de psychologie van het goede leven
Tot een jaar of 15 geleden was er binnen de psychologie nog maar weinig aandacht voor het bevorderen van geestelijk welzijn. Psychologen keken alleen naar problemen die het dagelijks functioneren ontregelen. Interventies gericht op het activeren en stimuleren van het menselijk potentieel en persoonlijke groei stonden nauwelijks centraal. De mens werd gereduceerd tot een probleem, waarbij er nauwelijks aandacht is voor het positieve functioneren en de ontwikkeling daarvan. Nog steeds is de probleemgerichtheid van de de klinische psychologie dominant, maar het afgelopen decennia is er een gestaag groeiende aandacht voor het bevorderen van positieve krachten, in plaats van het tegengaan van negatieve. En dat is een belangrijke aanvulling, want de resultaten van de probleemgeoriënteerde benadering blijken dikwijls tegen te vallen. Zo blijkt 50% van de cliënten binnen 5 jaar terug te vallen in een depressie. En psychoanalyse is vanwege onvoldoende bewezen effecten uit het zorgpakket gehaald. Als reactie op de klinische psychologie ontstond eind jaren '90 onder aanvoering van Martin Seligman de positieve psychologie die niet uitgaat van de problemen van mensen maar van wat ze wel kunnen (interessant en niet toevallig is dat het discours van zelfredzaamheid en uitgaan van eigen kracht tegelijk ook opgeld deed in de politiek zoals bijvoorbeeld zichtbaar wordt in een activerender sociaal zekerheidsstelsel en een terugtredende overheid).
Intussen is de positieve zienswijze gemeengoed geworden, getuige de vele psychologische interventies die op deze nieuwe theorieën gebaseerd zijn. Hoewel deze ontwikkeling vooruitgang betekent, is ze echter niet zonder risico's. Bohlmeijer en Westerhof (2011) stellen bijvoorbeeld dat aanhangers van de positieve psychologie de maakbaarheid van het geluk overschatten. Door anders te denken en andere keuzes te maken ligt het geluk binnen handbereik als men maar echt wil, zo is de premisse van de positieve psychologen. Dit uitgangspunt strookt goed met het geïndividualiseerde maakbaarheidsdenken dat kenmerkend is voor de laatmoderne samenleving waarin mensen hun leven als een project zien dat moet en kan slagen. De gevolgen van de overschatting van de maakbaarheid van het eigen geluk laten zich raden: schuldgevoel, zelfverwijt, neerslachtigheid en naar anderen toe blaming the victim. De psychologie zou dan ook een derde weg moeten inslaan tussen de overspannen verwachtingen van de positieve psychologie en de beperkte probleemfocus van de klinische psychologie. Een psychologie van de levenskunst noemen Bohlmeijer en Westerhof deze derde weg, waarin rekenschap wordt gegeven van het feit dat niet alles maakbaar en controleerbaar is, maar waar leed aanvaard wordt en gekeken wordt hoe daar het beste mee om te gaan.
Het gaat om een benadering met een integrale visie op de persoon en diens sociale omgeving waarin zowel elementen vanuit de traditionele als de positieve psychologie in terugkomen met erkenning van beider beperkingen. Een psychologie van de levenskunst richt zich op het goede leven (wat genoemde auteurs een leven in geestelijke gezondheid noemen). De vraag naar het goede leven is van oorsprong een vraag die door filosofen gesteld is en sinds enige tijd weer volop in de belangstelling staat door de heropleving van de levensfilosofie. Maar ook in de psychologie, zo blijkt uit lezing van het boek van Bohlmeijer en Westerhof, is er de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar de inhoud en betekenis van een goed leven. Het is interessant dit onderzoek nader te bekijken, omdat in tegenstelling tot de filosofie hier ook empirisch bewijs voor theorieën wordt geleverd. Psychologisch onderzoek laat zien dat pas van een goed leven (dat wil zeggen waarin mensen geestelijk welzijn ervaren) gesproken kan worden als er zowel sprake is van een zekere mate van geluk, zelfrealisatie en maatschappelijke integratie. Hieronder zal ik nader ingaan op deze componenten van het goede leven.
geluk
Geluk wordt in de wetenschap doorgaans gemeten als het subjectief ervaren welbevinden dat gepaard gaat met positieve emoties en een positieve evaluatie (in het laatste geval wordt ook wel gesproken van levenstevredenheid). Geluk heeft dus zowel betrekking op gevoelens als cognitie. Onderzoek heeft uitgewezen dat 40 tot 50% van de gelukservaring (door positieve gevoelens) genetisch bepaald is slechts ongeveer 10% bepaald wordt door omstandigheden zoals het hebben van werk en een relatie (het is moeilijk te geloven dat bijvoorbeeld chronische eenzaamheid zo'n lage impact heeft op het geluksniveau). Dit suggereert dat we in potentie zo'n 40 procent van ons geluk in eigen handen hebben. Niet zozeer de feitelijke situatie, maar de interpretatie en de omgang daarmee is bepalend voor persoonlijk geluk. Terecht stellen Bohlmeijer en Westerhof dat dit niet betekent dat we de die 40% "vrij geluk" ook geheel kunnen realiseren; ook de manier waarop we situaties beleven is niet geheel stuurbaar. Het ene individu komt daar verder mee dan het andere. Verder lijkt er over de levensloop sprake te zijn van een zekere stabiliteit van de gelukservaring. Na tijdelijke oplevingen of dalingen, tendeert het geluksniveau terug naar een constant basisniveau dat per individu verschilt. Wie de lotto wint, zal uiteindelijk toch weer terugvallen na zijn basis geluksniveau, net zo goed als dat tegenslag slechts een tijdelijk dempend effect heeft. Wat hierbij een rol speelt is dat we ons gelukkig doorgaans goede ervaringen beter herinneren dan slechte. Toch laat onderzoek ook zien dat ingrijpende gebeurtenissen, zoals het overlijden van een geliefde, ook permanent het individueel geluksniveau kunnen beïnvloeden. Het blijkt dat het geluksniveau in individualistische landen gemiddeld hoger ligt dan in collectivistische culturen en dat Nederlanders behoorlijk gelukkig zeggen te zijn.
Bohlmeijer en Westerhof maken geen onderscheid tussen geluk en genot. Het laatste betreft gedrag gericht op zinneprikkeling (eten, muziek luisteren, seks) en stimulatie van de genotscentra (drinken) met het doel om direct positieve gevoelens te genereren. De positieve gevoelens die met genot gepaard gaan, vinden hun fysiologische basis in de genotscentra in het brein. De evolutie heeft ervoor gezorgd dat gedrag dat de overlevingskansen van individuen vergroot positief beloond wordt. Deze ervaringen gaan samen met positieve affecten en subjectief welbevinden. Recent onderzoek heeft aangetoond dat pijnervaringen deels gebaseerd zijn op dezelfde neuronen als genotservaringen. Het gezegde pijn is fijn klopt dus. Hoe kunnen sommige vormen van pijn toch genotsvol zijn (denk aan sadomasochisme, gepeperd eten, maar ook zelfmutilatie)? Wellicht is het de sensatie van intens leven, van dat er iets belangrijks gebeurt, van spanning. Bij zelfmutilatie speelt iets anders: het toebrengen van fysieke pijn leidt af van mentale pijn en maakt dit concreter. Maar hier zal eerder sprake zijn van het verminderen van negatieve gevoelens dan het opwekken van positieve, tenzij straf gezien wordt als loutering wat soms het geval is.
Bij genot is er het risico van overprikkeling van de genotscentra door verslaving. Kenmerkend voor verslaving is dat genot dwangmatig wordt nagejaagd om negatieve gevoelens te vermijden; genot gaat dan niet langer gepaard met positieve gevoelens. Genot levert ook alleen geluk op korte termijn op; voor duurzamer geluk (je zou kunnen zeggen echt, existentieel geluk) is een oriëntatie op zelfrealisatie nodig. Hetzelfde geldt voor ontspannende activiteiten die gericht zijn op vermaak zonder zelfactualisatie (en dit ook doelbewust niet nastreven zoals een avondje tv kijken "met het verstand op nul")
zelfrealisatie
De ervaring van positieve gevoelens is niet de enige determinant van het goede leven. Waar het bij geluk om emotioneel welbevinden als een subjectief ervaren toestand gaat, gaat het bij zelfrealisatie om het functioneren van het individu volgens bepaalde psychologische en normatieve standaarden. Zelfrealisatie werd al door Aristoteles gelijk gesteld met het goede leven, dat volgens hem bestaat in deugdzaamheid en het streven naar excellentie. Menselijke bloei of eudemonia zou het menselijk streven moeten zijn. Moderne theorieën over zelfrealisatie bouwen voort op deze zienswijze. Volgens Waterman staat in de eudemonische theorie het individuele streven naar vervolmaking in overeenstemming met de eigen mogelijkheden centraal. In zijn onderzoek gebruikt hij het begrip persoonlijke expressiviteit als synoniem voor eudemonia en beschrijft dit als de ervaring zichzelf te zijn en zichzelf te realiseren bij het uitvoeren van activiteiten. Hij vond dat dergelijke ervaringen gepaard gaan met geluksgevoelens. Csikszentmihalyi legt met zijn begrip flow meer de nadruk op de aansluiting van persoonlijke vaardigheden op de uitdaging die een situatie biedt. Flow is een bewustzijnstoestand die weliswaar niet gelijk is aan een staat van gelukzaligheid, maar wel gepaard gaat met positieve gevoelens. Het betreft een vernauwing van aandacht op een duidelijk doel, zodat we helemaal opgaan in de activiteit gericht op dat doel. Flow doet zich voor als uitdagingen groot zijn en persoonlijke vaardigheden tot het uiterste worden gebruikt. Volgens Csikszentmihalyi leiden sommige activiteiten eerder tot flow: (1) er is sprake van concrete doelen en regels; (2) de doelen zijn haalbaar, (3) er is duidelijke informatie over hoe goed we het doen; (4) er is geen afleiding zodat concentratie mogelijk is.
In sommige religieuze en esoterische tradities zoals het boeddhisme en het taoïsme wordt sterk de nadruk gelegd op onthechting als het doven van de wil. Dit is een lastige opgave als bedacht wordt dat de basistoestand van de geest uit wanorde bestaat. Als we niets doen, beginnen onze gedachten alle kanten op te gaan, als een wild paard. Zonder prikkels, in solitaire gevangenis bijvoorbeeld, gaan mensen na verloop van tijd hallucineren. Csikszentmihalyi legt uit dat dit evolutionair te verklaren valt: als we tevreden zouden kunnen zijn met gewoon alleen te zitten en denken aan plezierige dingen, wie zou dan nog op vlees jagen, maatregelen tegen gevaren nemen en voedsel verzamelen? Het is dan ook nog eens zo dat als we niets te doen hebben, onze gedachten juist naar negatieve dingen uitgaan. Ook dat valt goed te begrijpen, aldus Csikszentmihalyi. Ten eerste omdat het leven nu eenmaal uit meer negatieve (en neutrale) dingen bestaat dan positieve en ten tweede vanwege het evolutionaire voordeel. Door negatieve dingen en risico's te overdenken vermijden we schade in de toekomst omdat we voorzichtiger worden en voorzorgsmaatregelen treffen. Helaas blijkt deze evolutionaire functie een loden last in de praktijk en reden voor veel vluchtgedrag. Het is dan ook goed als we informatie en heldere doelen hebben, zodat we niet overgeleverd zijn aan de vaak pijnlijke innerlijke stormen. De geest heeft input en uitdaging nodig om zichzelf geordend te houden. Meditatie kan de mens leren het innerlijke wilde paard tot rust te brengen, maar het is eenvoudiger om je te richten op externe activiteiten, ook al omdat we niet de hele tijd in meditatieve toestand kunnen doorbrengen, zo dit al wenselijk is. Het is dus goed voor de geestelijke gezondheid en het individueel welbevinden als we ons toeleggen op uitdagende activiteiten die ook in bredere zin als zinvol beschouwd kunnen worden.
Deci en Ryan hebben een iets andere benadering van zelfrealisatie geopperd met hun zelfdeterminatietheorie dat gebaseerd is op de aanname dat mensen actieve, op groei gerichte organismen zijn. Zij beschouwen zelfrealisatie als de vervulling van algemene, menselijke behoeften, zogenaamde intrinsieke behoeftes die universeel zijn en niet herleidbaar zijn tot meer algemene behoeftes. In hun werk onderscheiden zij drie basisbehoeften: autonomie, verbondenheid en competentie: " Autonomie verwijst naar de ervaring dat iemand activiteiten kan kiezen, beslissingen kan nemen en gedrag kan reguleren in overeenstemming met de eigen doelen. Bij competentie gaat het om de perceptie dat het eigen gedrag resulteert in de bedoelde uitkomsten en effecten. Verbondenheid verwijst tot slot naar een basisbehoefte om intieme relaties met anderen te hebben." (B&W: 70). Over het aantal basisbehoeften bestaat overigens nog geen wetenschappelijke consensus. Andere auteurs onderscheiden bijvoorbeeld veel meer basale behoeften. Uit empirisch onderzoek blijkt wel dat naarmate doelen die nagestreefd worden meer gerelateerd zijn aan de drie basisbehoeften van Deci en Ryan, dit tot meer welzijn leidt. Doelen die minder gerelateerd zijn aan deze basisbehoeften zoals materieel bezit, financieel succes en beroemdheid leiden tot minder geluk. Ook de reden waarom mensen doelen nastreven is volgens de zelfdeterminatietheorie van belang. Intrinsiek gemotiveerd gedrag waarbij het erom gaat dat het gedrag zelf interessant en plezierig is en niet gedaan wordt omwille van een bepaald doel, levert meer welzijn op dan extrinsiek gemotiveerd gedrag waarbij dat laatste wel het geval is. Bij extrinsiek gemotiveerd gedrag moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het behalen van beloning of het vermijden van straf, het bevestigen van een zelfbeeld en het vermijden van schuld en schaamte. De vervulling van de drie basisbehoeftes draagt bij aan een proces van internalisatie, waarbij gedrag steeds meer intrinsiek gericht is en geïntegreerd is in het persoonlijk waardesysteem. Door uit te gaan van de basisbehoeftes, leert men zich te richten op wat echt belangrijk is. Recent onderzoek heeft laten zien dat mensen die meer mindful leven meer intrinsieke en minder extrinsieke aspiraties hebben en minder discrepanties ervaren tussen wat ze hebben en wat ze willen. Wat deze theorieën duidelijk maken is dat een essentieel onderdeel van het goede leven erin bestaat dat we moeten onderzoeken of we de juiste wensen hebben. We dienen ons af te vragen of onze wensen passen bij onze mogelijkheden (zijn ze haalbaar en uitdagend genoeg), of we ze als zinvol ervaren in het licht van de persoon die we willen zijn, of we ze bovenal intrinsiek nastreven (en niet toch vooral om erkenning te krijgen) en of we ze autonoom gekozen hebben.
Een laatste belangrijke theorie over zelfrealisatie is die van Carol Ryff. Zij beschrijft eudemonia als een proces van zelfrealisatie, waarbij gestreefd wordt naar excellentie gebaseerd op het unieke persoonlijke potentieel. Ryff onderscheidt op basis van uitgebreide literatuurstudie zes dimensies van zelfrealisatie:
Je zou zelfrealisatie ook in termen van type activiteiten met doelen kunnen opdelen. Ik kom dan enerzijds tot activiteiten gericht op persoonlijke groei met duurzaam geluk als doel waarbij het gaat om zaken als zelfinzicht, zelfsturing, vrijer worden, spirituele ontwikkeling, enz en anderzijds activiteiten gericht op productie. Bij het laatste kan het gaan om externe doelen (het leveren van goederen en diensten op het werk) of zuiver interne doelen (hobby's); sommige doelen hebben zowel interne als externe aspecten zoals de kunstenaar die een vrije opdracht uitvoert. Ten derde kunnen sociale activiteiten onderscheiden worden waarbij betrokkenheid de centrale waarde is, variërend van activiteiten voortkomend uit maatschappelijk engagement tot zorg voor een naaste. Veel sociale activiteiten hebben naast zelfactualisatie ook hedonistische aspecten (uitgaan met vrienden), of dragen ook bij aan maatschappelijke integratie (met anderen inzetten voor een goed doel).
De dimensies van zelfrealisatie van Ryff blijken verschillend verdeeld over bevolkingsgroepen. Ouderen scoren bijvoorbeeld hoger op autonomie en omgevingsbeheersing, maar lager dan jongeren op persoonlijke groei en doelgerichtheid. Dat laatste valt wellicht te verklaren doordat carrière maken voor ouderen en het opbouwen van het leven minder centraal meer staan. Autonomie vergt verder een leerproces; naarmate het ego voldoende krachtig is, neemt het belang van erkenning af en is ego-ontstijging mogelijk, waardoor meer autonomie mogelijk wordt. Een hogere sociaaleconomische status blijkt op alle dimensies van zelfrealisatie tot hogere scores te leiden. Misschien omdat een hogere opleiding, de operationalisatie van sociaaleconomische status in het betreffend onderzoek, meer kansen biedt op werk met meer carrièreperspectief (wat uitnodigt tot meer doelen en persoonlijke groei) en autonomie. Dat leidt weer tot een grotere ervaring van omgevingsbeheersing en meer positieve zelfevaluaties. Hoger opgeleiden blijken ook gelukkiger in persoonlijke relaties.
maatschappelijk functioneren
Ook het optimaal functioneren van het individu in maatschappelijk verband is van belang voor een goed leven. Er blijkt in Nederland veel discrepantie tussen het individueel en maatschappelijk welbevinden. Waar de gemiddelde tevredenheid met de eigen situatie volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau tegen de 7,5 ligt, ligt de tevredenheid met de samenleving net boven de 6 en die met de politiek rond de 5. Het blijkt dat een hogere opleiding gerelateerd is aan meer tevredenheid met de maatschappij. Corey Keyes ontwikkelde een kader om het maatschappelijk welbevinden te onderzoeken. Hij omschrijft dit construct als de individuele ervaring en beoordeling van het eigen publieke of maatschappelijke functioneren. Keyes komt op basis van literatuuronderzoek tot vijf dimensies van sociaal welbevinden:
Studies laten zien dat ouderen hoger scoren op sociale acceptatie en integratie dan jongeren, maar dat jongeren weer hoger scoren op sociale coherentie en contributie. Ook hier gaat een hogere sociaaleconomische status gepaard met hogere scores op alle dimensies.
De relatie tussen de drie bronnen van het goede leven
We hebben al geconstateerd dat geluk en eudemonia met elkaar samenhangen. Activiteiten gericht op zelfrealisatie leiden vaak tot geluk. Het zou echter verkeerd zijn om geen onderscheid te maken tussen beide. Aristoteles heeft al terecht gezegd dat het najagen van plezier en genot niet de weg is naar een goed leven. Het gaat om een goed leven en niet alleen om het ervaren van zo veel mogelijk goede gevoelens. Dit punt is hier ook al aan de orde geweest. Hoewel er een verband bestaat tussen geluk/subjectief welbevinden en zelfrealisatie en maatschappelijk functioneren, blijft een theoretisch onderscheid van belang. Ten eerste omdat deze componenten van het goede leven in hoge mate onafhankelijk zijn. Iemand kan heel goed plezier ontlenen aan activiteiten waar zelfrealisatie of maatschappelijke integratie geen rol spelen. Andersom geldt dat zelfrealisatie niet noodzakelijk tot geluk en tevredenheid leidt. Studeren of oefenen op een instrument is niet altijd plezierig. Eerder werd al gesteld dat individueel en sociaal welbevinden vaak niet samengaan.
Ten tweede wijzen Bohlmeijer en Westerhof erop dat theorieën over emotioneel welbevinden de nadruk leggen op het maximaliseren van positieve ervaringen en het minimaliseren van negatieve gevoelens en ervaringen. In theorieën over eudemonisch welbevinden wordt dit laatste echter niet als doel gezien. In dergelijke theorieën komt juist de actieve omgang en het accepteren van moeilijke levensomstandigheden aan bod. Deze noties worden ook empirisch ondersteund. Factoranalyse wijst uit dat het onderscheid tussen de drie componenten van het goede leven valide is. Weer ander onderzoek bevestigt de relatieve onafhankelijkheid van de componenten van het goede leven. Er blijken ook grote groepen te zijn met een hoog emotioneel welbevinden, maar een laag psychologisch welbevinden of andersom. Alle combinaties blijken voor te komen. Extraversie, een hogere opleiding en emotionele stabiliteit (afwezigheid van neuroticisme) blijken vaker samen te gaan meyt hoge scores op alle drie de componenten.
Ook blijkt het dat de aanwezigheid van een psychische stoornis niet per se samengaat met de afwezigheid van welbevinden (22%). Tegelijk is 1 op de 8 mensen laag scorend op alle aspecten van het goede leven zonder dat ze een psychische stoornis hebben. Geestelijke ziekte en geestelijke gezondheid zijn weliswaar aan elkaar gerelateerd, maar hebben ook een relatieve onafhankelijkheid van elkaar. Een goed leven blijft een mogelijkheid voor mensen met een psychische stoornis. Interessant is verder de bevinding dat de groep met een slechte geestelijke gezondheid (d.i. geen goed leven leidt volgens de gehanteerde criteria) net zo slecht functioneert als mensen met een psychische ziekte.
In onderzoek uit 2005 werd verder bewijs gevonden dat activiteiten die gericht zijn op ontspanning en plezier consistent samenhangen met positieve affecten, terwijl dat niet geldt voor activiteiten gericht op ontwikkeling of een ideaal. Maar mensen die sterk gericht zijn op hedonistische activiteiten ondervinden hiervan weinig langdurige effecten, terwijl eudemonische activiteiten zorgen voor een groei aan emotioneel welbevinden, dat wil zeggen duurzamer geluk. Tegelijk is ook in ander onderzoek naar voren gekomen dat positieve affecten een zelfstandig effect hebben op het individueel functioneren in domeinen als werk en sociale relaties. Gelukkige mensen zijn effectiever. Geluk of emotioneel welbevinden leidt ook tot een grotere kans op goed lichamelijk functioneren, een goede gezondheid en een langer leven.
Tot besluit
Een vraag die Bohlmeijer en Westerhof niet bespreken, hoewel ze dit wel descriptief aan de orde stellen, is waarom mensen binnen dezelfde cultuur verschillen in het belang dat ze hechten aan de drie componenten van het goede leven. Waarom zijn sommige mensen bijvoorbeeld hedonistischer ingesteld dan anderen? Veel factoren spelen hier een rol en een antwoord op deze vraag is onvermijdelijk deels speculatief. Een belangrijke verklaring zijn waarschijnlijk verschillen in karakter. Ik vermoed dat extraverte mensen gemiddeld meer hedonistisch zijn ingesteld. Dit hoeft niet te komen doordat ze zelfactualisatie minder belangrijk vinden, maar ze zijn meer sociaal ingesteld en sociale activiteiten (zoals uitgaan, feesten) vaak een hedonistische component met zich meebrengen. Geldingsdrang is een andere factor (die overigens sterk samenhangt met extraversie en een biologische basis vindt in de hormoonhuishouding). Een andere karaktereigenschap (uit de Big Five) die denk ik relevant is, is openheid (openness). Mensen die hoog scoren op deze karaktertrek zijn leergieriger van aard en staan relatief meer open voor nieuwe kennis en ervaringen. Zij zullen minder tevreden zijn met een sterk hedonische levensstijl en willen zich breder oriënteren en ontwikkelen. Talent is een andere belangrijke factor. Hoe meer talenten iemand heeft (intelligentie, creativiteit, etc.), hoe meer hij deze wil ontplooien. Mensen met weinig talenten zullen minder geneigd zijn (ook om frustraties te voorkomen) om zich veel op zelfactualisatie toe te leggen. Hun levensstijl blijft daarom relatief sterk hedonistisch van aard over de levensloop. Een dergelijke levensstijl herbergt dikwijls wel een triest element van resignatie in zich. Veel mensen zouden zich wel willen ontwikkelen, maar ze zien zich door ervaring wijs geworden hierin beperkt en geven hun ambities op. Hoge intelligentie en sociaaleconomische status leiden echter, zo heb ik ervaren, lang niet altijd tot meer nadenken, en ruimere interesses. Genoeg (vooral jongere) academici met een oppervlakkige, hedonistische levensstijl. Hun intellectuele uitdaging blijft beperkt tot hun werk. Dit kan echter veranderen gedurende de levensloop onder invloed van ingrijpende levenservaringen of ontmoetingen met significante anderen. Naast persoonlijke ervaringen is de opvoeding uiteraard ook van belang voor de persoonlijke invulling van het goede leven. Wie opgroeit met veel cultureel kapitaal in een gezin waarin zelfactualisatie centraal staat, zal op latere leeftijd waarschijnlijk minder hedonistisch leven dan mensen die uit een gezin komen waar 's avonds alleen gegeten, gedronken en tv gekeken wordt.
Een hedonistische levensstijl (met Paris Hilton als prototype) is meestal niet werkelijk bevredigend, zo hebben we geconcludeerd, omdat ze geen duurzaam geluk oplevert. Juist door de afwezigheid daarvan, houdt de hedonist echter zijn levenswijze in stand, telkens op zoek naar nieuwe bevrediging om het gelukstekort te vullen, dikwijls met hulp van kunstmatige middelen als drugs, drank en tabak. Veel hedonistisch georiënteerden hebben geen besef dat een andere levenswijze hen wellicht gelukkiger kan maken. Of ze hebben dat besef wel af en toe, maar het is te weinig concreet, aanwezig en actiegericht om de levensstijl aan te passen; een "externe schok" is noodzakelijk. Ook vooroordelen spelen een rol. Hedonisme en nihilisme gaan vaak samen op, is mijn indruk. Men meent dat er weinig nieuws onder de zon is en voegt zich afwisselend naar externe normen (status, bezit) en hedonische ontspanning. Hedonisme is ook vaak een vlucht van de werkelijkheid, om problemen niet onder ogen te hoeven zien, terwijl de levenskunstenaar zijn leed juist wel toelaat en dit in het beste geval zelfs creatief kan aanwenden.
Ieder mens is vrij om zelf invulling te geven aan zijn conceptie van het goede leven, zolang hij daar anderen niet in hindert. Op basis van het besproken en ander psychologisch onderzoek kan wel gesteld worden dat het goede leven voor iedereen een minimale hoeveelheid geluk, zelfrealisatie en maatschappelijk functioneren zal moeten bevatten om duurzaam geluk mogelijk te maken en te kunnen spreken van een goed leven. Wie alleen maar op zelfrealisatie gericht is en nooit ontspant of genot zoekt, kan onmogelijk gelukkig zijn, net zomin als een puur hedonistische levenswijze gelukkig maakt. Het zou echter te ver gaan om geluk, zelfrealisatie en maatschappelijke integratie tot absolute normen te verheffen. Gelukkig zijn is al een norm in onze maatschappij en dat is niet iets wat positief gewaardeerd moet worden; het zorgt ervoor dat mensen leed niet meer accepteren en zich voortdurend bewust zijn van het (heel gewone) gebrek aan geluk. Eerder is al geconstateerd dat het individuele maakbaarheidsidee uiterst schadelijk is. Hiertegenover stellen Bohlmeijer en Westerhof terecht het ideaal van levenskunst waarbij acceptatie van en omgaan met leed centraal staat. Het najagen van genot leidt verder tot het gevaar van verslavingen die helemaal geen geluk opleveren; het maskeert soms ook psychologische behoeften. Een zekere mate van zelfrealisatie is wenselijk, maar ook hier geldt overdaad schaadt. Wie te streng voor zichzelf is, zal overspannen en gefrustreerd raken. Zelfrealisatie heeft een dosis zelfcompassie nodig. Er zijn voorbeelden van mensen die pas geluk kunnen ervaren als ze voldoende geproduceerd en hard gewerkt hebben omdat hun zelfbeeld wankel is en daarbij ook nog een hoge mate van perfectionisme aan de dag leggen. De drangt tot zelfrealisatie komt niet zelden voort uit gevoelens van inferioriteit die opgeheven moeten worden zoals de psychoanalyticus Alfred Adler stelde. In plaats van actief te zijn, zou het dan wellicht beter zijn meer aandacht te besteden aan zelfacceptatie (dat zoals Ryff inzag ook als onderdeel van zelfrealisatie gezien kan worden). En maatschappelijke integratie? We hebben als burgers bepaalde morele verplichtingen, maar is het bijvoorbeeld altijd nastrevenswaardig om je goed te voelen in de gemeenschap waarin je bent grootgebracht, is verzet tegen de sociale omgeving soms niet op zijn plaats?
De psychologie biedt belangrijke inzichten over wat een geestelijk gezond en goed leven bepaalt. Dit biedt stof tot nadenken over hoe het eigen leven ervoor staat en of er wellicht bijsturing nodig is op bepaalde facetten. Gelukkig is de psychologie allang niet meer alleen dienstig aan mensen met psychische stoornissen, maar is er ook meer aandacht voor preventie hiervan en zijn er veel interventies ontwikkeld om ook mensen zonder stoornissen die redelijk tot goed functioneren, maar toch tegen (existentiële) vragen en problemen aanlopen en gewoon leed ervaren, te helpen hun geestelijke gezondheid te verbeteren. Dat is waar de psychologie van de levenskunst zich op richt: "het gaat erom in het alledaagse leven te herkennen wat in een bepaalde situatie en op een bepaald moment belangrijk en noodzakelijk is om te doen" (W&B:123). Bij levenskunst gaat het om het inzicht wanneer vechten tegen leed moet overgaan in aanvaarding. Ten slotte gaat het erom een juiste balans, voor ieder individu verschillend, te vinden tussen de verschillende componenten van het goede leven. Hoe dat kan, laten Westerhof en Bohlmeijer deels zien in hun boek. Interessant is ook de cursus Voluit leven van Bohlmeijer die ook in boekvorm verschenen is.
19-6-2011
Bronnen:
-Mihaly Csikszentmihalyi-The evolving self (1993)
-Gerben Westerhof en Ernst Bohlmeijer-Psychologie van de levenskunst (2011).