de rol van emoties 1
wat zijn emoties?
Een belangrijk doel van spiritualiteit is het verkrijgen van innerlijke rust. Dit veronderstelt goed met emoties kunnen omgaan, oftewel op een evenwichtige wijze uiting geven aan emoties. Dit veronderstelt weer een sterk ontwikkeld emotioneel (waak)bewustzijn. Hieronder wil ik nader ingaan op het thema van emotionele evenwichtigheid en emotionele intelligentie. Daarvoor is het eerst van belang duidelijk te hebben waar we over spreken. In een interessante dialoog tussen Paul Ekman, 's werelds bekendste wetenschapper op het gebied van emoties, en de Dalai Lama wordt dit onderwerp diepgravend besproken. Ekman maakt in het begin van de vele gesprekken die hij voerde met de Dalai Lama duidelijk hoe hij emoties ziet. Emoties hebben volgens hem verschillende kenmerken: (1) ze hebben een signaal, dat wil zeggen ze laten bijvoorbeeld door een gezichtsuitdrukking weten aan anderen wat er in ons gebeurt; (2) ze gaan gepaard met een automatische taxatie. De meeste gebeurtenissen die emotionele reacties uitlokken, worden cognitief getaxeerd als bijvoorbeeld bedreigend of afstotend, hoewel de taxatie doorgaans zo snel en automatisch plaatsvindt dat de betrokkene zich meestal niet bewust is dat hij of zij de taxatie doormaakt. Maar belangrijk is dat niet gebeurtenissen, maar taxaties emoties uitlokken. (3) het derde kenmerk is dat we ons doorgaans nauwelijks bewust zijn van een emotie. Meestal merken we pas achteraf dat we emotioneel waren, of wanneer een ander ons erop wijst, bijvoorbeeld "dat je gewoon kan praten en niet hoeft te schreeuwen". Ieder mens heeft een eigen emotioneel profiel. Overigens zijn er uitzonderingen, zoals Ekman aangeeft: het denken aan een angstaanjagende mogelijkheid bijvoorbeeld lokt emotie uit. Op de site van Ekman wordt meer duidelijk gemaakt over emotionele profielen.
Emoties dienen volgens Ekman onderscheiden te worden van stemmingen. Behalve dat deze langer duren, is een ander belangrijk verschil dat het inzicht van de betrokkene in de oorzaak over het algemeen veel beperkter is dan bij emoties. Stemmingen hebben oorzaken die de betrokkene niet kent. Ze kunnen ook voortvloeien uit neurohormonale veranderingen. De aanleiding van emoties is vaak achteraf wel vast te stellen. Daarnaast is de intensiteit van emoties natuurlijk veel sterker. Emoties en stemmingen beïnvloeden elkaar. Dat maakt (negatieve) stemmingen ook zo gevaarlijk. Ekman zegt dat iedere stemming doortrokken is van een bepaalde emotie. Bij een prikkelbare stemming zal zijn beeld van de werkelijkheid woede bevorderen. Hij zoekt dan een gelegenheid om boos te worden. Je bent biologisch voorbereid om boos te worden. Iemand die in een opstandige stemming is, kan door een klein voorval tot heftige en destructieve emotieuitbarstingen in staat zijn. Volgens Ekman zijn stemmingen een nutteloos evolutionair bijproduct. Hij meent dat we "beslist een beter leven hebben als we geen stemmingen hadden." Over emoties is hij wat dat betreft een stuk positiever. Volgens hem is geen enkele emotie op voorhand negatief (hoewel hij na de sessies met de Dalai Lama daar wat betreft haat op terug lijkt te komen). De verstoring die gepaard gaat met emoties heeft daarbij wel evolutionair nut. Ze focust onze aandacht en stelt ons in staat snel te handelen:
"Wanneer we in de greep zijn van een emotie, verkeren we volgens mijn theorie in een 'refractaire periode', waarin we ons alleen informatie kunnen herinneren die past bij een emotie; we kunnen wat anderen zeggen of doen alleen interpreteren op een manier die bij de emotie past. Vaak is een refractaire periode van heel korte duur, en wanneer dat het geval is, kan die periode nuttig zijn, omdat ze onze aandacht focust. Voor stemmingen kan een refractaire periode wel een hele dag duren, en al die tijd hebben we een vals beeld van de wereld. We hebben geen toegang tot alles wat we weten, alleen tot wat bij onze stemming past." (2008:27)
emotionele intelligentie
Het bereiken van een goede omgang met de eigen emoties en die van anderen, vereist een vorm van intelligentie die in de jaren '90 van de vorige eeuw voor het eerst breed onderkend en onderzocht werd. Vooral door het boek Emitionele intelligentie van wetenschapsjournalist en psycholoog Daniel Goleman maakte ook een breed publiek kennis met dit werk. Emotionele intelligentie gaat over het kunnen waarnemen van emoties bij jezelf en bij anderen, het juist kunnen gebruiken van emoties, het begrijpen van emoties en een juist emotiemanagement (beheersing van de affecten). In tegenstelling tot cognitieve intelligentie, is emotionele intelligentie relatief moeilijk objectief vast te stellen. Over de antwoorden op IQ-tests is over het algemeen weinig discussie mogelijk, maar het vaststellen van iemands EQ is een stuk lastiger. Er valt daarom wat te zeggen om uit te gaan van consensusbeoordeling bij het bepalen van emotionele intelligentie. Het idee daarbij is dat een voldoende grote groep emotionele gedragingen juist kan beoordelen. Als veel mensen gedrag emotioneel intelligent vinden, dan is het dat ook. Toch is de consensusbeoordeling niet zonder problemen. Veel Britten bijvoorbeeld vinden de 'stiff upperlip' de beste reactie op emotionele problemen, terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet zo is. Er zijn effectievere manieren om op spanningen te reageren. Er bestaan cultureel bepaalde opvattingen over emotie-opwekkende situaties die leiden tot suboptimale gedragsreacties. Zo denken veel mensen dat het gezond is om boosheid direct te uiten tot de woede verdwenen is, terwijl onderzoek juist uitwijst dat dit niet zo is. Het verlengt de boosheid alleen maar (Zeidner et al, 2009:195). Een ander probleem met de consensusbenadering van emotionele intelligentie is dat ze al snel cultuurrelativistisch wordt. In de ene cultuur wordt nu eenmaal heel anders gereageerd op dezelfde situatie dan in een andere cultuur. De consensusbenadering leidt zo niet tot algemene uitspraken over emotioneel intelligent gedrag.
Maar zijn er wel algemene uitspraken mogelijk over wat emotioneel intelligent is? Dit verschilt naar welk aspect van emotionele intelligentie gekeken wordt. Zo blijkt uit uitgebreid onderzoek door Paul Ekman dat mensen universeel dezelfde gezichtsuitdrukkingen laten zien bij basisemoties als angst, woede, blijdschap en walging. Het herkennen van emoties in andere mensen is zo relatief goed objectief vast te stellen. Als echter gekeken wordt naar welke emotionele reacties passend zijn, is dit veel lastiger. Of gedrag passend is, is ten eerste afhankelijk van welk doel met het gedrag beoogd wordt, maar ook van wat de lange termijneffecten zijn. Zo kan het bereiken van een korte termijndoel conflicteren met lange termijn belangen, zoals goede relaties. Of zelfs met andere persoonlijke belangen, zoals het behoud van eigenwaarde (dat achteraf aangetast wordt doordat toegegeven werd aan impulsen). Onderzoekers op het terrein van emotionele intelligentie stellen dan ook dat er maar weinig algemeens kan worden gezegd over wat emotioneel intelligent gedrag is. Gedrag dat in de ene situatie emotioneel intelligent lijkt, kan juist averechts werken in een andere situatie. Een manager kan effectief zijn in zijn woedeuitbarstingen en gebrek aan empathie richting zijn medewerkers, maar zijn huwelijk ermee om zeep helpen. Omgangsstrategieën bij emotievolle situaties zijn afhankelijk van context én van individu. Niet iedereen is op dezelfde manier effectief in het omgaan met stress bijvoorbeeld. De literatuur laat zien dat er slechts een zwakke relatie is tussen omgangsstrategieën en EQ. Onderzoek laat echter ook zien dat er een positieve relatie is tussen EQ en actie-georiënteerde strategieën (het goed voorbereiden van een presentatie bijvoorbeeld) en een negatieve relatie tussen EQ en meer passieve en vermijdende strategieën. Studies laten zien dat vermijding van stressvolle situaties het zelfvertrouwen ondermijnt en de ontwikkeling van vaardigheden voorkomt (Zeidner et al, 2009). Persoonlijke groei betekent ook hier dus het ondernemen van actie en veel oefenen.
Het kan lijken dat een gelukkige en kalme geestestoestand het kenmerk is van emotionele intelligentie. Maar zo simpel ligt het niet. Zulke geestestoestanden kunnen ook het gevolg zijn van kortzichtigheid en vooroordelen, of informatie verwerkende routines die zonder vorm van inzicht of intelligentie opereren. Sommige mensen hebben daarnaast op grond van erfelijke eigenschappen meer aanleg voor gelukkige stemmingen. Helaas is het zo dat niet iedereen evenveel natuurlijke aanleg heeft voor emotionele intelligentie. Vooral mensen met een neurotische aanleg hebben aanleg voor gespannenheid, een vijandige houding, neerslachtigheid, overbewustzijn, kwetsbaarheid en impulsiviteit, kenmerken die emotioneel intelligent gedrag in de praktijk bemoeilijken. Dit uit zich bijvoorbeeld duidelijk in een verminderd vermogen tot het beheersen en reguleren van stemmingen en een overdreven, hinderlijke gevoeligheid voor stemmingswisselingen die afstoot en effectief handelen ondermijnt.
Extraverte mensen lijken daarentegen juist voordeel te hebben met hun bovengemiddelde aanleg tot positieve emoties en het aangaan van contacten. Niettemin kan extraversie ook juist tot onintelligent emotioneel gedrag leiden. Onder extraverte mensen komen kenmerken van narcisme relatief veel voor. Het zelfvertrouwen waar dit mee gepaard gaat, kan eerst aanstekelijk werken, maar op de langere termijn kan die indruk verzwakken doordat de minder positieve kanten, zoals arrogantie, daarvan zichtbaar worden. Dit kan in verband worden gebracht met een relatief hoog scheidingspercentage onder extraverten. Extraverte mensen hebben ook meer last van impulsief gedrag dat in potentie zelfbeschadigend werkt, zoals seksuele promiscuïteit. In de zin dat emotionele intelligentie opgevat wordt als het kunnen omgaan met verveling, impulscontrole en het vermogen alleen te opereren, kan zelfs gesteld worden dat introverte mensen emotioneel intelligenter zijn dan extraverten. Tegelijk moet erkend worden dat impulsief gedrag ook voordelen kan opleveren en niet schadelijk hoeft te zijn: het zorgt voor opportunistische opbrengsten, indruk maken bij anderen en vrijheid van de (tijds)kosten die gepaard gaan met meer consciëntieuze besluitvorming. De cognitieve component in impulsief gedrag draagt daarnaast bij aan een groter voorstellingsvermogen dat de creativiteit bevordert. Veel artiesten en kunstenaars zijn dan ook van nature impulsief. Zelfs voor neuroten is er hoop; hun verhoogd vermogen om bedreigingen te onderkennen, kan ook behulpzaam zijn, hoewel een te veel hiervan weer leidt tot sociale fobieën. (Zeidner et al, 2009: 190-193).

Ondanks dat sommige mensen minder aanleg hebben voor emotioneel welzijn, kunnen zij wel degelijk emotioneel intelligent zijn. Zeidner et al (2009:111) geven het voorbeeld van Abraham Lincoln, de 19e eeuwse Amerikaanse president die de slavernij in de VS afschafte:
"Indeed someone like Abraham Lincoln, who was forced to struggle with a melancholy temperament all his life, might have greater depth of understanding than a more sanguine individual for whom happiness and life satisfaction have come easily."
Emotionele toestanden zijn alleen niet genoeg om duidelijk te maken hoe emotioneel competent iemand is. Het gaat ook om de processen over hoe mensen omgaan met en zich aanpassen aan levensomstandigheden met verschillende graden van succes. En die processen kan men leren. Onderzoek heeft uitgewezen dat het EQ verhoogd kan worden. Mensen kunnen leren emoties te herkennen en ermee om te gaan. Hun handelingsrepertoire zal altijd beperkt blijven binnen hun natuurlijke aanleg (een introvert zal nooit met hetzelfde gemak conversaties onderhouden en aangaan als een extravert in grotere gezelschappen), maar daarbinnen is veel verbetering mogelijk. Van belang daarbij (in relatie tot aanpassing aan omstandigheden met name) is in ieder geval dat mensen kennis van zowel zichzelf als hun situatie hebben. Onderzoek wijst uit dat de minst competente individuen hen zij die het minste inzicht hebben in hun eigen mogelijkheden. Mensen die zichzelf onderschatten of overschatten scoren relatief laag op EQ-testen en ervaren in het dagelijkse leven hinder van hun gebrek aan inzicht.
constructieve en destructieve emoties
Emotionele intelligentie heeft dus betrekking op de wijze waarop we omgaan met situaties en de manier waarop we daarbij omgaan met emoties. Emotionele intelligentie zegt echter nog niets over ethiek. Zo zijn psychopaten met kwade intenties vaak heel emotioneel competent. Met hun inzicht in het herkennen van emoties en hun vermogen mensen emotioneel te bespelen, kunnen ze hun malicieuze doelen bereiken. Antisociaal gedrag is niet perse emotioneel onintelligent. Zo beschouwd kan agressie zelfs emotioneel intelligent zijn! In die zin is emotionele intelligentie een beperkt begrip. Het emotionele handelen zou ook beoordeeld moeten worden op de effecten op anderen. Het zou moeten gaan om de persoonlijke en sociale welzijnseffecten van emoties. En die zijn er al snel als emoties in het geding zijn.
In de Griekse oudheid was het idee wijd verbreid dat emoties bestreden moeten worden vanwege de effecten op het (collectief en persoonlijk) welzijn. Zo stelde het stoïcisme dat emoties leiden tot verstoring van de rede, van het helder denken, van een ongestoord gemoed en dat ze dikwijls leiden tot onbesuisde acties met desastreuse gevolgen. Als innerlijke rust het doel is, dan lijkt het tegengaan van (negatieve) emoties zo bezien voor de hand te liggen. Is stoïcisme een goed ideaal?
Psychologisch onderzoek heeft in ieder geval aangetoond dat weinig emotiebeleving goed kan zijn voor iemands psychologische gezondheid en welzijn, in ieder geval op de korte termijn. Ander onderzoek heeft aangetoond dat de neiging om niet veel met gevoelens en gedachten (die al snel emoties oproepen) bezig te zijn, in onderzoek geassocieerd wordt met minder spanningen, neerslachtigheid en paranoia. Excessieve aandacht voor emoties is gerelateerd aan stress (Zeidner et al, 2009: 195-197). In veel spirituele geschriften wordt het ideaal van het stoïcisme in zoverre onderschreven dat we sterke affecten als woede, angst en jaloezie achter ons moeten én kunnen laten. Ekman en de Dalai Lama (2008) noemen een emotie constructief als ze zowel van nut is voor degene die de emotie ervaart-en laat zien- als voor degene die er het doelwit van is. Dat lijkt een goed vertrekpunt. Een zelfde emotie kan zowel constructief/positief als destructief/negatief zijn. Ekman wijst erop dat emotioneel bewustzijn in dit verband van groot belang is:
"Willen we evenwichtige mensen worden, dan zullen we eraan moeten werken onszelf te geven wat de natuur ons onthoudt, namelijk een rol voor ons bewustzijn. Ik zeg dat de natuur ons die onthoudt omdat we, als we bewust moesten overwegen of we bang moeten zijn of niet, sommige situaties niet zouden overleven." (2009:53)
Elders zegt de Dalai Lama (1998:263) dat positieve emoties zoals liefde en mededogen altijd een solide basis hebben, terwijl negatieve emoties niet gerechtvaardigd kunnen worden. Aan negatieve geestestoestanden liggen bijvoorbeeld vaak onredelijke verlangens ten grondslag.
Hieronder zal bovenstaande nader wordt toegepast op de emotie van woede.
toepassing: over woede
Volgens de aanhangers van de Stoa moet de rede de volledige heerschappij hebben over de emoties. Hun ideaal is apatheia, een toestand waarin de passies de ziel niet in beroering brengen. De Griekse filosoof Seneca (3 v.Chr.-65) was een stoïcijn en keerde zich met name tegen de woede (en boosheid en haat) als schadelijke emotie. Hij zegt dat mensen die in woede ontstoken zijn "niet bij hun volle verstand zijn" en dat "het walgelijk en angstaanjagend is om het uiterlijk te zien van mensen die zichzelf zo misvormen en van woede opzwellen." En over de maatschappelijke gevolgen: "En dan, als je de verwoestende gevolgen van woede bekijkt, zul je moeten concluderen dat geen enkele ramp de mensheid duurder is komen te staan. Je ziet moord en vergif, smerige wederzijdse aanklachten, de val van steden en de ondergang van complete volkeren, vorsten die op de slavenmarkten te koop worden gezet, platgebrande huizen en vuurzeeën die niet alleen binnen stadsmuren woeden maar enorme landstreken doen oplichten in vijandelijk vuur."

Seneca gelooft niet dat woede natuurlijk en daarmee onvermijdelijk zou zijn. "Wat is zachtaardiger dan de mens zolang zijn geest in evenwicht is? De mens is geboren om andere mensen te helpen, woede om te vernietigen." Natuurlijk kunnen we soms woede op voelen komen, maar door een juiste instelling en door oefening kan woede wel degelijk bestreden worden. Getrainde spirituele mensen, zoals zenmonniken zijn zelden boos. Volgens diverse antropologen zijn er zelfs samenlevingen waarin woede niet voorkomt. Zoals bij bepaalde Eskimo's, die van de Utku-gemeenschap. Ze hebben er zelfs geen woord voor. Het woord wat het dichtst in de buurt komt is nog "kinderachtigheid", wat verraadt dat boosheid als een gebrek aan volwassen zelfbeheersing wordt gezien. Deze schijnbare afwezigheid van woede is natuurlijk opvallend.
In ieder geval lijkt Seneca in zoverre gelijk te hebben dat woede niet onvermijdelijk is en vaak beperkt kan worden. In extreme situaties zal dit natuurlijk veel moeilijker zijn, zoals wanneer een geliefde bedrog pleegt, of wanneer we denken aan degenen die ons of onze geliefden pijn hebben gedaan. In die gevallen kan niet gezegd worden dat woede onterecht is (dat kan wel gezegd worden van haat waaronder ik woede plus vernietigingsdrang versta), maar niet dat ze nuttig is. Ook in die gevallen geloof ik niet dat woede noodzakelijk is om voorbij het leed te komen. Het zou denk ik zelfs helpen als we op een andere manier tegen de brengers van ons leed zouden aankijken dan met woede, aangezien die emotie ons het meest verteert. Nadat ik een keer vreselijk boos was geweest nadat ik op een vervelende manier voor een ander werd afgewezen en daardoor dingen heb gedaan waar ik later spijt van had, had ik me voorgenomen bij een volgende afwijzing niet meer boos te worden. Helemaal is dit niet gelukt, maar wel bijna. Tegen iemand die ons pijn heeft gedaan kunnen we proberen een meer verklarende in plaats van veroordelende houding aan te nemen. En we kunnen boosheid proberen te vervangen door teleurstelling. We kunnen tegen onszelf zeggen dat we wisten dat mensen verkeerde dingen doen en dat die ons dus ook kunnen overkomen. Dat de wereld er niet is om ons geluk te bezorgen en leed zich soms voordoet. Dat neemt al een deel van de boosheid weg.
Seneca loopt in zijn verhandeling over woede vervolgens argumenten die voor woede pleiten langs. Zo verwerpt hij de gedachte dat boosheid noodzakelijk is voor een goede bestraffing. Hard straffen is, als alternatieven niet heilzaam zijn, soms nodig, "maar zonder bijbedoelingen en met verstand." De rechter dient zich niet door woede te laten leiden, maar door morele overwegingen en verstand. Volgens Senece is woede ook in geen enkel opzicht nuttig. Woede zet aan tot moed en inspireert tot noodzakelijke actie, zij het dat ze beheerst moet worden toegepast, wordt wel beweerd. Als woede in "het keurslijf van een heilzame matiging" is gedwongen, kan ze energie en dadendrang verschaffen en zo het kwaad bestrijden.
Maar Seneca is niet overtuigd van dit argument: "Om te beginnen is het gemakkelijker iets schadelijks buiten de deur te houden dan er controle over te houden, is het makkelijker het niet binnen te laten dan het in bedwang te houden als het eenmaal binnengelaten is. Want wanneer het bezit van iemand heeft genomen, is het machtiger dan zijn leidsman en wil het zich niet laten beperken of intomen." Daarnaast vreest Senece dat de woede de geest uit evenwicht brengt. Als dat zo is, kan ze niet meer zuiver denken en wordt ze werktuig van de woede. Seneca meent dat als we woede toelaten we het reële risico lopen dat er geen weg meer terug is en we weggesleurd worden van een kalm en verstandig gemoed. Zelfs als mensen zich ondanks hun woede weten te beheersen, is dat geen verdienste, omdat dat alleen mogelijk is door tegenwerking van een andere heftige emotie in plaats van door de "weldaad van de rede". Volgens Seneca is er geen beheerste woede, "want als woede luistert naar de rede en gaat waarheen het gedirigeerd wordt, dan is het geen woede meer, want woede is typisch eigenzinnig". We kunnen dus maar beter verre blijven van de woede.
Hoe moeten we Seneca's standpunt beoordelen? Twee vragen zijn hier van belang. Ten eerste de vraag naar de haalbaarheid van woedebeheersing. Ten tweede de vraag naar de wenselijkheid van het bestrijden van woede. Is woede altijd zonder reden? Om met de eerste vraag te beginnen.
Kenmerkend van emoties is dat we ze niet geheel in de hand hebben. Dat erkenden de stoïcijnen te weinig. Maar dit neemt niet weg dat negatieve emoties als woede (of haat) wel degelijk tegengegaan kunnen worden. In de eerste plaats door de ontwikkeling van emotioneel (waakhond) bewustzijn. Dit kan ontwikkeld worden door meditatie en mindfulnesstechnieken. Zo wordt je wakkerder en scherper in het onderkennen van opkomende emoties, zodat je die tijdig kunt aanpakken. Ook helpt het om de werkelijkheid beter te doorzien in plaats vanuit het ego wat ook een bron van emotionele storingen is.
Ekman wijst erop dat we vaak handelen volgens emotionele scripts, dat we onszelf hebben aangeleerd op een bepaalde emotionele manier op specifieke uitlokkers te reageren. Het kan volgens Ekman nuttig zijn die scripts bloot te leggen en zo te leren niet telkens datzelfde saaie script opnieuw af te spelen, hoewel dit wel tijd kost, want die scripts zijn vaak diep ingeslepen gedragspatronen.
Vanuit het boeddhisme wordt aanbevolen diepgaand stil te staan bij de destructieve aard en gevolgen van heftige emoties. Volgens de Dalai Lama vooral in abstracte zin. Hoe meer je overtuigd bent van het destructieve karakter van intense woede en haat en hoe meer je de voordelen ziet van liefdevolle vriendelijkheid, hoe groter het effect op de algemene emotiebeleving. Hij zegt:
"Aangezien de menselijke emotie in zekere zin gestructureerd wordt door herinneringen, enzovoort, moet het tegengif voor onze destructieve emoties ook uit diezelfde wereld komen- de wereld van het denken, de intelligentie, mindfulness." (2008:99)
Van belang is iedere opkomende emotie te onderkennen. We moeten er ook niet heftig tegen vechten en het meteen wegdrukken, want dat zal vaak ook niet werken. We moeten wel onderkennen dat we boosheid voelen opkomen, om vervolgens na zelfonderzoek, zachte manieren te vinden om haar te verkleinen en te laten wegzakken. En als dat niet lukt, dan tenminste nog er zelf bewust voor te kiezen hoe we boos willen zijn, dus niet vervallen in blinde razernij. Idealiter proberen we ook de woede te onderzoeken en te zien hoe ze bij kan dragen aan verder inzicht in de wereld en onszelf. Als dingen tegenzitten, zoals een computer die vastloopt, dan kunnen we het beste meteen tot actie overgaan; door de computer te herstarten en in een andere activiteit afleiding te zoeken. Of wat bij mij helpt is om een grappig vloekwoord te bedenken en dat een paar keer uit te roepen als de boosheid toch geuit moet worden. Dan kan je emotionele energie uiten en tegelijk je boosheid verliezen. Een andere manier is om van jezelf een klein alter ego voor te stellen, een klein fictief mannetje dat namens jou loopt te razen. Of anders helpt tot tien tellen ook altijd nog, de ademhaling tellen en volgen zoals de Dalai Lama voor zulke situaties adviseert.
Is er dan helemaal geen gerechtvaardigde woede mogelijk? Volgens Ekman is het noch realistisch, noch nodig om iedere boze uitdrukking te vermijden, ook al wordt de ander daardoor gekwetst. Het ideaal zou volgens hem moeten zijn te proberen nooit iets te zeggen dat bedoeld is om de ander te schaden (dit is in overeenstemming met het achtvoudig pad dat alleen wijst op "juiste spraak"). Woede moet onderscheiden worden van de schadelijke intentie die er vaak uit volgt, zo stelt de Dalai Lama in de dialoog met Ekman. Woede kan een positieve signaalfunctie hebben. Het gaat er dan om de woede van je af te zetten en de energie eruit op een positieve, constructieve manier om te buigen. Dit "knippen" is wel lastig, want woede leidt bijna vanzelf tot schadegerichtheid. Sommige mensen, zo wijst Ekman erop, vinden het zelfs fijn om boos te zijn. Die genieten ervan. Het is het beste mensen met een dergelijke aard (ruziezoekers) te vermijden.
Het is echter een misverstand om te denken dat agressie en spiritualiteit elkaar uitsluiten. Het doelbewust kwetsen moet worden afgewezen, maar wanneer woede, of zelfs agressie noodzakelijk is om erger kwaad te voorkomen, dan kan dit gerechtvaardigd zijn. Zo geeft de Dalai Lama het voorbeeld van een Bodhisatva die na een vergeefse poging om de potentiële moordenaar van diens plannen af te brengen, hij deze ombrengt. Van belang is dat de Bodhisatva dat wel zonder haat deed. Hij was enkel gericht op het voorkomen van leed. Het boeddhisme moedigt aan niet woede te voelen naar de dader, maar enkel naar diens daden. Ook richting mensen die misdaden begaan kunnen we beter geen haat voelen. Maar de Dalai Lama erkent ook dat niet iedereen dit niveau moet proberen te bereiken, hoe edel ook. Waar het omgaat is te onderkennen welke zin haat en woede hebben en dit tegen te gaan met een meer positieve verhouding, zoals compassie, waar het bestrijden van leed nooit onder mag lijden.
Haat is nauwverwant met woede. Ze is gericht tegen de hele persoon, of een heel systeem. Het is een emotie die uit is op totale vernietiging. Ekman vertelt dat hij haat voelde tegen zijn vader omdat die hem mishandelde en vernederde. Hij erkent echter ook dat die haat hem heeft aangezet tot presteren om zo zijn vader (zelfs toen die al dood was) op zijn eigen terrein, de wetenschap, te verslaan. "Ik werd althans voor een deel gemotiveerd door het verlangen hem verteerd te zien door afgunst (..) Telkens wanneer ik iets nieuws had verricht dat erkenning kreeg, dacht ik, o wat zal hij woest zijn, wat laat ik hem even zien dat ik beter ben dan hij." (2008:147). Maar uiteindelijk moet Ekman erkennen dat haat op de lange termijn ondermijnend is en je blik op de werkelijkheid vervormt, ook al kan het op de korte termijn zijn nut hebben.
Ik denk dat een zekere boosheid soms op zijn plaats is, namelijk als er sprake is van morele verontwaardiging. Boosheid heeft een grond wanneer ze het resultaat is van gepercipieerd onrecht, als ze uitdrukking geeft van een engagement, een betrokkenheid bij een misstand. Ze heeft dan een morele grond, maar ook een functie wanneer die boosheid, die verontwaardiging dan aanzet tot handelen om dat onrecht tegen te gaan. Maar dat is niet genoeg, en hierbij is de les van Seneca van belang, de boosheid dient getemperd te zijn zodat ze het redelijk (dat wil zeggen het juiste-effectieve) handelen niet verstoort. In tegenstelling tot wat Seneca meent, werkt het toelaten van boosheid niet meteen als een paard van Troje (maar misschien is hier ook wel geen sprake van woede in de zin zoals Seneca die begreep). Dit wordt nog het beste zichtbaar bij actievoerders. Zij zouden hun werk niet doen zonder een zekere morele verontwaardiging, zonder een "milde, beheerste boosheid", maar juist vanuit die boosheid worden ze gemotiveerd om zo effectief mogelijk- en op moreel acceptabele wijze- te handelen. Vaak zijn acties van actievoerders niet effectief. Voor sommige actievoerders is dat geen echt probleem. Zij stellen zich tevreden met getuigenisacties en worden gedreven door de wens om uitdrukking te geven aan hun morele overtuigingen, zoals andere mensen uitdrukking geven aan waar ze voor staan door het dragen van merkkleding. Daar is op zich niets mis mee, maar de morele verontwaardiging en de boosheid waarin deze zich in vestigt, dient dan geen sociaal nut meer. Boosheid hoort bij onze menselijkheid; ze staat, wanneer ze voortkomt uit engagement, tegenover onverschilligheid en dat is één van de grootste vehikels en oorzaken van het kwaad. In die zin kan ze ook van nut zijn wanneer ze aanzet tot effectief handelen en zo de wereld mooier maakt. Boosheid is soms gepaster dan geen boosheid. Maar meestal is dat niet het geval en kan deze emotie het beste met het tegengif van inzicht, geduld en tolerantie bestreden worden.
Besluit: emotioneel evenwicht
In het boeddhisme wordt benadrukt dat we extremen dienen proberen te vermijden. Een evenwichtige en kundige benadering van het leven, is een belangrijke factor voor geluk. Dat geldt ook voor emoties die passend moeten zijn bij de situatie. Als we bijvoorbeeld merken dat we te veel eigendunk vertonen, is het van belang tegengif te vormen door meer te denken aan je problemen, tekortkomingen en leed van jezelf én anderen. Arrogantie en trots brengen het gevaar met zich mee dat we ons verheven voelen, waardoor het besef van menselijke eenheid en verbondenheid aangetast wordt. Dit denken is in potentie heel gevaarlijk omdat ze aan de wortel is van ongelijke behandeling. Maar als je daarentegen merkt dat je een laag gevoel van eigenwaarde hebt, is het gevaar dat je moedeloos, zwaarmoedig en passief wordt. Dan is het juist van belang aan je prestaties te denken die je hebt geboekt en aan de mensen die om je geven (Dalai Lama; 1999: 216-218). Door ontevredenheid, onwetendheid (kortzichtigheid) en te sterke hechting ontstaat emotionele overdaad. Het is van belang die gebreken op te sporen en aan te pakken voor een emotioneel evenwichtig leven.
Bronnen
-Dalai Lama (1998). De kunst van het geluk.
-Dalai Lama en Paul Ekman (2008). Emotioneel bewustzijn.
-M. Zeidner et al (2009). What we know about emotional intelligence.
-Mariette Willemsen (2010). Denkbewegingen. Inleiding in de filosofie van emoties (citaten Seneca hieruit overgenomen)
-.