de rol van emoties 2
In het vorige stuk is aangetoond dat ook een op het eerste gezicht negatieve emotie als woede onder bepaalde omstandigheden morele waarde heeft. Maar ook al zouden we willen dat we alleen positieve emoties ervaren, dan is dit niet eens mogelijk. Alle hechtingen en verlangens brengen het vermogen tot negatieve, destructieve emoties met zich mee. Hechting aan een persoon kan leiden tot liefde, maar ook ontaarden in haat. Hechting aan geld kan leiden tot nijver en prestaties met sociale waarde, maar ook tot hebzucht, jaloezie en afgunst. Vandaar dat Hellenistische scholen als de Stoïcijnen en de Epicuristen ook alle emoties afwezen wat bereikt kan worden door een leven waarin sterke hechtingen vermeden worden. Want hechting is de bron van emotionele verstoringen van het zuiver gemoed, wat deze scholen als het hoogste ideaal beschouwden. Eliminatie van negatieve emoties veronderstelt dat we onze gevoeligheid opgeven en dus ook ons vermogen tot positieve emoties als blijdschap. Zelfs een sterke hechting aan een rechtvaardigheidsideaal kan leiden tot destructieve woede, furor brevis, in de beroemde woorden van Seneca. Maar de meeste en sterktste hechtingen zijn vaak niet die aan hogere idealen, maar aan objecten en opvattingen die ons niet verder brengen in onze autonomie en persoonlijke vrijheid, een reden temeer voor de oude Grieken om te zorgen voor een onthechte geest. Zoals deze scholen terecht benadrukten wordt persoonlijke vrijheid bedreigd wanneer we ons te veel hechten aan zaken die niet van wezenlijk belang zijn. Dat is ook een belangrijke les uit het boeddhisme; zorg voor een zekere mate van onthechting om echt vrij te kunnen zijn. Dit betekent een persoonlijke opdracht tot prioriteren, tot het opleggen van beperkingen omwille van wat we écht belangrijk vinden. De les van de Stoïcijnen is dat er geen keuze is tussen goede en slechte emoties, maar alleen tussen het hebben van emotionele bindingen of het leven in een geïsoleerde omgeving, tussen passie en zuiverheid van geest.
Maar omdat op het eerste gezicht negatieve emoties ook een morele waarde kunnen hebben, hoeft het strenge ideaal van de Stoïcijnen zoals geconcludeerd in het vorige deel niet omarmd te worden. Waar het om gaat is dat we bedachtzaam bindingen aangaan, en ook durven aangaan, wetende dat dit leidt tot goede en minder goede emotionele ervaringen. Negatieve emoties kunnen, zo denk ik in weerwil van wat sommige spirituele leraren beweren, nooit helemaal voorkomen worden. En soms hebben ze ook sociaal nut. Een leven met emoties impliceert een verlies aan controle (wat ook de filosofe Judith Butler al aangaf, zie hier). Dit verdiept niet alleen het eigen leven, maar dit is ook wat onze vrienden in relaties belangrijk vinden; dat we bereid zijn tot emotioneel openstellen, dat we emotioneel kunnen reageren op gedeelde ervaringen. Door het tonen van emoties wordt gedrag oprechter, wat zeker van belang is in persoonlijke relaties. Kinderen worden vaak als oprechter gezien dan volwassenen omdat ze hun emoties durven tonen en niet zoals volwassenen wegstoppen. Emotionele expressie kan natuurlijk ook schadelijk zijn; beheersing is vaak nodig. Maar gesteld naar de vraag of emoties bevorderlijk zijn voor het sociaal welzijn, moet het antwoord ja luiden.
Een emotieloos leven is ook om praktische redenen een zinloos streven. Recente neurologische inzichten hebben laten zien dat we zonder emoties niet eens rationeel kunnen functioneren. De hersenwetenschapper Antonio Damasio heeft overtuigend bewijs geleverd voor het belang van emoties in het dagelijks handelen. Proefpersonen in zijn studies die vanwege een ongeluk hersenschade hebben opgelopen en daardoor een verminderd vermogen hebben tot het ervaren van emoties, waren bijvoorbeeld slecht in staat tot het maken van intelligente, praktische beslissingen. Maar nog los van de praktische waarde van emoties, hebben emoties dus ook morele waarde. Een zekere emotionele intelligentie is noodzakelijk voor een moreel en spiritueel leven. Maar waarin schuilt die morele waarde van emoties dan precies?
Zoals hier betoogd wordt, lijkt het niet direct evident dat emoties morele betekenis hebben, vanwege hun niet-intentionele en partiële aard. Een morele handeling veronderstelt een vrije keuze (in ieder geval tot op zekere hoogte) en een belangeloos, onafhankelijk gezichtspunt (iets kan wel per toeval goed uitpakken, maar dat maakt het nog geen morele handeling). Onze emoties kunnen we echter maar deels beheersen. En emoties zijn geen onthechte theoretische toestanden, maar hebben betrekking op een praktische, vaak persoonlijke betrokkenheid. Er is verder geen sprake van een objectieve, maar subjectieve houding met persoonlijke belangen, iets wat een onafhankelijk moreel oordeel onmogelijk maakt. Het zou echter te ver gaan om te zeggen dat emoties volledig onbeheersbaar zijn, niets meer dan voorbijgaande gevoelens, waar we weerloos tegenover zijn. Emoties komen, zoals hierboven betoogd, voort uit verlangens, die weer het gevolg zijn van hechtingen, oftewel waarden die we toekennen aan objecten in de werkelijkheid. Ze geven uitdrukking aan wat we belangrijk en waardevol vinden. Dit laatste kunnen we wel beïnvloeden door te reflecteren over of zaken nu echt zo belangrijk zijn als ze lijken. Daarnaast zijn emoties meer dan ruwe impulsen, maar voor een groot deel ook gesocialiseerde reactievormen. Hoe mensen op een situatie reageren is sterk cultuurafhankelijk. Maar we kunnen ook over onze culturele gebruiken reflecteren en deze veranderen. Zo kan ook onze emotionele vorming worden gewijzigd. En hoe zit het dan met de partiële aard van emoties? Deze hoeft helemaal niet per se egocentrisch te zijn. We kunnen ons richten op een enkel persoon en diens belangen. Er zijn ook goede gronden om meer op het welzijn van onze naasten gericht te zijn dan op dat van mensen die verder van ons afstaan. Partialiteit hoeft dus geen moreel obstakel te zijn. Emoties hebben vaak ook betrekking op het welzijn van anderen. De aanvankelijke bedenkingen tegen emoties als betekenisvol voor moreel handelen lijken daarmee weggenomen.
Zoals al bij de bespreking van woede aan de orde kwam, hebben ook negatieve emoties een morele, instrumentele waarde. Maar ze hebben ook een intrinsieke waarde. Ik zal dit nader uitwerken voor twee veel voorkomende emoties: jaloezie en angst

jaloezie
Jaloezie is de emotie die voortkomt uit de vrees voor het verlies van iets waardevols, zoals een romantische relatie, maar ook de aandacht van een waardevol persoon, zoals een leidersfiguur (dit in tegenstelling tot begeerte en afgunst wat gaat over wat men niet heeft). Jaloezie is een veel voorkomende emotie; ook onder spiritueel ingestelde mensen. Zo blijkt uit documentatie dat jaloezie ook voorkomt binnen boeddhistische gemeenschappen (sangha's). Jaloezie is slecht omdat ze egocentrisch is, tweedracht zaait en een bredere, meer waarderende blik belemmert. Bovendien leidt jaloezie tot destructief en immoreel gedrag, zeker in de sfeer van persoonlijke relaties, zo wordt beweerd. Jaloezie lijkt inderdaad een slechte emotie, zonder morele waarde. Heeft jaloezie dan geen enkele morele waarde?
Als we kijken naar liefdesrelaties dan zou vertrouwen de basis moeten zijn en lijkt jaloezie een overbodige en zelfs schadelijke indringer. Soms is er echter geen sprake meer van volledig vertrouwen vanwege eerder gepleegde ontrouw. Dat is niet voor iedereen een reden tot beëindiging van de relatie, omdat de gehechtheid sterker is dan de negatieve emoties die het resultaat zijn van ontrouw. Wanneer er liefde is, maar tevens een neiging tot ontrouw, dan lijkt een zekere mate van jaloezie nuttig om het voortbestaan van de relatie veilig te stellen. Jaloezie zet dan aan tot behoedzaamheid en beperkende acties die moeten voorkomen dat men in bedreigende situaties belandt. Wanneer dit soort maatregelen nodig zijn, kan een buitenstaander zich afvragen wat de waarde van een dergelijke relatie nog is, maar zoals gezegd is soms de liefde (van in ieder geval een partner) groter dan de negatieve gevoelens over de neiging tot ontrouw van de ander. In langere relaties, wanneer de passie minder is, kan men kwetsbaarder worden in sommige situaties. Wanneer er tekenen zijn dat de partner veel tijd aan een ander besteed en hier niet open over is, is jaloezie dan onterecht?
Maar kan jaloezie ook bijdragen aan het behoud van relaties waar er geen reden is om ontrouw te vermoeden? Tegenover jaloezie (in een relatie) staat niet alleen vertrouwen, maar ook onverschilligheid en kortzichtigheid. Onverschilligheid is geen aanbeveling voor een intieme relatie. Een partner die af en toe een beetje blijk geeft van jaloezie is ook een blijk van erkenning. Kortzichtigheid is aan de orde wanneer er sprake is van ongegrond vertrouwen, of het niet onder ogen willen zien van ongewenst gedrag van de partner. Beide tegenpolen van jaloezie zorgen niet voor bestendig geluk in een relatie.
Jaloezie kan ook op een andere manier binden. Door het ervaren van jaloezie worden we ons niet alleen bewust van de waarde die een ander voor ons heeft, maar ook van de exclusieve sfeer van intimiteit die we willen delen met een ander en die bedreigd lijkt te worden. Het gaat hier om een ruimte van aandacht, vertrouwen en fysieke en geestelijke nabijheid en geborgenheid die tezamen erkenning geven. De waarde van die erkenning zit ook deels in het exclusieve karakter ervan. Was dit niet zo, dan ontstaat hier twijfel aan ("wat beteken ik voor je, als je ook met anderen zo omgaat?"). Dat romantische liefde exclusief is, heeft evolutionaire redenen en jaloezie vloeit daar uit voort. Zolang er geen twijfel is over het voortbestaan van die exclusieve ruimte, is het jaloerse deel van ons tevreden. Door uitdrukking te geven aan onze jaloerse gevoelens, maken we duidelijk waar wat ons betreft grenzen overtreden worden. In het gunstige geval volgt dan erkenning van die overschrijding, waardoor de relatie een nieuwe impuls krijgt door een wederzijdse bevestiging en nadere afstemming van de gezamenlijke ruimte. Wat ook kan, is dat er een discussie ontstaat over wat wel en niet meer toelaatbaar is, zodat de grenzen van de exclusieve sfeer verkend en afgestemd worden. Dit is vaak een moeilijk proces dat niet met redelijke argumenten maar met emoties aangegaan wordt. De persoonlijke biografie en de emotionele impact hiervan, alsmede culturele invloeden zijn hier aan de orde en dit wijzigen is bijzonder moeilijk zonder verlies aan welzijn. Jaloezie brengt zo de relatie op een schuivend paneel.
Het probleem met jaloezie is echter dat ze als emotie vaak overdadig is en een relatie juist kan doen breken. En is jaloezie wel een noodzakelijke voorwaarde voor een langdurige, intieme relatie? Niet noodzakelijk. Er zijn koppels met open relaties. Zij stellen zich tevreden met een kleinere intieme ruimte en kunnen in hun private leven net zo gelukkig zijn als stellen die behoefte hebben aan een grotere intieme ruimte en dus eerder jaloers zijn (waarmee ik niet wil zeggen dat jaloezie niet voorkomt in open relaties, zoals bijvoorbeeld wanneer het vermoeden ontstaat dat een sekspartner meer wordt dan dat alleen). Zo beschouwd geniet een open relatie de voorkeur. Maar het is een simpel (evolutionaire bepaald) feit dat de meeste mensen daartoe simpelweg niet in staat zijn. De meeste mensen zijn daarmee kwetsbaar in relaties. Ook hier geldt: de keuze voor een verbintenis komt onvermijdelijk ook met negatieve emoties. Voor zover liefde ook inhoudt de wens tot een exclusieve intieme ruimte, ligt jaloezie altijd op de loer. Waar het om gaat is dat we intelligent en rationeel omgaan met die emotie en er ook eerlijk over zijn richting onszelf en de ander. Het gevoel van jaloezie vormt een aanwijzing waar we iets mee moeten. Van belang daarbij is wel te voorkomen dat jaloezie ontaardt in diep wantrouwen of antipathie tegenover de partner dan wel degene die als bedreiging wordt gezien. Al deze elementen behoren niet intrinsiek tot jaloezie (als antipathie tegenover de partner aanhoudt, is jaloezie doorgeslagen naar boosheid en is de vraag aan de orde of de relatie verder kan gaan). Door deze ontkoppeling, matiging en rationele weging kan jaloezie niet alleen praktische, maar ook morele waarde krijgen. Dit kan ook aan het licht brengen dat de gewenste, exclusieve intieme ruimte van partners verschillend is, wat verdergaan onmogelijk maakt. Maar zo kan uiting van jaloezie ook meer lijden voorkomen.
angst
Angst leidt tot grote persoonlijke problemen: "Geestelijk gezien kan iemand met chronische angst niet helder meer nadenken, prikkelbaarder worden en door de bank genomen minder goed functioneren. Angts kan ook fysieke problemen tot gevolg hebben, zoals een verlaagde weerstand, hartkwalen, maag-en darmklachten, vermoeidheid en spieren die gespannen zijn en pijn doen." (DL, 1998:291). De aanleg voor angstgevoelens is biologisch bepaald en sommige mensen lijken een zekere neurologische gevoeligheid te hebben voor het ervaren van zorg en angst. Angstgevoelens zorgen voor grotere overlevingskansen. Maar ook angst voor lange termijngevolgen van persoonlijke daden is vaak rationeel; ze zorgt dat we op het rechte blijven en harterlijker worden, hoewel je je kunt afvragen in hoeverre dit doordenken echt angst is. Maar angst kan ook irrationeel zijn, als er absoluut geen uitweg is, geen antwoord en geen mogelijkheid om het probleem op te lossen.
Sartre maakte een belangrijk onderscheid tussen vrees en angst: "angst onderscheidt zich hierin van vrees dat vrees vrees voor de instanties van zijn van de wereld is en angst angst tegenover mijzelf. (..). Een situatie die vrees oproept in zoverre ze mijn leven en mijn zijn van buitenaf dreigen te veranderen, roept angst op in de mate waarin ik mijn eigen reacie op die situatie wantrouw." Een gerelateerde tweedeling in betekenis is dat angst angst is voor het onbestemde; de horror vacui, zoals die bijvoorbeeld opgeroepen wordt door angstaanjagende muziek voorafgaande aan een climax in een horrorfilm. Maar ook de angst hoe ergens mee om te gaan. Vrees is daarentegen concreet; de emotie die opkomt bij duidelijke bedreigingen van buiten.
Vrees heeft een duidelijke morele en praktische waarde. Bij gevaar moeten we handelen, in het belang van onszelf of anderen. Maar hoe zit het met angst? Als we goed reageren op bedreigende situaties (of daarop anticiperen), is angst, "de vrees van binnen", dan nog wel nodig? Ik geloof van niet. Als we een bedreigende, of stressvolle situatie goed voorbereid tegemoet treden, zou dat genoeg moeten zijn. Het zou ook niet nodig zijn bang te zijn voor het onbestemde, of voor onrealistische scenario's. Angst voor eventualiteiten kan wel rationeel zijn, voor zover deze een redelijke mogelijkheid vormen. Dan is er sprake van een concrete dreiging en is vrees een gepaste emotie. Maar angst gaat vaak over scenario's waar weinig of geen grond voor is, voor het onbestemde, over innerlijke onzekerheid op een goede afloop, ondanks dat door getroffen maatregelen er goede reden is tot een goede afloop.
Hoe kan angst verder tegengegaan worden? Eerst gaat het erom om te ontdekken of er aan een situatie die angst oproept iets gedaan kan worden. Zo niet, dan is wijsheid om je er geen zorgen over te maken, want je kunt er toch niets aan doen. Angst kan bezworen worden door passend te reageren op stressvolle situaties. Vermijd gedrag is vaak niet de oplossing; dat vermindert onze eigenwaarde en voorkomt dat we groeien. Binnen het boeddhisme wordt het opgeven van angst bereikt wanneer een staat van nondualisme bereikt is. Dan is het zelf niet meer afgescheiden van de wereld, maar valt daarmee samen. Het zelf hoeft zich dan ook niet meer te beschermen voor dreigende gevaren van buiten. Er is immers geen buiten meer. Dit neemt niet weg dat we bij concrete dreigende situaties het gevaar dienen te onderkennen en vrees een gepaste activerende emotie is. Volgens de Dalai Lama (1998) zijn een juiste motivering en eerlijkheid vooral van belang om met angst om te gaan.Wie vanuit het hart spreekt met goede motieven zal minder bevreesd zijn. Ze geven zelfvertrouwen en verdrijven angst. Je doet gewoon je best. Als we ons realiseren dat we goede bedoelingen hebben, zullen we meer durven. Hoe eerlijker je bent, hoe minder angst je hebt, want je hoeft niet bang te zijn dat anderen je zullen ontmaskeren. En eerlijk kun je alleen zijn met zelfkennis. Wie zonder zelfkennis handelt, zal ontmaskerd kunnen worden zonder daarop bedacht te zijn. Onderzoek heeft laten zien dat mensen die een realistisch beeld van zichzelf hebben, zichzelf vaak aardiger vinden en meer vertrouwen hebben dan mensen met onjuiste zelfkennis.

tot besluit
Emoties hebben veel functies. Ze zijn nodig voor praktisch-rationeel handelen, zoals Damasio aantoonde. Ze zorgen ervoor dat we in situaties waar dat nodig is snel tot beslissingen komen (meest evident in de keuze tussen fight or flight). Ook spelen emoties een belangrijke rol bij communicatie doordat ze uitdrukking geven aan onze relatie tot de werkelijkheid. Ze verschaffen oprechtheid en duidelijkheid in de communicatie en informeren tevens anderen over situaties. Hier stond centraal dat emoties ook morele betekenis hebben (ook op het eerste gezicht negatieve) omdat ze aanzetten tot morele acties (zoals het behoud van relaties bij jaloezie, of het helpen van anderen bij vrees en woede). Maar Ben-Ze'ev wijst nog op een andere functie van emoties, namelijk die van moreel kompas. Emotionele ervaringen geven inzicht wanneer we een morele grens dreigen over te gaan. Enkele van de meest verschrikkelijke misdaden zijn begaan op basis van koele intellectuele calculaties. Emotionele weerstand is een krachtig middel om morele transgressie te voorkomen. Moreel gedrag is moeilijker voor mensen met een lage emotionele ontwikkeling. Iemand met weinig inlevingsvermogen zal nauwelijks weerstand ervaren wanneer deze kwade intenties heeft. Emoties hebben dus een duidelijke kompasfunctie; ze verschaffen niet alleen zelfinzicht (als we daar tenminste open voor staan), ze verschaffen ook morele en spirituele richting. Gevoeligheid kan worden ontwikkeld. Zeker gevoeligheid voor leed draagt bij aan moreel gedrag. Tegelijk kunnen emoties ook aanzetten tot verschrikkelijke misdaden. Binnen iedere spirituele of levensleer zou dan ook de integratie van emotie en rede centraal moeten staan. Een leer die uitgaat van de waarde van emoties schiet tekort, net als een leer die de rede alleen centraal stelt. In deugdzame mensen, zo onderkende Aristoteles al, komen de rede en de emoties op harmonieuze wijze samen. Voor deze wijsgeer is de deugdzame persoon niet alleen hij die deugdzaam handelt (het goede doet), maar die dit ook doet met de bijbehorende emotionele toestanden. Het gaat erom plezier te vinden in het doen van het goede. Iemand die enkel uit plichtsbesef het goede doet, is niet werkelijk deugdzaam; hij moet het ook doen omdat hij er met zijn hart naar verlangt dat te doen. De Boeddha zei al dat we niet moeten geven uit plichtsbesef, maar uit blijdschap. Vrijgevigheid, daar gaat het om. Iemand die fantaseert over ontrouw maar dit niet doet, is niet werkelijk deugdzaam. Deugdzame mensen zijn niet kalm en zonder gevoelens, maar ze worden ook niet geleid door heftige passies. In de werkelijk deugdzame mens zijn emoties, waarden en de rede niet in conflict. Het moge duidelijk zijn dat dit een positie is die de meeste mensen maar heel weinig bereiken. Maar het is het streven meer dan waard.
bronnen
-Dalai Lama en Howard Cutler (1998). De kunst van het geluk
-Mariette Willemsen (2010). Denkbewegingen. Inleiding in de filosofie van emoties.
-diverse internetbronnen (zie links)
1) vrijheid vraagt oefening in onthechting; het opgeven of matigen van lagere afhankelijkheden om hogere (lange termijn) doelen te kunnen bereiken. Het betekent ook bewust worden van onze slechte neigingen en de gevolgen ervan, want dat is geen vanzelfsprekendheid. Vreetbuien, gedachteloos eten is slecht voor het lichaam en getuigt van te weinig waardering voor het lichaam die de motor is van onze geest. Dit terwijl er geen verlichting van overmaat uitgaat (de positieve effecten zijn miniem), maar vaak wel schuld en spijtgevoelens. Door bewuste herwaardering wordt matiging mogelijk en daardoor vrijheid.