ethische harmonie
De hoogste staat die volgens veel spirituele denkers bereikt kan worden is de staat van nondualisme, van een volledig samenvallen met de wereld, een oceanisch gevoel van eenheid. Als dit het streven is, dan veronderstelt dit tenminste dat we moeten proberen in harmonie met andere mensen te leven. Maar ook als innerlijke rust het bescheidener doel is, is een harmonieuze verstandhouding met anderen noodzakelijk. Want wie in onmin en niet in harmonie leeft met de wereld, zal moeilijk vrede kunnen bereiken. Hieronder zal ik ingaan op de vraag wat harmonie tegenhoudt en bevordert. Eerst wil ik echter nog kort stilstaan bij wat het woord "harmonie" nu eigenlijk betekent. Volgens het woordenboek betekent het samenklank, eensgezindheid en goede verhouding. Samenklank verwijst in de eerste plaats naar de muzikale betekenis van harmonie in de zin van een muzikaal zuiver geheel. We kunnen deze betekenis echter ook in sociale zin opvatten. Een harmonieuze samenleving ontstaat wanneer haar leden zich in al hun verscheidenheid toch voldoende richten op een gemeenschappelijk belang en uiting geven aan collectieve normen en waarden. Het fascisme is zo niet harmonieus maar eenvormig. Harmonie veronderstelt juist het op treffende wijze samenkomen van pluriforme eenheden. Of zoals het Romeinse gezegde luidt: e pluribus unum. Hieruit spreekt een eensgezindheid. Deze hoeft echter niet vergaand te zijn; het onderschrijven van enkele basale kernwaarden volstaat. Een dergelijke "gedeelde waardenruimte" wordt zichtbaar in de laatste betekenis van het woord harmonie: goede verhoudingen. Het begrip harmonie is aldus duidelijk ethisch geladen. Je zou ook van ethische harmonie kunnen spreken. Dit om te benadrukken dat harmonie niet altijd goed hoeft te zijn. In goede verhouding en eensgezind zijn met het kwaad, met immorele mensen kan niet aan de orde zijn. Harmonie is een streven dat begrensd wordt door ethische geboden.
Waarom is het goed om te streven naar harmonie met de ander? Omdat het tegendeel leidt tot negatieve energie en emoties die bovendien onze goede natuur ontkent.* Een disharmonieuze verhouding tot de ander en tot de wereld in het algemeen leidt tot negatieve gedachten en emoties die het welzijn verminderen. In het tot uiting brengen van die negativiteit, ontmoeten we in reactie daarop alleen nog maar meer negativiteit, zodanig dat een neerwaartse spiraal dreigt die niet zelden gepaard gaat met destructie en agressie op alle niveaus. We zien dat niet alleen op het niveau van interpersoonlijke verhoudingen, maar ook op het niveau van de maatschappij als geheel. De huidige samenleving is onder invloed van politieke en maatschappelijke krachten sterk gepolariseerd. Groepen staan tegenover elkaar. Polarisatie maakt verschillen zichtbaar en dwingt tot stellingnames. Dit kan op zich heilzaam en democratisch zijn, maar wanneer uit het oog verloren wordt wat mensen bindt, wordt het schadelijk. Als tegenstellingen op ongegronde wijze worden vertekend en vergroot, als wegen tot verbinding en compromis worden gebarricadeerd, is polarisatie een slechte tendens. Wat ik zie als een belangrijk spiritueel streven is om een negatieve relatie met de wereld te vermijden, alhoewel zoals ik later nog zal aangeven ik wel degelijk oog heb voor het negatieve in de wereld, zodanig dat zelfs een zeker pessimisme gerechtvaardigd lijkt. Het gaat er niet om altijd maar zo positief mogelijk te zijn. Dat zou een vreselijk vermoeiende en onrealistische opdracht zijn. Het gaat erom realistisch te zijn, de ander te doorzien, irreele negativiteit te vermijden en de schadelijke gevolgen daarvan te begrijpen.
De verschillende manieren waarop relaties verstoord kunnen raken, waarmee afstand gecreëerd wordt, zijn hieronder weergegeven.
soort verstoring/streven/beeld van de ander
Door van de ander te onttrekken, nemen we hem of haar zijn bezit, tijd of energie af zonder rekening te houden met zijn of haar belangen. Hier is sprake van parasitisme, van een ongezonde afhankelijkheidsrelatie waarbij men de eigen verantwoordelijkheid ontkent. Men dringt zich op, neemt bezit van de ander. Dit kan zowel voortkomen uit een behoefte om aandacht, als om persoonlijke problemen te ontvluchten. In plaats van dat men de eigen problemen onder ogen ziet en hier constructief aan wil werken, vlucht men in de ander. Van een werkelijk beroep om hulp is hier geen sprake. Zo ken ik iemand uit mijn omgeving die met psychische problemen kampt en in plaats van bij haar echtgenoot weer bij haar moeder wil intrekken. Die wil dit echter niet en zegt dat ze professionele hulp moet zoeken, waarop de dochter haar moeder een egoïstische houding verwijt. Maar in werkelijkheid heeft de moeder juist het beste met haar dochter voor. Zie hier meer.
Net als manipuleren is overheersen een vorm van machtsuitoefening, gericht op het bereiken van egocentrische doelen met behulp van de ander die daartoe als middel gereduceerd wordt. Overheersing is de directe vorm, manipulatie de indirecte, de heimelijke. Overheersing (dit kan door dwang, maar ook door chantage) uit zich niet alleen door vanuit een machtspositie de ander dingen te laten doen die schadelijk zijn omdat ze persoonlijke (psyschische/morele/ fysieke) grenzen doorbreken. Ze uit zich ook in dominantie: in het spreken namens de ander, in het onvoldoende ruimte geven voor expressie van de ander in bijvoorbeeld gesprekssituaties. Het gaat bij overheersing zowel om druk uitoefenen, als om ruimte ontnemen. De uiterste vorm van dat laatste is negatie. Het totaal geen ruimte bieden tot expressie en het totaal geen rekening houden met de ander. Paradoxaal genoeg is het druk uitoefenen op de ander tot expressie en tot het aangeven van een mening ook een vorm van overheersing, van dwang. Het gaat erom anderen de ruimte te bieden en als het kan subtiel hen hiertoe te stimuleren, maar dit kan ook zonder hen direct te dwingen een positie in te nemen ten overstaan van anderen.
Manipuleren kan gezien worden als de donkere evenknie van beïnvloeden. Waar dat laatste eerder geassiocieerd wordt met het bewerkstelligen van een overtuiging in de ander ten behoeve van een breder belang of omdat de persoon in kwestie daar zelf baat bij heeft, wordt manipulatie begrepen als gericht op het zodanig bewerken van de ander dat die zo handelt dat de egocentrische belangen van de manipulator worden gerealiseerd. In de praktijk is het onderscheid vaak evenwel niet duidelijk. Een verkoper kan werkelijk geloven dat het voor de klant ook goed is dat hij diens product aanschaft, maar heeft hier toch vooral zelf belang bij. Het eigenbelang staat voorop. Is het dan verkeerd om de ander "iets aan te smeren"? Wel als dit niet in het belang van de koper is. Banken en andere financiële instellingen hebben in die zin zich dus immoreel gedragen. Manipulatie werkt dankzij beloftes. Iedereen zal het ermee eens zijn dat valse beloftes uit den boze zijn, maar het is ook de vraag of oprechte beloftes altijd goed zijn. Zo kunnen mensen verleid worden (door het bieden van geld of spullen) tot het overschrijden van hun eigen grenzen, iets wat ze pas achteraf, als het al te laat is, werkelijk voelen. Van volwassenen mag worden verwacht dat ze hun grenzen goed kennen, maar ook volwassenen kunnen moeilijke situaties of zwakke periodes doormaken en daarvan kan misbruik gemaakt worden. Volgens de westerse boeddhiste Tsultrim Allione gaat het erom mensen te zien zonder de behoefte hen te verleiden. We zouden de "schaduw" van dwangmatige verleiding achter ons moeten laten. Nog steeds kunnen we mensen dan verleiden (en daar de vruchten van plukken), maar dan simpel door er voor hen te zijn. Als je iemand probeert te manipuleren, treedt er een proces van dehumanisering op. Een man die een vrouw tot seks probeert te verleiden past technieken en manouevres toe en ziet de vrouw niet meer als mens, maar als seksueel wezen. Daarmee wordt de kans op betekenisvoller samenzijn, op wederzijds plezier, op verdere openstelling kleiner. En paradoxaal de kans op succes ook. Te opzichtige manipulatie en verleidingstechnieken werken immers niet. Ongeforceerd met de ander omgaan, eerlijkheid (ook over verlangens) en denken vanuit de ander werkt beter. Het doel zou niet moeten zijn manipuleren, maar tonen wat je hebt en wie je bent, zijn in het moment, er zijn voor de ander (en als het om seks gaat zou verleiding een spel van flirten moeten zijn, ongedwongen, niet gericht op de uitkomst). Dan komt de rest vanzelf, of niet. Maar dat is het leven; we krijgen niet altijd wat we willen (in weerwil van wat sommige perfide spirituele auteurs zeggen). Zie hier meer
Afkeer van de ander kent vele oorzaken die ik hier niet zal bespreken. Het kan gaan om irritaties ten aanzien van vreemden, zoals in de supermarkt. Of van mensen op het werk. In uiterste vorm kan afkeer gepaard gaan met een zucht tot vernietiging; dan wordt ze haat. Voor onze innerlijke gemoedsrust is het van belang om onze afkeer van anderen te minimaliseren. Daarom verdient het aanbeveling telkens onze gevoelens van afkeer te onderzoeken. Welke (cognitieve) veronderstellingen liggen ten grondslag aan onze afkeer? Veel afkeer en haat zijn irrationeel omdat ze gebaseerd zijn op vooroordelen. Het donkerste voorbeeld hiervan is wel de jodenhaat zoals die in WOII tot een dieptepunt kwam. Maar niet alleen afkeer jegens groepen is vaak irrationeel, want gebaseerd op verkeerde veronderstellingen. Ook afkeer jegens concrete anderen blijkt bij nadere beschouwing niet altijd terecht. Onze ergernis over de ander vertelt ook veel over onszelf. We ergeren ons vooral aan mensen met eigenschappen die bij onszelf onderontwikkeld zijn en bij de ander juist zeer sterk ontwikkeld. Ergernis komt veelal voort uit het niet accepteren van het anders-zijn, uit het miskennen van het feit dat mensen heel verschillend kunnen zijn. Ze ontstaat wanneer we onze eigen ideeën van wat normaal is als maatstaf nemen van het gedrag van anderen. Juist van mensen waar we ons aan ergeren kunnen we het meeste leren over onszelf; ze kunnen duidelijk maken op welke punten we ons misschien nog kunnen ontwikkelen. Soms kunnen we na onderzoek niettemin tot de conclusie komen dat afkeer toch op zijn plaats lijkt. Voor sommige mensen kun je simpelweg geen sympathie voelen, zoals voor misdadigers. Dan is het goed om eerst onderscheid te maken tussen dader en daad. Die laatste verdient zonder meer scherpe veroordeling. Ten aanzien van de dader mag diens verantwoordelijkheid niet ontkend worden. Tegelijk is het goed om naar de oorzaken te kijken hoe iemand tot diens misdaad is gekomen. Altijd is er sprake van een en vaak meerdere ontsporingen, van een tragiek die de dader op het verkeerde spoort heeft gezet. Het kan gaan om vergiftiging door een inhumane ideologie, maar ook zoiets simpels als een aangeboren hersenafwijking. Veel misdadigers hebben neurologische stoornissen waardoor ze nauwelijks empathie kunnen opbrengen en geen remmingen kennen. Veel misdaden worden begaan vanuit een situatie waarin er een grote druk uitgaat van materialisme en status, maar waarbij dit niet op legale wijze verkregen kan worden. Uiteindelijk maken mensen zelf keuzes. Maar het is goed om de achtergrond van die keuzes te begrijpen, zodat meer overblijft dan afkeer en haat. Zoals mededogen. Aanleg tot het kwaad schuilt in iedere mens; het is maar de vraag hoe je zelf gehandeld zou hebben met dezelfde neurologische aanleg, opvoeding en levend in hetzelfde sociale milieu als iemand die een misdaad heeft begaan. Inleven en onderzoeken zijn de gepaste reacties bij gevoelens van afkeer om de geest helder en het hart zachter te maken.
Angst komt vaak voor in het sociale verkeer. Mensen vrezen het oordeel van de ander, soms specifiek dat van iemand met een scherpe tong, of van iemand met een machtspositie. Angst verstoort de sociale harmonie en leidt tot stress en vluchtgedrag. Veel mensen verharden zich zelf ook als reactie op angstgevoelens. Ze kwetsen de ander voordat deze hen kan kwetsen. Door zich te verharden, wapenen ze zich tegen een mogelijk negatief oordeel en hebben ze het gevoel in control te zijn in de relatie. Maar in werkelijkheid laten ze zich toch leiden door angst. Hoe dan om te gaan met angst? In de eerste plaats door haar toe te laten, te onderkennen. Dat is een voorwaarde om ermee te leren omgaan. De enige manier om dat te doen, is door juist niet te vermijden, maar te oefenen. Dat is een essentie van het boeddhisme; met open vizier alle gedachten, emoties, overtuigingen langs laten komen, zonder er gefixeerd op te raken. De angst kan dan worden toegelaten. Samen met de stemmetjes in je hoofd en het zware gevoel in je onderbuik ga je de confrontatie aan. Face your demons. Het kan ook helpen om situaties die als angstig worden ervaren, voor te bereiden. Bijvoorbeeld door scenario's door te nemen waarin duidelijk wordt hoe je wilt reageren. Een goede voorbereiding leidt tot meer rust en zelfvertrouwen. Dit zijn echter strategieën op een praktisch niveau. Op een dieper, spiritueler niveau gaat het erom de angst uiteindelijk als onbetekenend te zien. Zodanig dat het oordeel van de ander niet meer emotioneel geladen binnenkomt. Het gaat er niet om dat we stellen dat het oordeel van de ander ons niet meer interesseert, dat zou dom en kortzichtig zijn. Het gaat erom opmerkingen open en onbevangen te ontvangen, zonder dat we bevreesd zijn dat dit afbreuk doet aan onze zelfwaarde. Als we onze "Boeddhanatuur" kennen en dus weten dat we het goede in ons dragen en bereid zijn dit ook uit te dragen, is angst niet meer nodig. Het gaat erom in te zien dat bedreigingen voor het ego geen echte implicaties hebben. Heftige reacties op kritiek zijn dan ook niet nodig. We bepalen zelf wat iets met ons doet en laten ons dit niet overkomen. De spirituele mens wil zich ook ontwikkelen en trekt dan ook graag lessen. Hij houdt niet vast aan zijn zelfbeschermend, afwerend ego, maar staat open in de wereld. Vanuit zijn geloof in zijn eigen kracht en goedheid hoeft hij niet meer zonodig door iedereen aardig en erkend te worden, want hij volgt zijn eigen weg en heeft het beste met anderen voor.
wantrouwen verstoort een relatie doordat het negatieve emoties oproept en leidt tot afsluiting en een behoefte aan controle die de voordelen van een relatie in het gedrang brengt. Wantrouwen leidt er toe dat we ons niet durven open te stellen en over te geven. Over het leven, en nog minder over de liefde, denken we liever niet zonder vertrouwen. Dit ondanks dat wantrouwen beide vaak verstoort omdat we het verleden te sterk laten doorklinken, of uitgaan van verkeerde veronderstellingen. Wantrouwen speelt niet alleen tussen personen: ook tussen groepen kan het leiden tot uitsluiting en agressie. Natuurlijk is dit geen pleidooi voor naïef vertrouwen. Het gaat om een authentiek, doordacht vertrouwen waarbij risico's onderkend worden. Vertrouwen als basishouding is van belang om te voorkomen dat we ten prooi vallen aan disharmonie, vervreemding en zelfs paranoia. Authentiek vertrouwen onderkent risico's en kwetsbaarheden, het is als een wantrouwen dat in balans wordt gehouden. Vertrouwen is een standpunt over de wereld. Door de wereld te vertrouwen ben je in staat de verantwoording voor je eigen rol en daden te nemen en erken je tegelijk dat je het resultaat nooit helemaal in eigen hand hebt. In vertrouwen wordt onzekerheid geaccepteerd met een speciaal soort gerustheid. Het gaat hier niet alleen om vertrouwen in persoonlijke relaties, maar ook om een existentieel of kosmisch vertrouwen. Het biedt de grondslag voor zowel ons welbevinden in relaties als in onze spiritualiteit (Solomon, 2004).
Het kan misschien lijken dat de storingen die in relaties kunnen optreden niet voor beide partijen nadelig zijn. Degene die overheerst kan er voordeel bij hebben, net als degene die energie van de ander onttrekt op oneigenlijke gronden. Belangen vallen nu eenmaal niet samen. Wat voor de een goed is, kan de ander schaden. Ik ben er echter van overtuigd dat genoemde storingen voor beide partijen als schadelijk worden onderkend indien men maar de staat van onwetendheid voorbij is. In het boeddhisme wordt vaak over onthechting gesproken. Absolute onthechting is een brug te ver; waar het om gaat is gehechtheid te beperken zodanig dat anderen er geen nadeel van ondervinden, dat het ethische blijft prevaleren. Waar die grens ligt, moet ieder voor zichzelf bepalen. Van belang is wel dat we door ons gedrag ook al snel "onzichtbare anderen" schaden, door het kopen van verkeerde producten bijvoorbeeld. Om deze reden zijn veel boeddhisten gericht op een duurzame levensstijl. Zodra men inziet dat men al te veel verslaafd is aan de wereld van de vormen, er een vertekend wereldbeeld met verkeerde veronderstellingen op nahoudt en daardoor de ander tekortdoet, is verandering voor de meesten nabij. Natuurlijk, inzicht alleen leidt nog noet tot verandering. Daarvoor kan de verslaving, de hechting te sterk zijn, of het alternatief te weinig aansprekend lijken (wat is dan die hogere, vormloze ervaring?). Maar als verandering al mogelijk is, begint het met onderzoek en inzicht.
tot slot
Het bereiken van innerlijke rust kan alleen bereikt worden als we ook in goede verstandhouding met anderen kunnen leven. Dit betekent dat relaties zoveel mogelijk "ontgift" dienen te worden van storende elementen. Die storende elementen komen vaak voort uit verkeerde denkbeelden. De cognitieve gedragstherapie is op dit principe gebaseerd en gaat negatieve emoties tegen door de patiënt te helpen met het doorzien van de foutieve of eenzijdige cognitieve grondslag van die emoties. Deze therapievorm kan dan ook zeer behulpzaam zijn bij spirituele groei. Meer in het algemeen zijn oosterse wijsheid en de westerse psychologie elkaar dicht genaderd. Ik zal hier later nog een keer op ingaan. In dit verband is het ook raadzaam om aan het SQ te werken, het sociaal intelligentiequotiënt. Daniel Goleman (2007) onderscheidde twee vormen van sociale intelligentie, namelijk sociaal bewustzijn (empathie, luisteren) en sociale of relationele vaardigheid. Door meer sociale intelligentie is een betere afstemming op de ander mogelijk, wat spirituele doelen als rust, harmonie en mededogen bevordert.
Bronnen:
-Robert Solomon (2004). Spiritualiteit voor sceptici.
-Daniel Goleman (2007). Sociale intelligentie.
* Voor hier volstaat dat iedere mens beschikt over een Boeddhanatuur, een goede potentie. Dit wordt bevestigd door veel onderzoek uit de laatste jaren (zie bijv. de link in het artikel). Deze goede natuur is evenwel zeer fragiel en onevenwichtig. In die zin klopt het conservatieve adagium dat de mens geneigd is tot het kwade dan ook. Beide stellingen sluiten elkaar niet uit.