De zin van het leven
De vraag naar de zin van het leven moet niet gezien worden als een metafysische vraag. Het antwoord kan onmogelijk een feitelijke uitspraak zijn. In die zin is er helemaal geen 'oplossing'. Zoals de Oostenrijkse filosoof Wittgenstein al aangaf kunnen we spreken over standen van zaken in de wereld, maar niet over de betekenis van de wereld als geheel. Maar, en dat onderkende Wittgenstein ook, dat wil nog niet zeggen dat we helemaal niets over de zin van het leven kunnen zeggen. De zin van het leven is geen graal die ergens begraven ligt of onderwerp van feitelijk onderzoek, maar de vraag naar een zinvolle manier van leven. De vraag naar de zin van het leven is ethisch en niet metafysisch van aard. Het is dat wat het leven de moeite waard maakt. Dat waarom we ten diepste door zouden moeten gaan met leven. De zin van het leven is niet het wezenskenmerk ervan. We kunnen bijvoorbeeld met goede argumentatie zeggen dat het wezenskenmerk van het leven lijden is, maar om dat nu ook de zin van het leven te noemen...
Als wordt ingezien dat de vraag naar de zin van het leven ethisch is, dan wordt ook duidelijk dat de zin van het leven niet afhankelijk is van het bestaan van God. Voor veel mensen is dat niet te bevatten. Zij leven met de neurotische angst dat zonder God er geen zin kan zijn, een wezenskenmerk van orthodox religieuze mensen, volgens Terry Eagleton, hoogleraar Engels in Manchester en auteur van The meaning of life. Gods bedoelingen mogen dan niet altijd duidelijk zijn (wat nog het meest duidelijk is ten aanzien van het lijden in de wereld), maar Hij verschaft tenminste één doel voor Zijn onderdanen: Zijn naam eer bewijzen en hem in Zijn goedertierenheid volgen. Ook als de kosmos niet geschapen is, kan zij nog wel degelijk zin verschaffen. In ieder geval is er sprake van een zekere ordening en binnen een orde hebben de daarin aanwezige elementen ten opzichte van die ordening wel degelijk een doel. Kant sprak in dit verband van doelmatigheid zonder doel, zoals de organen binnen ons lichaam doelmatig zijn. Er is dus sprake van veel doelmatigheid, maar waar kan het hogere doel gevonden worden?
Misschien, zo stelt Eagleton, is die zin wel dichterbij dan we denken en ontgaat ze ons omdat we er te dicht bij zijn. Misschien hebben we te hoge verwachtingen van dé zin van het leven en schuilt deze in minder verheven zaken die ons niettemin oplichten. Een andere mogelijkheid is dat er helemaal geen zin is. Niet alleen niet in feitelijke zin, maar ook niet in ethische zin. Het postmodernisme huldigt deze opvatting bijvoorbeeld. Wie somber beweert dat het leven geen zin heeft, blijft gevangen in de illusie dat het zin zou kunnen hebben. Maar het leven is niet iets waar zulke stelligheden op van toepassing zouden kunnen zijn. En waarom er dan over klagen? Bovendien, zo stellen de postmodernisten, is het maar beter dat er geen zin van het leven is. Dat zou onze vrijheid maar beperken. Zonder zin kunnen we tenminste nog experimenteren en hebben we de ruimte zelf te zoeken naar betekenis.
Is dat dan de zin van het leven? Dat wat je ervan maakt? Deze in deze individualistische tijd ongetwijfeld breed aangehangen opvatting doet toch wel wat subjectief en narcistisch aan, zo meent ook Eagleton. Het leven is toch meer dan succes hebben? En echte betekenis maken individuen niet zelf; die komen in het sociaal verkeer tot stand. Dit nog los van het feit dat zelf betekenis creëren nauwelijks mogelijk is, geconditioneerd als we zijn door het web van betekenissen waarin we gevangen zitten. Het is altijd binnen de grenzen van onze taal dat we betekenis moeten vaststellen, gebruik makend van wat voorhanden is. Echte zin, dat wat echt de moeite waard is, dat overstijgt ook het zelf. Eagleton verwoordt het treffend als hij het hedonisme, de levensstijl die op eigen belang en persoonlijk genot gericht is, als anti-levenshouding typeert die dus weinig met echte zin te maken heeft:
"De verwoede jouissance van pluk de dag, smeed het ijzer als het heet is, we drinken er nog één, en na ons de zondvloed, is een wanhopige strategie om de dood te slim af te zijn, een strategie die tevergeefs probeert het leven te bedotten in plaats van er iets van te maken. Dit uitzinnige hedonisme brengt in feite hulde aan de dood die het tracht te ontkennen." (Eagleton, p. 147)
Maar er zijn meer redenen waarom geluk najagen niet het hoogste doel van het leven kan zijn. Ten eerste vanwege de hedonistische paradox. Ten tweede betekent geluk los van enige activiteit niet veel. Als een pil of ingreep in de hersenen ervoor konden zorgen dat we permanent gelukkig zijn, zou dat dan uitkomst bieden? Dan zijn we toch niet meer dan gelukkige dwazen? Of als we de hele dag gelukkig stoned zijn, is dat dan zinvol? Ten derde kunnen mensen gelukkig worden van verachtelijk gedrag. Op macroniveau zou het doel kunnen zijn evenveel geluk voor allen, maar ook dat doel brengt weer problemen met zich mee, los van de onhaalbaarheid ervan (zie hier voor een filosofische bespreking). Ten vierde zijn er andere plausibele kandidaten als ultieme zingever: liefde, zelfverwerkelijking, zorgzaam zijn en leven naar de natuur bijvoorbeeld. Toch kan een bestaan zonder geluk (of daarvan afgeleide positieve gevoelens) toch moeilijk als zinvol worden beschouwd.
Wat is het dan dat het menselijk leven ten diepste zin geeft? Opvallend genoeg zijn er niet veel filosofen die zich met deze vraag bezig hebben gehouden. Waarschijnlijk omdat ze menen dat er toch niets zinnigs over gezegd kan worden en de vraag meer als theologisch wordt beschouwd. De Amerikaanse filosofe Susan Wolf laat in haar boek Meaning in life and why it matters zien waarom dit niet terecht is. Vanuit een analyse van de psychologische motivaties die mensen hebben, maakt ze inzichtelijk wat er over zingeving gezegd kan worden. Ze geeft geen substantiële definitie van de zin van het menselijk bestaan, maar wat de voorwaarden zijn om te kunnen spreken van een leven zinvol. Volgens haar zijn er drie fundamentele motivaties voor handelen: we kunnen handelen uit eigenbelang (geluk, genot), vanwege plicht (iets doen omdat dat het goede is; moreel handelen) en uit betrokkenheid of liefde. Als we bijvoorbeeld voor onze naasten zorgen, doen we dat noch vanwege een plichtsgevoel, noch vanuit egocentrische motieven (als het goed is), maar uit "redenen van liefde".
Deze zelfde redenen spelen niet alleen in het intermenselijk verkeer. Een schrijver wil een goed stuk schrijven en maakt zich daarbij niet druk of hij zich daardoor wel beter voelt, of dat dit zijn geluk maximaliseert, stelt Wolf. Dit valt in twijfel te trekken. Het is goed mogelijk dat de schrijver uiteindelijk schrijft omdat hij meent dat dat hem op de lange termijn en overall het meeste geluk brengt. Maar ook al is dat waar, dan nog heeft Wolf een punt dat de verwachting van maximaal geluk alleen onvoldoende motiveert en tenminste grotendeels te herleiden valt tot de liefde voor zijn werk die dat geluk in de eerste plaats mogelijk maakt.
Tegelijk kun je ook niet zeggen dat hij schrijft vanuit een plichtsbesef. Er is een innerlijke motivatie die verder gaat, namelijk liefde voor de activiteit, schrijven in dit geval. Vanwege die liefde of betrokkenheid (en dus ook wel de verwachting van later geluk) is de schrijver bereid zichzelf genot en gemak te onthouden en zichzelf te disciplineren. De mens wil niet alleen een leven gericht op geluk, noch wil hij zich alleen maar voegen naar een moraal en hier uit plichtsbesef naar handelen. Hij wil ook een zinvol en waardevol leven. De zin van het leven is dan volgens Wolf ook gelegen in een actieve (liefdevolle) en positieve betrokkenheid in projecten van waarde met persoonlijke voldoening als gevolg. Wanneer die betrokkenheid onder genoemde voorwaarden substantieel deel uitmaakt van iemands leven, kan met recht gesproken worden van een zinvol leven, aldus Wolf.
In de definitie van Wolf zit een subjectieve en een objectieve voorwaarde. De subjectieve voorwaarde kan worden samengevat met: "Vind uit wat je enthousiast maakt en ga daarvoor". Het objectieve element met: "Zorg dat je betrokken raakt bij iets groters dan jezelf". Iemand kan een passie hebben voor het oplossen van sudokapuzzels of het verzorgen van een goudvis, maar vanwege het gebrek aan een hogere, objectieve waarde, kunnen deze activiteiten niet als zinvol opgevat worden in de betekenis dat het echt zin aan het leven verschaft. Natuurlijk kunnen deze voorbeelden prettig tijdverdrijf zijn en in het geval van de goudvissen zelfs belangrijk, maar de objectieve voorwaarde ontbreekt. Ook Eagleton meent dat alleen het leven naar autonoom gekozen activiteiten nog niet zinvol is. Er kan geen betekenis zijn die alleen uniek voor mij is. Daarbij wordt zingeving als een individueel project opgevat, waarbij de waarde van wederkerigheid of gemeenschappelijkheid wordt buitengesloten. Eagleton gebruikt de metafoor van een jazzcombo voor de zin van het leven, "waarbij de vrije muzikale expressie van het ene lid de basis vormt voor de vrije expressie van de ander." De zin van het leven is gelegen in de vrije ontplooiing van onze vermogens in een liefdevol verband, waarbij liefde wordt opgevat als het soort wederkerigheid dat ons daartoe het beste in staat stelt. Het liefst ziet Eagleton dat het model van het jazzcombo op grote schaal tot stand wordt gebracht. Een mooi ideaal, maar hiermee wordt toch te veel miskend dat veel zingeving niet in (direct) sociaal verband gerealiseerd kan worden. Neem bijvoorbeeld de romanschrijver; een solitaire activiteit leidt tot een door velen gewaardeerde uitkomst, zonder dat het jazzcombo-model hierop van toepassing is.
Terug naar Wolf. Zij meent dat passie en actieve betrokkenheid alleen niet genoeg zijn om zin te verschaffen aan het leven. De activiteit moet ook objectief waardevol zijn. Maar waarom die voorwaarde, vragen haar critici in het genoemde boek zich af. Kan in plaats van naar objectieve waarde niet beter verwezen worden naar de menselijke natuur? Sommige activiteiten zijn niet complex of sociaal genoeg om echt voldoening te geven, zoals sudokaspelletjes en goudvissen verzorgen. Onze vermogens worden onvoldoende ingeschakeld. Referentie aan objectieve waarde is dan niet nodig. Wolf antwoordt, naar mijn idee overtuigend, dat los van het probleem om de menselijke natuur te definiëren, het niet duidelijk is waarom we onze natuur dan maar zouden moeten volgen:
"Even if one can defend the idea that realizing the potentials of one's nature is a form of fulfillment that contributes to the good of the subject, and thus is an ingredient of her self-interest, it is not obvious why it would make the person's life meaningful. Moreover, if it is possible to transcend one's nature, and to do something wonderful that is not connected to one's nature, shouldn't that too be a way in which that person's life can be made meaningful." (Wolf, p. 123)
Maar wat heeft dan objectieve waarde en wat niet? Hier komt Wolf ook niet helemaal uit, zoals ze ook ruiterlijk toegeeft. Ze kiest voor een brede opvatting: "I am inclined to think that almost anything to which a significant number of people have shown themselves to be deeply attached over a significant length of time, has or relates to some positive value-that almost anything people find valuable (stably and in significant numbers), is valuable. (Wolf,p. 128). Waarmee Wolf niet zegt dat omdat veel mensen iets doen het dat ook waardevol maakt. Iets lijkt voor haar objectieve waarde te hebben als het bijdraagt aan de versterking van sociale verbanden, of een mogelijkheid biedt voor de cultivering en uitoefening van vaardigheden en deugden. Activiteiten kunnen dus bijdragen aan een zinvol leven zonder dat dit bijdraagt aan het geluk van anderen. Intuïtief lijkt dit aannemelijk. Voor mij is het leren en overdenken hoe de wereld in elkaar zit bijvoorbeeld een activiteit die ik graag uitoefen. Zelfs als ik opgedane kennis en inzichten niet zou delen, zou dat denk ik toch bijdragen aan een zinvol bestaan. Maar het lijkt me wel dat een leven nog zinvoller wordt als we door onze activiteiten ook anderen verder kunnen helpen.
Voor veel mensen heeft hun leven pas zin als het in zekere zin geslaagd is. Ze leven met het idee dat "als ik later maar terug kan kijken op een geslaagd leven, dan heeft het zin gehad." Moet een zinvol leven per se geslaagd zijn? Is bijvoorbeeld het leven van een onderzoeker die op het einde van zijn carriere moet constateren dat zijn theorie onjuist is, zinloos geworden? Wolf stelt dat we de vraag of we geslaagd zijn niet alleen aan onze eigen doelen moeten relateren. De onderzoeker kan ondanks de falsificatie van zijn theorie met zijn onderzoek toch de wetenschap verder hebben geholpen. Hij heeft in ieder geval een pad verkend dat niet de juiste bleek. Dat inzicht heeft andere wetenschappers verder gebracht (mogelijkheden zijn weggestreept). Soms zijn we voor onszelf mislukt, maar niet (geheel) voor anderen. Het valt zelfs te verdedigen dat alleen al het bijdragen aan wetenschappelijke kennis op zich waardevol is. Wel is een voorwaarde van Wolf dat we niet alleen bijdragen, maar ook op een positieve wijze. Iemand die van voetbal houdt, maar geen bijdrage levert aan het team omdat hij alleen maar de in weg loopt, is niet zinvol bezig. Iemand die uit liefde zorg verleent, maar op een schadelijke manier kan, ondanks dat hier sprake is van een objectieve waarde, beter zijn activiteiten stoppen. Mislukkingen brengen vaak ook nieuwe inzichten mee. Het is dan ook maar beter onze doelen niet te nauw te definiëren en bescheiden te zijn in wat we nastreven. Het risico bestaat altijd dat een object van waarde achteraf geen waarde heeft.
Wolf meent dat een zekere mate van persoonlijke voldoening voorwaarde is voor zinvol handelen. Maar is het niet voldoende om te zeggen dat een betrokken leven zin geeft, zonder de verdere voorwaarde dat die betrokkenheid ook voldoening moet geven? Wolf stelt terecht van niet. Het is bekend dat veel schrijvers maar weinig plezier aan het schrijven ervaren. Er kan zelfs sprake zijn van een heilig moeten, waarbij gevoelens van minderwaardigheid optreden wanneer men zich te lang niet met een activiteit bezighoudt. Doelen kunnen de passie die ze vormden overleven. Wanneer we relatief weinig passie voelen en de motivatie tot het verdringen van negatieve gevoelens belangrijker wordt, is er iets mis. We kunnen ons inzetten voor objectief waardevolle zaken, zoals een carrière als leraar, maar als daar ons hart niet ligt en vervreemding en verveling op de loer liggen, dan is dit onvoldoende zingevend. Iemand kan liefdevol een partner verzorgen, maar niettemin geen zinvol (maar ook niet direct een zinloos) leven leiden. Wolf geeft het voorbeeld van de huisvrouw die wel respect heeft voor haar echtgenoot, maar zich toch beperkt en gevangen voelt in haar situatie.
Zoiets als de zin van het leven bestaat niet (althans, niet voor wie God niet als leidend beginsel aanneemt). De zin van het leven ziet er voor iedereen anders uit. Er is alleen maar betekenis en zin in het leven, niet van het leven in het algemeen. Maar we kunnen wel zeggen wat de algemene kenmerken van een zinvol leven zijn: een actieve betrokkenheid/liefde op zaken met een zekere mate van objectieve waarde (die dus niet afhankelijk is van het individu). Daarmee is nog niet gezegd dat we altijd maar zinvol moeten leven. Vooral niet; op zijn tijd moeten we ook even gek kunnen doen, kunnen luieren en ontspannen. En waar nodig morele plichten nakomen. Het is ook niet gezegd dat gesteld voor de keuze we altijd voor de zinvolle activiteit moeten kiezen, in plaats voor de optie die kortstondig geluk en genot oplevert. De een heeft meer behoefte aan zin dan de ander. Maar te weinig zin in het leven, leidt tot oppervlakkigheid, innerlijke leegte en vervreemding.
Bronnen:
-Terry Eagleton (2008). De zin van het leven, vertaald uit het Engels
-Susan Wolf (2010). Meaning in life and why it matters.