Maar verder terug is de Tweede Wereldoorlog wel het meest duidelijke voorbeeld van de afwezigheid van lineaire, menselijke vooruitgang. Ook naar de toekomst toe verwacht Gray een terugval. Door energietekorten en ecologische rampen zal er wereldwijd strijd en oorlog uitbreken. De eerste tekenen daarvan zijn al zichtbaar. Dit doembeeld volgt direct uit de mensvisie van Gray. Hij ziet de menselijke soort als roofzuchtig, erop uit zijn eigen omgeving te vernietigen. Een groene omwenteling die het mondiale ecologisch evenwicht herstelt, hoeven we niet te verwachten. De idee van voortdurende vooruitgang, gestuwd door kennisvermeerdering en de toepassing daarvan, is in zijn ogen historisch beschouwd parochiaal, een typisch westerse denkwijze, die voortkomt uit de protestantse verlossingsleer en uitmondde in de Verlichting. Kennis bevrijdt niet, het vermeerdert (net als Foucault al stelde) alleen macht, aldus Gray.
Je zou verwachten dat deze visie tot pessimisme stemt, maar Gray vindt van niet. Het vooruitgangsgeloof heeft volgens hem veel ellende gebracht. Gray verwijst hierbij naar de weerzinwekkende praktijk van Grote Verhalen als het communisme en daarvoor het orthodox christendom, maar ook het marktfundamentalisme. Hoewel dergelijke grote verhalen nu in diskrediet zijn gebracht, oefent het maakbaarheidsgeloof nog altijd veel aantrekkingskracht uit met volgens Gray onverantwoorde politieke consequenties. De poging om door oorlog Irak te democratiseren is in Grays optiek een voorbeeld van desastreus messianisme, een voortvloeisel van onrealistisch vooruitgangsgeloof. Het vooruitgangsgeloof is in de VS bij gebrek aan nederlagen nog erg krachtig en daardoor gevaarlijk. De Griekse filosoof Epicurus wees er in de oudheid al op dat een positieve kijk op het leven mogelijk is zonder vooruitgangsgeloof. Wat ons te doen staat, is onze grote idealen te laten vallen, waaronder ook het liberaal humanisme. Gray erkent daarbij dat de mensheid nooit helemaal zonder een betekenisgevend geloof kan (wat de hardnekkigheid van religie in deze schijnbaar seculiere tijd verklaart); waar het op aankomt is ons geloof te temperen door niet te veel te verwachten en slechts op beperkte schaal en door "piece meal engineering" (Popper) in te grijpen in de sociale werkelijkheid. Hier betoont Gray zich, hoewel economisch eerder links dan rechts, als waar (atheïstisch) conservatief. Op geopolitiek vlak betekent dit dat het ideaal van de verspreiding van het liberaal humanisme losgelaten moet worden. In plaats van het liberaal humanisme over de wereld te verspreiden, zouden we ons er tevreden mee moeten stellen als samenlevingen vreedzaam kunnen coexisteren.

Hoewel Gray veel verstandige dingen zegt, maakt hij het zich wel makkelijk door een karikatuur van de vooruitgangsgedachte te maken door deze gelijk te stellen aan radicale theorieen zoals die in het 19e eeuwse positivisme voorkwamen. Geen zinnige liberaal humanist zal nu beweren dat menselijke vooruitgang een onvermijdelijk proces is en dat terugval niet mogelijk is. Geloof in vooruitgang is nog geen geloof in de mogelijkheid van een perfecte eindstaat zoals Gray lijkt te veronderstellen. Grays betoog dat ingrijpen in iedere situatie zorgvuldig afgewogen moet worden en gebaseerd dient te zijn op piece meal engineering, zal weinig weerstand oproepen. Hij koppelt daaraan echter een geloof in de onvermijdelijke en spoedige morele terugval, wat noopt tot uiterste terughoudendheid aangezien iedere verbetering toch weer teniet wordt gedaan. Hulp bij onderdrukking zoals nu in het Midden-Oosten lijkt met deze pessimistische logica niet te rechtvaardigen. Misschien dat de huidige dictators worden afgezet, maar steun aan de revolutie betekent al snel steun aan de volgende dictatuur. Daarbij dreigt bij iedere militaire interventie een herhaling van het echec van Vietnam en Irak. Gray meent dat ingrijpen in bijna alle gevallen dan ook maar het beste achterwege kan blijven en beperkt moet blijven tot lokale, kleinschalige projecten waarbij de gevolgen duidelijk zijn. Verder dient het principe van spontane ordening verkozen te worden boven maakbaarheidsidealen. Hier verwordt pessimisme tot onverantwoord en immoreel nihilisme. Misschien dat de opstanden in het Midden-Oosten uiteindelijk leiden tot nieuwe dictaturen, maar voorlopig is er veel reden om een andere uitkomst te verwachten, een uitkomst die in hoge mate afhangt van westers ingrijpen. Gray zal stellen dat de militaire operatie in Libië niet ingegeven is door morele motieven, maar alleen door Realpolitik. Maar het aannemen van resolutie 173, zonder historisch precedent, kan toch moeilijk niet gezien worden als morele vooruitgang.
Mensenrechten zijn in de ogen van Gray "minimale standaarden voor vreedzame coëxistentie" en niet beperkt tot liberale democratieën. Gray gaat uit van respect voor tradities en huldigt het principe van non-interferentie zolang er geen geweld wordt gebruikt. Hij heeft wat dat betreft een wel heel positief beeld van niet-liberale samenlevingen. Vrede is niet zelden gebaseerd op angst, onderdrukking en ongelijkheid. In het tegengaan daarvan ziet Gray kennelijk geen rol weggelegd voor het westen in de vorm van bijvoorbeeld voorlichting en steun aan emancipatoire bewegingen.
Dat laatste houdt verband met Grays weigering om te geloven dat groei van kennis tot morele groei en bevrijding kan leiden. Inderdaad is het zo dat groei van kennis en morele vooruitgang niet gelijk op gaan. Nieuwe kennis en technologie zijn vaak ingezet voor oude, immorele idealen, met WOII als bekendste en meest tragische voorbeeld. Gray ziet WOII overigens als een rampzalige uitwas van het Verlichtingsdenken, maar evengoed kan deze oorlog juist als een contra Verlichtingsgebeurtenis beschouwd worden, een morele regressie vanwege het veronachtzamen van verlichtingsprincipes als pluralisme en respect voor de autonomie van het individu. Dat kennis en moraliteit afzonderlijke domeinen zijn, wil nog niet zeggen dat ze elkaar niet vruchtbaar kunnen beïnvloeden. In weerwil van wat Gray meent, gaat groei van kennis soms wel samen met morele groei. Meer kennis leidt tot betere morele argumentatie en meer empathie. Het proces van globalisering heeft geleid tot een afname in groepsdenken en racisme, tot de opkomst van een universele moraal, doordat stereotypen en vooroordelen verminderden. Kennis van psychologie en neurologie leidt tot meer empathie voor deviant gedrag.
Dat kennis tot macht leidt, hadden de postmoderne denkers al ingezien. Zij maakten er een spel van om aan te tonen dat nieuwe kennis leidt tot normalisatie en disciplinering van subjecten via subtiele machtstechnieken. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de ene vorm van disciplinering net zo erg is als de andere. Wie durft werkelijk te beweren dat de moderne seksuele moraal geen vooruitgang is ten opzichte van de verstikkende moraal van honderd jaar geleden, ondanks de nadelen die zeker te onderkennen zijn bij het huidige seksuele discours (zoals de mediale druk op jonge vrouwen).
Zaken kunnen een negatieve keer nemen, maar op de lange termijn is Grays geloof in een cyclische theorie van culture vooruitgang gebaseerd op drijfzand. Wie zou immers willen beweren dat het huidige systeem een achteruitgang is ten opzichte van zeg het feodale systeem? Soms ziet Gray overigens ook tekenen van morele neergang, terwijl er niets nieuws onder de zon is. De martelpraktijken door het Amerikaanse leger die Gray als verval ziet, zijn er altijd geweest; nu is het alleen breed uitgemeten in de media en het massale protest ertegen kan juist gezien worden als bewijs van morele vooruitgang (zelfs Voltaire geloofde nog in de heilzame werking van martelen).
Gray gaat uit van een vaste menselijke natuur die tot het kwade geneigd is. Natuurlijk is geen kennis of sociale structuur bij machte die slechte menselijke neigingen te elimineren, maar Gray doet alsof sommige sociale arrangementen niet meer dan andere het goede in mensen naar boven brengen. Dat is natuurlijk onzin. De ene cultuur brengt meer vrijheid, welvaart, vreedzaamheid en aansporing tot creativiteit met zich mee dan de andere cultuur. Instituties doen ertoe. Het is daarom mogelijk en nodig te werken aan een betere, menselijkere samenleving, om met andere woorden het vooruitgangsideaal niet op te geven. Pessimisme zoals dat van Gray kan dan helpen om te behoeden voor hoogmoed, maar een te hoge dosis leidt al snel kwalijke verlamming en fatalisme.
Kritiek op de vooruitgangsgedachte is er altijd geweest, maar Grays betoog raakt wel een gevoelige snaar. Het geloof in dat alles steeds beter wordt, is ernstig aangetast. Veel mensen maken zich zorgen over maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering en globalisering en de gevolgen daarvan. Openlijk wordt terugverlangd naar vroegere tijden. Populistische politici spelen hier handig op in door te verwijzen naar een " zuiverder" Nederland van vroeger. Ook uit onderzoek wordt de vooruitgangsidee aan de kaak gesteld. Zo heeft de Yale politicoloog Robert Lane in zijn boek The loss of happiness in market democracies laten zien dat burgers de afgelopen decennia niet gelukkiger zijn geworden in het westen. De filosoof Ad Verbrugge spreekt van een tijd van onbehagen en vraagt zich: 'Is het leven werkelijk beter dan dertig jaar geleden? Zal het nog beter zijn over vijftig jaar? Onze zelfverzekerdheid is weg, vooral in Europa. De evangelisten van de Verlichting gaan steeds luider schreeuwen om hun eigen twijfel te onderdrukken en de bodemloosheid van hun zelfvoldane redelijkheid te maskeren.' (Verbrugge, 2004: 250)
Verbrugge lijkt hier ook te denken dat aanhangers van de Verlichting menen dat vooruitgang noodzakelijk en permanent is. Dat is niet zo. Het gaat erom dat maatschappelijke vooruitgang mogelijk is en dat er contexten zijn waarin mensen meer en minder tot bloei komen. Vooruitgang is niet vanzelfsprekend en er zijn ook maatschappelijke tendenzen die de kwaliteit van het bestaan juist verminderen, zelfs zodanig dat er regressie kan ontstaan. Hierop wordt in het vervolg van deze serie ingegaan.