globale rechtvaardigheid
Gillian Brock (2009), Global Justice: a cosmopolitan account (2009). Oxford University Press.
Het vraagstuk over rechtvaardigheid heeft door de eeuwen heen altijd vooral een lokaal en later nationaal karakter gehad. Door de toegenomen afhankelijkheden tussen landen (op het terrein van handel, communicatie, gezondheid, veiligheid, reizen), de komst van steeds invloedrijkere internationale instituties en groeiende zorgen over problemen die landsgrenzen overschrijden, is de belangstelling voor de kwestie van internationale rechtvaardigheid echter sterk toegenomen in de afgelopen jaren. Door globalisering maar ook door het individualiseringsproces dat de gelijkheid van mensen benadrukt, staat het denken over internationele rechtvaardigheid nu prominent op de kaart. De groeiende aandacht voor gemeenschappelijke problemen richt verder de aandacht op het feit dat de lasten hiervan weliswaar gedeeld worden, maar wel in zeer ongelijke mate. Het economisch systeem opereert relatief ten nadele van de arme landen; de problemen van klimaatverandering treffen ontwikkelingslanden het hardst. Deze en andere wrange feiten brengen onze verantwoordelijkheid voor deze problemen onder de aandacht, waardoor de vraag wat hieraan te doen steeds pregnanter wordt.
De betekenis van internationale rechtvaardigheid wordt concreet in de vraag waar alle burgers aanspraak op zouden moeten kunnen maken en wat, hieruit voortvloeiend, de verplichtingen zijn van de haves richting de have nots. Rechtvaardig is dan als alle burgers over een minimaal pakket aan mogelijkheden/hulpbronnen beschikken die hen in staat stellen een goed leven te leiden. Een zinvolle manier om te bepalen welke rechten en plichten burgers op globaal niveau tegenover elkaar hebben, is door middel van overleg tussen vertegenwoordigers van deze burgers. Een nadeel van deze op consensus gerichte benadering is echter dat de vertegenwoordigers elk hun eigen belangen zullen proberen te verdedigen; vertegenwoordigers van rijke landen zullen zo zeer terughoudend zijn om hun middelen weg te geven. De uitkomst van een dergelijk overleg zal een politiek compromis zijn, niet een morele consensus. In dat laatste geval is het van belang dat deelnemers aan het overleg niet redeneren vanuit hun eigen belangen, maar vanuit een idee van wat goed is voor alle burgers. Het streven is er op gericht te komen tot een consensus over welke regels goed zijn voor het algemeen belang. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het werk van de filosoof John Rawls (overleden in 2002). Zijn werk is gebaseerd op het uitgangspunt dat redelijke principes van rechtvaardigheid door iedereen aanvaard worden vanuit een onpartijdige "originele positie". Volgens deze hypothetische constructie overleggen de vertegenwoordigers achter een "sluier van onwetendheid" die de onderscheidende kenmerken van hun achterban (volk/natie, etc.) voor hen verborgen houdt. De vertegenwoordigers in Rawls gedachte-experiment hebben dus geen kennis van de samenstelling, talenten, natuurlijke voorraden, etc. van de burgers die ze representeren. Ze gaan als gelijken en onpartijdig met elkaar in gesprek om belangeloos tot regels over rechtvaardigheid te komen. Rawls is met deze exercitie begin jaren '70 bekend geworden door zijn baanbrekend werk A theory of justice. Hij heeft dit gedachtenexperiment in 1999 herhaald in zijn boek The law of peoples, dat vaak als vertrekpunt geldt voor hedendaagse discussies over internationale rechtvaardigheid. Zo ook in het boek van Gillian Brock, Global Justice: a cosmopolitan account (2009) dat ik hier bespreek.
Vanuit de originele positie op nationaal niveau meende Rawls dat overeenstemming zou ontstaan over drie rechtvaardigheidsprincipes. Ten eerste de gelijkheid van elementaire hulpbronnen/basale vrijheden (om doelen te bereiken) voor iedereen. Ten tweede het maximin principe dat stelt dat ongelijkheden alleen acceptabel zijn wanneer dat het meest in het voordeel is van de minst bedeelden. Ten derde dat posities in gelijke mate openstaan voor iedereen met dezelfde talenten en motivatie (principe van gelijke kansen). Onder kosmopolieten was de teleurstelling dan ook groot toen Rawls uiteenzette in de Law of Peoples dat deze principes op het internationaal niveau niet aanwezig zijn. Vertegenwoordigers van alle volken zouden vanuit een originele positie veel minder vergaande rechtvaardigheidsprincipes kiezen dan vertegenwoordigers binnen een en dezelfde gemeenschap (welke staat hier). Critici verwijten Rawls dat hij het idee van rechtvaardigheid zo opoffert omwille van bredere acceptatie en niets meer biedt dan een modus vivendi. Het is onduidelijk waarom hij zijn lijst van mensenrechten als zodanig heeft ingekort en hij heeft volgens zijn critici geen goede reden om zo terughoudend te zijn bij sociaal-economische ongelijkheden. Ook zou Rawls te welwillend zijn tegenover niet-liberale regimes die tegen de wil van hun volk inegalitaire politiek bedrijven. Verder zou hij als eenheden niet volkeren maar individuele personen moeten nemen, gegeven de brede acceptatie van en commitment aan mensenrechten in internationale relaties.

Gillian Brock is ook van mening dat Rawls benadering tekortschiet, maar tegelijk verwerpt ze op plausibele gronden het pleidooi van andere kosmopolitische denkers die wel Rawls nationale principes op wereldschaal ingevoerd zouden willen zien. Gelijke kansen voor iedereen is volgens haar bijvoorbeeld niet haalbaar op mondiaal niveau evenals het maximinprincipe, wat ze goed beargumenteert. Het verzekeren van belangrijke kansen voor iedereen, op basis van een behoeftengebaseerd minimumprincipe, zou de centrale focus moeten zijn van alle benaderingen van globale rechtvaardigheid in het politieke domein. De basale behoeften waar het dan om gaat omvatten in ieder geval: fysieke gezondheid, veiligheid, psychologische gezondheid, de vrijheid van geloof, voldoende sociale relaties, spel/vrije tijd en autonomie. Rijke landen hebben dan de verantwoordelijkheid om anderen in armoede in staat te stellen om te voldoen aan de eigen elementaire behoeften en hierin te voorzien voor zover dat nog niet mogelijk is door de ontvangende burgers zelf. Eveneens op basis van een Rawlsiaans gedachte-experiment concludeert Brock:
"Whatever governing structures we endorse would (at a minimum) have as the central part of their mandate to ensure that people are so positioned that meeting their basic needs is within theire reach, and that their basic liberties are protected."
Empirisch bewijs voor haar standpunt vindt ze bij onderzoek van Frohlich en Oppenheimer die experimenten opzetten onder condities van onpartijdigheid om te bepalen welke rechtvaardigheidsprincipes gekozen zouden worden en hoe stabiel deze door de tijd heen zijn. De experimenten werden herhaald in verschillende landen om te verzekeren dat de resultaten generaliseerbaar zijn. Respondenten konden kiezen uit vier principes van inkomensverdeling: ongeveer 78 procent van de respondenten koos het principe met een gegarandeerd minimum (en slechts 1% Rawls maximinprincipe), wat correspondeert met Brocks basisbehoeftenbenadering. Uit de experimenten kwam naar voren dat boven deze minimumgarantie deelnemers vonden dat er voldoende prikkels moesten zijn om de productie en dus het gemiddeld inkomen te maximaliseren. Het ging over het afwegen van de basisbehoeften van mensen tegen (behoud van) verdiensten en prikkels. Is deze uitkomst nu rechtvaardig? De onderzoekers hebben er alles aan gedaan om de deelnemers te informeren over de problemen die er zijn, hoe principes uitwerken in de praktijk (nogmaals; de deelnemers wisten niet hoe hun eigenbelang gediend zou zijn met de uitkomsten) en dat de keuzes niet meer dan reflecties van eigen ervaringen zijn. Het experiment moest de meningen immers vormen. Maar dan nog blijft de vraag hoe goed men kan beoordelen wat rechtvaardig is, als men zelf niet ervaren heeft hoe het is om in een situatie van chronische deprivatie te verkeren. De conservatief die een tijdje in een ghetto gaat wonen, zal zijn denkbeelden wellicht herzien. In het tv-programma Secret Millionaire valt te zien hoe miljonairs onder de armen ineens veel gevoeliger worden voor hun situatie en bereid zijn tot meer herverdeling. Opvattingen zouden niet alleen door kennis, maar ook door ervaringen beïnvloed moeten worden. Een mondiaal minimuminkomen (aangepast aan de levensstandaard) om in de basale behoeften te voorzien, zou in ieder geval (zoals de auteur zelf ook suggereert) een goed eerste doel zijn. De vraag kan opgeworpen worden waarom Brock uitgaat van basisbehoeften in plaats van mensenrechten. Maar om een lijst van mensenrechten te maken, zullen we eerste een idee moeten hebben wat onze basale behoeften zijn; deze zijn dan ook fundamenteler dan mensenrechten.
internationale democratie
Internationale rechtvaardigheid vereist ook verdere democratisering. Volgens sommige auteurs (Kant was de eerste) zou er een wereldregering moeten komen, zodat politieke besluitvorming over internationale aangelegenheden een democratischer karakter krijgt. Zo'n wereldregering zou bijvoorbeeld kunnen "uitgroeien" vanuit huidige instituties als de Verenigde Naties die nu nog te ondemocratisch zijn (denk aan het vetorecht van de permanente leden en de invloed van dictatoriale landen). Ook zou een wereldregering meer mondiaal sociaal beleid mogelijk maken en problemen met een internationaal karakter effectiever aanpakken, iets waar huidige internationale instituties als het IMF en de Wereldhandelsorganisatie, die vooral economische belangen van de rijke landen dienen, niet toe berust zijn. David Held en George Monbiot zijn de belangrijkste hedendaagse pleitbezorgers van nieuwe mondiale democratische structuren die als wereldregering beschouwd kunnen worden. Brock wijst echter op het risico van een wereldregering (er is geen corrigerende tegenmacht) en voorziet ook dat dit een hoog utopisch gehalte heeft. Zij ziet op het internationale vlak meer in wat ze responsieve democratie noemt. Deze vorm van democratie stelt ze tegenover participatieve democratie, waarbij het doel meer collectieve agency (effectieve zelfbeschikking) is, zodat burgers invloed kunnen uitoefenen op de publieke sfeer. Bij responsieve democratie daarentegen gaat het erom dat de belangen van burgers meer gerealiseerd worden. Als het meer rekening houden met de belangen van burgers een centraal democratisch doel is, dan schiet het meer bieden van "voice opties" tekort, aldus Brock. Het participatiemodel kent het nadeel van collectieve actieproblemen, het buitensluiten van sommige burgers in de besluitvorming (zij die geen vertegenwoordigers kennen, in de eerste plaats toekomstige generaties) en het gebrek aan kennis en inzicht hoe het beste de geïdentificeerde belangen door beleid te realiseren. Brock pleit dus voor meer democratie langs de lijnen van het libertair paternalisme, waarbij onafhankelijke experts beslissingen maken in het algemeen belang. Een centraal ideaal én voorwaarde van verdere democratisering is democratische gelijkheid, waarbij iedere vorm van onderdrukking tegengegaan wordt. De focus zou volgens Brock niet zozeer moeten liggen op sociaal-economische herverdeling, maar op gelijkheid van respect, macht en erkenning. Als dat gerealiseerd is, genieten burgers gelijke niveaus van positieve vrijheid. Onder deze voorwaarden kunnen ook grote ongelijkheden op economisch gebied tegengegaan worden; niettemin blijft Brock vaag over de minimale politieke opdracht en verplichtingen die regeringsleiders hebben richting hun burgers.
Een zorg bij het in handen geven van discretionaire bevoegdheden aan experts, zoals bij Brocks responsieve democratie het geval is, is machtsmisbruik. Door te zorgen voor heldere en beperkende kaders, een strenge selectie en geregelde positiewisselingen kan dat worden tegengegaan. Brocks benadering verdient mijns inziens steun. Nationale banken hebben thans al een grote mate van zelfstandige beslissingsbevoegdheid; ook op het gebied van duurzaamheid en zoals Brock zelf voorstelt op het gebied van migratie van hoger opgeleiden om braindrain te voorkomen, kunnen zelfstandige responsieve expert-agency's van nut zijn. Dit neemt echter niet weg dat het ideaal van meer participatieve democratie verlaten moet worden, zoals Brock suggereert. Ook dat ideaal dient krachtig bevorderd te worden, van de werkvloer (werknemersdemocratie) tot wereldschaal (democratisering van de VN). Het ene model hoeft het andere niet uit te sluiten.
Nadat de abstracte beginselen bepaald zijn, laat Brock zien hoe volgens de uiteengezette principes concreet beleid eruit kan zien. Ze behandelt armoedebestrijding (zoals door nieuwe internationale belastingarrangementen), humanitaire interventie, de economische globale ordening en het vraagstuk van immigratie. Omdat ik op de andere thema's elders al ben ingegaan, ga ik in het vervolg van dit stuk in op haar voorstellen ten aanzien van immigratie.
het immigratievraagstuk
Vanuit het kosmopolitische ideaal van gelijkheid van alle burgers zou een pleidooi voor open grenzen te begrijpen zijn. Vrije immigratie biedt aan iedereen gelijke kansen; het opwerpen van barricades leidt daarentegen tot ongelijkheid in mogelijkheden, kansen en perspectieven tussen burgers. Brock stelt zich echter terecht kritisch op tegen een politiek van open grenzen. Zo ziet ze meer in ontwikkelingshulp als alternatief voor het ontsnappen aan armoede. Maar ze meent tegelijk dat niet alle argumenten tegen immigratie kloppen. Het neerwaartse effect van immigratie op de lonen van binnenlandse werknemers als gevolg van extra concurrentie is klein en immigranten leveren een positieve bijdrage aan de werkgelegenheid. Er zitten veel starters onder en hun extra vraag naar diensten en goederen lokt ook nieuw werk uit. Over de kosten van immigratie is ze nogal positief. Ze baseert zich hierbij op gegevens die laten zien dat immigranten niet sterk zijn oververtegenwoordigd in de misdaad en sociale zekerheidscijfers. Voor de VS kan ik me dat voorstellen, maar Nederland laat in ieder geval een ander beeld zien. Brock heeft gelijk dat immigratie een positief welvaartseffect heeft voor zover immigranten niet bezette banen vervullen. Strenge toetsing of werk niet door eigen burgers vervuld kan worden, is echter geboden. Vanuit een kosmopolitisch perspectief lijkt dit misschien vreemd. Heeft niet iedere burger, van binnen of van buiten, evenveel recht op een baan, gegeven gelijke capaciteiten? Dit is in principe inderdaad een goed ideaal; een Nederlander zou niet voorrang moeten krijgen op een baan hier boven een buitenlander. Het probleem is echter dat als de buitenlander de baan krijgt, de Nederlander dikwijls verdrongen wordt en een beroep moet doen op de sociale zekerheid. Het is een fabel dat de arbeidsmarkt door loonaanpassing uiteindelijk het totale arbeidsaanbod wel absorbeert en werkloosheid tendeert naar nul. Een open arbeidsmarkt leidt onherroepelijk tot verdringing, werkloosheid en een hoger beroep op de sociale zekerheid. Economische immigranten zouden vanuit die optiek alleen toegelaten dienen te worden als de kans op verdringing van binnenlands aanbod (en daarmee een beroep op de collectiviteit) nagenoeg afwezig is. Het recht op vrije vestiging is er zolang het maar geen kosten voor anderen met zich meebrengt (hierop is ook de huidige wetgeving rond huwelijksmigratie op gebaseerd). Aangezien het doel van immigratie werken is (net als Brock laat ik politieke vluchtelingen hier buiten beschouwing), zal bij verlies van werkgelegenheid na niet te lange tijd van overheidsteun remigratie aan de orde zijn. Immigranten kunnen slechts beperkt aanspraak maken op de Nederlandse welvaartstaat. Ten eerste omdat hun verblijf hier conditioneel is aan werken (dat is immers het doel; als dat wegvalt is er geen reden meer tot verder verblijf). Ten tweede omdat er niet zoiets bestaat als een algemeen recht op het hoogst aanwezige niveau van voorzieningen door immigranten, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Algemene aanspraak op bijvoorbeeld de Nederlandse voorzieningen door immigranten zou bovendien het einde betekenen van die voorzieningen. Wel hebben alle burgers recht op voorzieningen die hen in staat stellen om mee te kunnen doen in hun samenleving, gegeven de kosten van levensonderhoud. Gelijkheid in economische zin is voorbij een minimumniveau zoals bijvoorbeeld door Brock bepleit, altijd relatief aan de levensomstandigheden. Dat uitgangspunt kreeg onlangs nog terecht erkenning door de kinderbijslag voor kinderen van Nederlandse allochtonen voortaan afhankelijk te maken aan het daar geldende welvaartsniveau.

internationale migratiestromen
Brock pleit ervoor economische immigratie alleen op tijdelijke basis toe te staan. Op die manier krijgen verschillende groepen een kans op inkomsten te verwerven, wat ze na afloop kunnen meenemen naar hun land van herkomst. Een ander argument voor tijdelijke immigratie houdt verband met de inkomensoverdrachten van immigranten aan hun thuisbasis. Deze zijn voor veel landen een zeer belangrijke bron van inkomsten; meer dan officiele ontwikkelingshulp, vaak meer dan 10% van het BBP. Immigratie draagt via deze inkomensoverdrachten dus substantieel bij aan de verbetering van levensomstandigheden in ontwikkelingslanden. Omdat de overdrachten echter afnemen naarmate immigranten langer van huis zijn, is tijdelijke immigratie te prefereren. Een tijdelijke termijn verdient tenslotte de voorkeur omdat zo prikkels worden geboden om na te denken hoe het verdiende geld effectief in te zetten in het land van herkomst, wat de ontwikkeling daar ten goede komt. Enige nuanceringen zijn echter op hun plaats ten aanzien van inkomensoverdrachten. Ten eerste komen de middelen vaak niet terecht bij de echte armen, aangezien de families van immigranten in het thuisland relatief welvarender en beter opgeleid zijn. Ten tweede gaan er perverse prikkels uit van inkomensoverdrachten in het ontvangende land. Brock wijst op onderzoek waaruit blijkt dat sommige Mexicanen in bepaalde gebieden weigeren naar de velden en fabrieken te gaan omdat ze liever wachten op de checks uit de VS. Ontvangers van overdrachten emigreren bovendien relatief vaak. Om deze redenen stelt Brock voor dat een deel van het inkomen van arbeidsmigranten wordt ingehouden en ten bate gesteld aan het land van herkomst, waarbij ervoor gezorgd wordt dat het geld ook echt wordt ingezet om structurele armoede tegen te gaan, zonder dat negatieve prikkels optreden.
Veel arbeidsmigranten zijn hoger opgeleiden. Ze worden vaak actief geworven, vooral om te gaan werken in de medische sector. Deze braindrain is een zorgelijke ontwikkeling. Waar het op neerkomt is dat arme landen de gezondheidszorg voor rijke burgers in het westen subsidieren. In verschillende landen gaan meer doktoren en verpleegsters weg dan er worden opgeleid. Met name in sub-Sahara Afrika is de medische braindrain een groot probleem. Om dit tegen te gaan, stelt Brock een onafhankelijke organisatie voor die braindrain tegengaat, immigratie van hoger opgeleiden reguleert en zorgt voor compensatie voor het land van herkomst (op basis van haar idee van responsieve democratie).
De auteur laat zien dat kosmopolitanisme niet hoeft te leiden tot moralistische maar onhoudbare en irreele politiek. Het ideaal van wereldburgerschap en gelijkheid biedt nog altijd veel ruimte voor noodzakelijke begrenzingen aan de vrijheid, zo lang elementaire verplichtingen richting andere landen niet verzaakt worden. (Zie hier meer over internationale migratie.)
kritiek
Kosmopolieten als Brock krijgen nogal eens het verwijt dat ze de speciale relatie die leden van een (nationale) gemeenschap met elkaar hebben, veronachtzamen met hun nadruk op wereldburgerschap en gelijke rechten voor alle mensen. Het is kritiek van wat wel de particularisten genoemd worden; zij hechten weinig geloof aan een algemene gemeenschap van mensen, maar alleen aan specifieke (particuliere) culturele gemeenschappen. De identiteit van mensen wordt mede bepaald door de gemeenschap waar ze deel van uitmaken. Gemeenschappen zijn constitutief voor de normen en waarden van haar leden en in die zin waardevol. De natie is ook een gemeenschap vanwege de gedeelde taal, geschiedenis en cultuur van haar leden. Het lid zijn van een nationale gemeenschap biedt zingeving, stabiliteit en geborgenheid en draagt zo bij aan het individueel welzijn, zo betogen particularisten. Individuen voelen een speciale dankbaarheid en solidariteit richting de leden van hun (nationale) gemeenschap. Vanuit die optiek behoort er een recht te zijn om de nationale identiteit uit te drukken, te verdedigen en te cultiveren, aldus auteurs als Yael Tamir die een nationaal liberalisme bepleit (dat ook zichtbaar is bij de PVV en de SP). Met onze nationale medeburgers hebben we volgens deze particularistische critici een bijzondere en sterkere band die speciale verplichtingen met zich meebrengt die verdergaan dan die jegens andere burgers.
Hier valt het nodige op af te dingen. Lid zijn van een specifieke culturele gemeenschap, zij het een nationale, etnische of religieuze is helemaal geen voorwaarde voor een individu om een bloeiend bestaan op te bouwen. Het is geen essentieel ingredient in de formatie van de persoonlijke identiteit. In deze tijd zijn identiteiten vaak hybride, iets wat bij allochtonen het meest duidelijk naar voren treedt. Maar ook veel autochtonen zien zichzelf niet meer als lid van een culturele gemeenschap, maar als wereldburger met zowel nationale als lokale affiliaties. Van veel groter belang is of mensen betekenisvolle sociale relaties hebben, binnen of buiten de eigen groep. Voor groepsrechten kan geen plaats zijn. Particularisten vrezen de teloorgang van eigen cultuur maar miskennen het inherent dynamische karakter van culturen. Zolang cultuurelementen als waardevol worden beschouwd, zullen ze overleven, hoewel er met nieuwe groepen onvermijdelijk ook nieuwe culturele elementen en praktijken bijkomen. Die ruimte dient er ook te zijn, zolang fundamentele waarden en normen niet aangetast worden. Ieder mag zijn gekozen identiteit uitdrukken, maar we moeten ver blijven van vormen van identiteitspolitiek en "sterk multiculturalisme". Het gaat er juist om bruggen te bouwen en uit te gaan wat burgers delen met elkaar. En we delen, zo geeft Brock terecht aan, ook veel met buitenlanders. Onze geschiedenis is verweven met het buitenland, voor ons dagelijks welzijn zijn we afhankelijk van buitenlandse uitvindingen, de Nederlandse cultuur is voortgekomen uit een veel bredere culturele traditie. En waarom zouden we ons eigenlijk meer verbonden voelen met vreemden uit het verre noorden of zuiden van ons land dan met hulpbehoevende vreemden uit andere landen? Dat zal toch echt niet voor iedereen gelden.
Eveneens wordt beweerd dat we geen verplichtingen hebben richting buitenlandse burgers omdat we niet verantwoordelijk zouden zijn voor hun tekorten. Maar verantwoordelijk zijn we niet alleen voor de gevolgen van wat we doen, maar ook voor wat we bewust nalaten te doen. Toekijken hoe onrecht plaatsvindt zonder in te grijpen, is moreel verwerpelijk zo zullen de meeste mensen immers vinden. En is het zo dat het westen geen schuld heeft aan de ongelijkheid in de wereld? Natuurlijk zijn slecht bestuur en een gebrek aan (natuurlijke) hulpbronnen zeer belangrijke oorzaken, maar de mogelijkheden die de huidige door het westen opgerichte internationale instituties bieden, zijn eveneens een oorzaak van de mondiale ongelijkheid.
Ook stellen particularisten dat kosmopolitanisme een wig drijft tussen ethische verplichting en persoonlijke identiteit. Bij anderen waarmee je je identificeert (familie, landgenoten) erken je verplichtingen. Deze verplichtingen zijn van een hogere orde dan aan mensen waar je geen loyaliteit meedeelt. Dit bezwaar snijdt echter geen hout, want er is geen sprake van een automatische verplichting die volgt uit persoonlijke identiteit. Een morele keuze veronderstelt meer dan dat. Er is en moet altijd een wig zijn tussen plicht en persoonlijke identiteit als onze acties moreel verdedigbaar dienen te zijn, zo geeft Brock terecht aan. Veel pijnlijke morele keuzes brengen juist het tijdelijk negeren van speciale banden met zich mee. Het een vloeit niet vanzelfsprekend voort uit het andere (zo kan dat wel beleefd worden bij goede verhoudingen, maar het is en kan geen ijzeren wet zijn; er is een motivatie nodig die impliciet aanwezig is). Meer in het algemeen zijn de theorieen van particularistische critici inconsistent, ad hoc en van weinig hulp, zo laat Brock zien. Dit laatste omdat dergelijke theorieen ervan uitgaan dat ieder land blijkbaar in isolatie tot besluitvorming komt hoe ze zelf iets wil doen, in plaats van dat leden van landen met elkaar in gesprek gaan om op een faire manier elkaar te helpen. De kritiek is inconsistent omdat ook particularisten betogen dat er minimale verplichtingen zijn richting andere burgers. Zo stelt Tamir dat aan immigratie beperkingen mogen worden opgelegd, zolang een land maar voldoet aan ontwikkelingshulp. Zo beschouwd is er nauwelijks verschil met de ruimte die Brocks "zachte kosmopolitanisme" biedt voor het bevoordelen van landgenoten; dat is mogelijk zolang niet-basale belangen van landgenoten maar niet voorgaan boven basale belangen van niet-landgenoten. Kosmopolitanisme hoeft een zekere mate van nationalisme niet uit te sluiten, zolang globale rechtvaardigheid maar verzekerd is.
30/8/09