Inleiding: wat betekenen zelfverheffing en persoonlijke groei?

Waar hebben we het over als gesproken wordt van zelfverheffing of persoonlijke groei? Wat is het doel hiervan? De mens is een wezen met vele mogelijkheden die bovendien volop in relatie staat met zijn omgeving die hem voor een groot deel maakt tot wat hij is. Dit gegeven maakt een korte omschrijving van waar persoonlijke groei allemaal op gericht kan zijn onmogelijk. Binnen spirituele stromingen is in ieder geval dikwijls het hogere doel een “transformatie van het zelf”, waarbij de persoon in kwestie zich geheel anders verhoudt tot de wereld en zichzelf als voorheen. Het doel lijkt dan een nieuw perspectief met een bijbehorende waardenorientatie. Tegelijk draait het ook vaak om een hogere bewustzijnstoestand, waarbij het individu zich niet meer laat leven, maar in voller bewustzijn handelt en daardoor ook meer toekomt aan zelfsturing. Dit zowel met betrekking tot het innerlijke leven (een geest die niet gestoord wordt door ongewenste stemmetjes, emotionele stabiliteit) als in relatie tot de externe wereld. Het getransformeerde, bevrijde individu weet zaken dan goed naar waarde te schatten en aldus betere doelen en prioriteiten te stellen. Wat de waarden en doelen zijn die zich aandienen na een proces van persoonlijke groei, is natuurlijk deels subjectief bepaald. Niettemin is die hogere toestand door verschillende auteurs nader in algemene termen omschreven. Zo wordt succes (Chopra) of geluk (Dalai Lama) bijvoorbeeld als ultieme waarde gesteld, waarna wegen hiernaar worden beschreven.

Onmiskenbaar is het getransformeerde individu een gelukkig individu (al kan geluk zelfs in zo’n verheven toestand waarschijnlijk nooit ononderbroken zijn; de erkenning van het lijden wordt dan ook wel geregeld genoemd als voorwaarde voor een staat van spiritualiteit). Een succesvol of gelukkig individu is echter nog niet vanzelfsprekend doorleefd en “doorgroeid”. Geluk en succes kunnen op een wankele, irrationele leest geschoeid zijn. Iemand die zijn geluk aan zijn rijkdom ontleend, zouden we niet snel spiritueel willen noemen. Bij zelfverheffing gaat het ook, zoals het woord al indiceert, om het uitstijgen boven het alledaagse, boven zeg maar het aardse, rationele, materiële en instrumentele.

Tegenover de verleidingen van de media en de markt en haar valse beloften van geluk die ons reduceren tot consumerende slaven; tegenover de opslokking van het werkend bestaan met haar bekoring van erkenning en status, tegenover de druk van de groep, gaat het erom dat het individu zichzelf de morele wet kan stellen. Niet "sociaal meestromen" met anderen, maar een kritisch toetsen op meelopen en meepraten tot het niveau dat dit een ingeslepen houding is. Het gaat met andere woorden ook om autonomie, wat bereikt wordt via doorleefde ervaring.

Spiritualiteit gaat vooral ook over zingeving, over een richting die we willen kiezen en betekenisvolle doelen die ons motiveren en die tegelijk rechtdoen aan wie we zijn. Zo worden we in staat gesteld om ons te ontplooien. Die zingeving, zo wordt algemeen betoogd, kan niet enkel maar particulier zijn, maar dient (opnieuw het ontstijgingsaspect) ons ook te verbinden met het grotere geheel, in steeds omvattender cirkels: naasten, medemensen, uiteindelijk het universum. Het loslaten van het ego en haar preoccupaties staat dan centraal.

In deze betekenis lijkt de nieuwe spiritualiteit (waartoe ik hier alle theorievorming reken die persoonlijke ontwikkeling als object hebben, dus zowel New Age, als tradities, als psychologische theorieën, als levensfilosofie) op godsdienst. Beide stellen de ultieme vraag, in de woorden van de theoloog Paul Tillich. Ook traditionele religie pretendeert zin te geven aan het menszijn, namelijk door het volgen van een autoritaire moraal. Hierdoor weet de gelovige mens zich verbonden met God en kan zo delen in Zijn goedheid. Maar hiermee raak ik meteen ook aan wat oude, traditionele zingevingskaders radicaal doet verschillen van de nieuwe. Bij de eerste gaat het om de vervulling van rollen. Wie zijn maatschappelijke rol en die van dienaar Gods goed vervult, ontleent daar zijn of haar geluk uit. Zingeving is dan vooral naar buiten gericht, naar erkenning door anderen. Die externe gerichtheid gaat onvermijdelijk gepaard met een bepaalde mate van zelfopoffering, met het opgeven of beperken van private verlangens omdat die strijdig zijn met de aan genoemde rollen verbonden gedragsvoorschriften. Nieuwe spiritualiteit daarentegen is een “inkeer naar binnen”, een oriëntatie op het eigen, subjectieve leven, op de ontdekking van het zelf en haar drijfveren. Zoals Maarten Meester in zijn overzichtswerk Nieuwe spiritualiteit aangeeft komt die individualistische wending voort uit de extern gerichte christelijke traditie zelf. Biechten bijvoorbeeld vereist zelfonderzoek en innerlijke reflectie en het was kerkvader Augustinus die al in de 5e eeuw zei “keer tot uzelf”. Door het secularisatieproces vindt er een verdere verschuiving plaats van religie naar spiritualiteit. Binnen het in hoge mate rationalistische technisch-economisch bestel is de behoefte aan zingeving, aan inspiratie, aan een “dieper gegrond” zelf nog altijd sterk aanwezig. Ook voor mensen die zoals ik niet veel hebben met een dualistische metafysica, is die behoefte aan bezinning op de diepere vragen aanwezig, al is het soms slechts ten aanzien van het werkgerelateerde leven (waarbij vragen spelen als “wat zijn mijn doelen?”, “wat vind ik belangrijk in mijn werk?”)

Persoonlijke groei, of spirituele transformatie is dus gericht op een voller bewustzijn, leidend tot meer zelfsturing, waarbij het individu een toestand van geluk kan bereiken door een leven vervuld van inspirerende zingeving en bijbehorende waarden. Volgens mij is de hoogste fase van persoonlijke ontwikkeling die een mens kan bereiken, gerealiseerd wanneer men leeft in diep geluk, in waarheid en met compassie. Dit zijn mijns inziens de onherleidbare elementen van de hoogste staat van persoonlijke groei. Van belang is dat al deze drie zaken positief op elkaar inwerken. (Geluk staat in dit rijtje apart omdat het vooral een resultante is van het nastreven van waardevolle zaken. Naar waarheid en compassie kan gestreefd worden, maar het is niet productief en zinvol om direct naar geluk te streven. Geluk moet eerder als een beloning en aanwijzing gezien worden dat men goed bezig is.)

Diep geluk onderscheidt zich van gewoon geluk in dat ze duurzaam is, wat veronderstelt dat ze stevig verankerd is. Voor een stevige verankering is het van belang dat geluk slechts beperkt afhangt van wat we hebben, want dat kunnen we immers ook weer kwijtraken. Evenzeer is het van belang dat het niet al te zeer afhankelijk is van zaken die we niet of slechts beperkt kunnen beïnvloeden. Overgave is zo een centraal element van duurzaam geluk. Geluk heeft zowel een actieve als een passieve component; het omsluit zowel het praktiseren van waardevolle activiteiten, vanuit zelfgekozen doelen en waarden, als het in staat zijn om te genieten.

Geluk wordt echter pas echt waardevol wanneer ze niet illusoir en dus waar is (al moeten we erkennen dat dé waarheid vaak niet gekend kan worden, we kunnen er tenminste naar streven). Dat geluk en waarheidsvinding samen dienen te komen, wordt wel betwist. Sommige psychologen menen dat het belangrijk is voor ons welzijn om met enkele illusies te leven. Dit lijkt aannemelijk. Wie zijn illusies moet prijsgeven, zal dat als een pijnlijk verlies ervaren; de waarheid kan pijn doen, zeker als dit het zelfbeeld betreft. Ook is bekend dat optimistische mensen met een nogal rooskleurig zelfbeeld minder snel depressief raken dan realistisch of pessimistisch ingestelde mensen. Toch valt er volgens sociaal-psycholoog Mark Leary veel voor te zeggen om te streven naar een zo waarheidsgetrouw mogelijk zelfbeeld in plaats van te leven in illusies (Leary, 2004:71). Meer zelfkennis leidt tot minder verkeerde keuzes. Verder leiden illusies over het zelf niet tot zelfverbetering. Ook geldt volgens Leary dat voor personen die in illusies dat ze "mogelijk niet in staat zijn om te bevatten wat er verkeerd is, hoewel ze een vaag gevoel van spanning en onvrede hebben". Het verlies aan geluk door de correctie op het zelfbeeld, kan dus gecompenseerd worden door nieuw geluk.

Waarheid leidt niet alleen tot bestendiger geluk; mensen die diep geluk ervaren, zijn ook minder bevreesd voor de buitenwereld en haar oordelen. Ze hoeven zich niet af te schermen van situaties en oordelen die hun geïnflateerde zelfbeeld en opvattingen dreigen te ondergraven. Ze nemen een meer open houding aan. Bovendien; hoe meer we leren over de wereld, hoe meer we haar op waarde schatten en daar kunnen we ook geluk uit ontlenen. Kennis leidt niet alleen tot macht, maar ook tot ontzag, bewondering en uiteindelijk dankbaarheid, allemaal factoren die aan geluk bijdragen.

Zonder compassie of betrokkenheid op het welzijn van anderen, is het getransformeerde zelf nog niet werkelijk boven zichzelf uitgestegen. Compassie ligt in het verlengde van een gevoel van verbondenheid, uiteindelijk met de wereld, een belangrijke notie in het spirituele denken. Vanuit die verbondenheid verwatert idealiter het onderscheid tussen egocentrisme en altruïsme. Compassie impliceert de wil tot hulp en geven. Idealiter wordt er dan niet gegeven met pijn, maar vanuit een vanzelfsprekendheid die niet als een opoffering gezien wordt, maar als overgave waar men zich in volle en positieve overtuiging achter schaart. Van belang is dat de relatie van het getransformeerde zelf met de wereld niet alleen instrumenteel is, maar ook voortkomt uit waarden en principes, zoals rechtvaardigheid die zin geven aan ons gedrag. In een wereld met alleen instrumentele relaties is het niet prettig leven.

Compassie staat in relatie tot zowel geluk en waarheid. Gelukkige mensen zijn meer bereid anderen te helpen, zo heeft onderzoek aangetoond, en omgekeerd is aangetoond dat wie helpt vanuit medeleven daar ook gelukkiger van wordt (ook wel "helpers high" genoemd). Diep geluk in combinatie met compassie is zo meer dan emotie, of een toestand van welzijn, het is het resultaat van een goed en bloeiend leven waarvan zinvolle activiteit, zielsrust en deugdzaamheid constituenten zijn. De oude Grieken hadden dit reeds al door en noemden deze hogere vorm van geluk eudaimonia. Het gaat om plezier beleven aan goede dingen. Een rijk leven is meer dan luxe en comfort, maar wordt door hogere waarden bepaald, waardoor het benepen zelf ontstegen wordt. In de woorden van de 19e eeuwse filosoof John Mill: “beter een ontevreden Socrates dan een tevreden varken.” Tenslotte de relatie met waarheid. Daden van compassie dienen nooit alleen op gevoel genomen te worden; eveneens van belang is te onderzoeken wat de ander het beste helpt en wat deze nodig heeft (waarheidsvinding). Het gaat niet om goede bedoelingen alleen, maar om effectiviteit. Omgekeerd geldt dat wie naar kennis zoekt en zich openstelt, ook meer lijden zal ontmoeten, wat tot meer compassie leidt.

In de volgende bijdragen zal bezien worden in hoeverre en op welke wijze de nieuwe spirituele stromingen (zoals gezegd in brede zin begrepen) bijdragen aan verlichting en verheffing. Hoe worden we gelukkiger, raken we meer betrokken en kunnen we de werkelijkheid zien én accepteren zoals deze is? Dat zijn volgens mij de kernvragen waar de moderne levensfilosofie, psychologie en spiritualiteit een antwoord op moeten hebben. Eerst zal echter ingegaan worden op de metafysica wat in dit denken voorkomt. Wat is het wereldbeeld van het neospiritualisme?

bronnen:

-Mark Leary (2004). The curse of the self.

zie ook www.curseoftheself.com

-Maarten Meester (2008). Nieuwe spiritualiteit