De prijs van welvaart

Tijdens mijn vakantie dit jaar in Indonesië heb ik een fietstocht gemaakt in een dorpje nabij Yogjakarta. Dat soort excursies zijn zo leuk omdat het de mogelijkheid biedt te zien, hoe beperkt ook, hoe het dagelijks leven van dorpsbewoners in die streken eruit ziet. Mijn gids, die zelf in het dorpje woont, bracht me langs de lokale school waar de schoolkinderen voor me zongen, naar de velden waar de landarbeiders onder een brandende zon het gerijpte voedsel van de grond onthechtten, naar een werkplaats in een woonhuis waar geweven wordt en naar een traditionele genezeres die een heftig protesterende baby balsemde als bescherming tegen al het mogelijke onheil. De mensen in het dorp waren zonder uitzondering open en hartelijk. Ik sprak met mijn gids over het dagelijks leven. Het dorp was een hechte gemeenschap waar de mensen vaak ook samenwerkten. De rijstvelden waren gemeenschappelijk bezit; de opbrengst werd eerlijk verdeeld onder de gezinnen van de werkende arbeiders. Communisme zoals het ooit bedoeld was. Toen we door het dorp fietsten waren de arbeiders bezig met het rooien van de rietsuikerstengels en de rijst, maar ’s middags, na zes uur harde arbeid, waren ze vrij. Uiteraard kende iedereen elkaar en men trof elkaar geregeld bij de lokale markt of bij eetgelegenheden. Soms ging men naar de grote stad, op de motor. Het leven was verre van luxe, maar armoede was er niet. De huizen waren degelijk, van leem of steen, en iedereen beschikte over een tv, een motor en elektriciteit. Eenmaal terug in mijn hotel vroeg ik me af wat nu de oorzaken zijn van die saamhorigheid en betrokkenheid die je in die dorpen tegenkomt en die in het westen zo geërodeerd is. Ik kwam tot de volgende factoren:

-economische afhankelijk. Huishoudens zijn van elkaar afhankelijk om aan levensgoederen te komen. Ieder huishouden levert een bijdrage aan de goederenvoorraad waar behoefte aan is en verkoopt dit aan elkaar. Van harde concurrentie is hierbij geen sprake. Meerdere aanbieders van zelfde producten zorgen voor scherpte in de prijsstelling, maar het draait om een eerlijke prijs, waardoor men in het levensonderhoud kan voorzien, weet iedereen. Het beperkte overaanbod wordt in de grote stad verhandeld; op voedselgebied is het dorp zelfvoorzienend wat zorgt voor een sterke afhankelijkheid. Die afhankelijk wordt ook als zodanig ervaren, wat voor een sterke sociale integratie zorgt die zich uit in loyaliteit en solidariteit

-religie. In dorpen hangt iedereen of de overgrote meerderheid dezelfde religie aan, wat zorgt voor een sterke binding omdat de ander als gelijke, als groepslid wordt beschouwd. Die binding wordt verder bevestigd en in stand gehouden door aan de religie verbonden tradities en rituelen. Op Bali waar de meeste mensen hindoe zijn, is dit bijvoorbeeld heel sterk. Iedere clan en ieder dorp heeft zijn eigen heilig gebied, vaak een tempel, waar geregeld rookoffers worden gebracht. Dagelijks bieden de inwoners de goden offers van bloemen en voedsel aan wat altijd een gemeenschappelijk ritueel is

-concrete solidariteit. Bij gebrek aan een verzorgingsstaat (abstracte solidariteit), is concrete solidariteit noodzakelijk voor steun en bescherming aan de zwakkeren in de samenleving. In de eerste plaats zorgt de familie voor de leden die niet kunnen werken. Ouders kunnen bijvoorbeeld rekenen op zorg en geld van hun kinderen wanneer fysieke beperkingen optreden. Voor mensen die steun behoeven en geen familie hebben, zijn er andere naasten, of is er steun vanuit de religieuze infrastructuur. Uit onderzoek blijkt ook dat kinderen de zorg voor hun ouders niet als last ervaren, maar als een vanzelfsprekendheid. Er is sprake van hechte familiebanden vanwege de emotionele en economische afhankelijkheid. Ik vroeg hoe het dorp aankijkt tegen nieuwelingen. Nieuwe bewoners van buiten zijn welkom, zei mijn gids als ze de gebruiken van het dorp maar respecteren. Het is eigenlijk net als hier: een open gemeenschap die haar grenzen, zowel in cultureel als economisch opzicht, goed bewaakt. Om die reden werkte de afgedwongen emigratiepolitiek (Transmigrasi), om de overbevolking op Java tegen te gaan, dan ook niet.

-omvang van de gezinnen. Gezinnen zijn groter dan in westerse landen. Per huishouden worden er daardoor meer contacten gelegd met anderen, wat leidt tot meer relaties tussen families

-warmte. Door de warmte brengt men veel tijd buiten door: in parken, in de tuin, op marktplaatsen, enz. Ook eet men vaak buiten. Hierdoor wordt vaker contact gemaakt. In plaats van dat mensen zich terugtrekken achter de televisie, brengt men de tijd buiten met elkaar door.

-relatief weinig moderne technologieen. Veel moderne technologie is gericht op het individu, waardoor sociale activiteiten minder werden. De grootste impact in deze heeft de televisie gehad. Nu zijn het bijvoorbeeld games die zorgen voor meer solitair vermaak. Traditionele gemeenschappen beschikken daarnaast over veel minder boeken en tijdschriften.

-beperkte woonruimte per huishoudlid. Vaak is de woonruimte van een huishouden niet groot, terwijl het aantal leden wel hoog ligt omdat ook grootouders en aangetrouwde familie inwoont en het kindertal relatief hoog is. Buiten is er meer ruimte, waar men weer vaker in contact treedt met andere inwoners die ook buiten zijn. Buiten treft men elkaar spontaan. Bij elkaar op visite gaan moet geregeld en gepland worden, zodat contactmomenten lager liggen.

-groepsdenken. een gemeenschap wordt mede gedefinieerd door wat het niet is en waar het zich door wil onderscheiden. Naarmate een gemeenschap homogener is, is er sprake van “wij-zij denken”. Dit past bij de menselijke neiging tot binding en onderscheiding. Groepsdenken is in potentie gevaarlijk, maar zorgt wel voor een sterke binding ook al is deze soms gebaseerd op valse superioriteitsaanspraken.

-Economische gelijkheid. Door een gebrek aan carrièreperspectief zijn de inkomensverschillen zeer beperkt binnen een gemeenschap. Soms zijn er enkele rijken, maar het gros verdient een vergelijkbaar inkomen. Doordat iedereen min of meer in hetzelfde schuitje zit, herkent men zich als gelijke in de ander, wat tot verhoogde binding leidt.

-desintegratiereductie. Leden van kleine gemeenschappen zijn zich bewust van de desastreuze effecten die conflicten kunnen hebben. Waar je in het westen relatief eenvoudig kunt verhuizen of bij een conflict naar de rechter kan stappen, zijn deze exitopties voor inwoners van gemeenschappen in arme landen moeilijker begaanbaar. Bovendien ontspinnen conflicten zich al snel tot grotere proporties omdat iedereen elkaar kent en men door nauwere banden eerder partij zal kiezen. Beperkte conflicten worden zo algauw groepsconflicten en kunnen zelfs hele gemeenschappen verscheuren. Door de hoge sociale integratie is men voor de gemeenschap bovendien nooit anoniem; er wordt veel gekletst en geroddeld en de uitwerking daarvan kan zeer ernstige gevolgen hebben, zoals sociale uitsluiting. Iedereen is dus zeer behoedzaam en is geneigd tot beheersing van conflicten en voorkoming van deviant gedrag. Dit heeft het voordeel dat men eerder rekenschap geeft van de belangen van de ander en de gemeenschap en als nadeel dat de persoonlijke vrijheid beperkt is.

-immobiliteit. Werk en wonen zijn nauw met elkaar verbonden in traditionele gemeenschappen, soms zelfs geheel, zoals bij de werkplaatsen thuis. Vaak is men aan het land gebonden wat een redelijk zekere bron van inkomsten verschaft voor velen, terwijl de baankansen buiten de gemeenschap minder groot zijn. De immobiliteit die hiervan het gevolg is, zorgt voor langdurige contacten en een sterke binding

-schaal van de gemeenschap. Het is een open deur, maar de beperkte omvang van de gemeenschap is op zichzelf een factor die leidt tot meer sociale binding

-natievorming. Sociale binding wordt ook vanuit overheidswege bevorderd. In Nederland bestaat een afkeer van nationalisme. In een land als Indonesië met haar verscheidenheid aan sterk uiteenlopende culturen die ook nog eens natuurlijk zijn afgescheiden, is een zeker patriottisme echter nodig om de eenheid van het land te behouden. Zonder nationaal eenheidsgevoel zou een land als Indonesië, dat te maken heeft met diverse afscheidingsbewegingen vanuit de Molukken en Irian Jaya, al snel uiteenvallen. Natievorming en patriottisme worden door overheden echter ook bevorderd om verzet in de kiem te smoren. Hierbij worden andere landen als vijandig afgeschilderd om het volk af te leiden van de wanprestaties van de eigen regering en de oorzaken daarvan bij het buitenland te leggen. Patriottisme is dan ook vaak verbonden met groepsdenken en aangekweekte superioriteitsgevoelens. Noord-Korea is hiervan waarschijnlijk het beste voorbeeld. De regering verheerlijkt het land en zet de VS en het westen neer als onbetrouwbaar en immoreel.

Wat opvalt is dat veel van deze factoren die zorgen voor betrokkenheid en saamhorigheid zijn weggevaagd door de groei van de welvaart. Honderd jaar geleden waren er in Nederland ook nog hechte, grotendeels zelfvoorzienende, gemeenschappen zoals in Indonesië, maar de welvaartsontwikkeling heeft deze in hoge mate ondermijnd. De groei van de economie heeft de verzorgingsstaat mogelijk gemaakt die concrete solidariteit in belangrijke mate overbodig maakte en verving door met belastinggeld gefinancierde voorzieningen als uitkeringen, crèches en bejaardentehuizen. Familieleden werden hierdoor minder van elkaar afhankelijk en vrouwen werden in staat gesteld buitenshuis te gaan werken. Welvaart maakte het ook mogelijk dat kinderen eerder een eigen woning kunnen krijgen, wat de intensiteit van familierelaties verder verminderde. Door de nieuwe welvaart daalde het kindertal. Wereldwijd wordt dit fenomeen waargenomen dat meer welvaart leidt tot een lager kindertal omdat kinderen niet meer nodig zijn als oudedagsvoorziening en de gederfde inkomsten als gevolg van kinderen hoger liggen dan ooit.

planten van rijst in Bogor, Indonesie

Huizen zijn groter geworden wat de behoefte om buiten te verkeren minder deed worden (en van warmte hadden we al minder last). In steden is het buiten verkeren daarbij ook vaak onaantrekkelijk door de dichte bebouwing en de afwezigheid van groen. De welvaart maakte het mogelijk om het onderwijs te verbeteren, zodat iedereen het onderwijs kan volgen dat aansluit bij de persoonlijke capaciteiten. We stevenen steeds meer af op de perfecte meritocratie waarin maatschappelijke kansen bepaald worden door persoonlijke inspanningen en talenten. En die kansen zijn er nu veel meer dan vroeger door de economische ontwikkeling vanaf de jaren ’50. De prijs van een meritocratie is evenwel economische ongelijkheid en nieuwe economische klassen waarbij de scheidslijnen dwars door steden en dorpen lopen en zo het weefsel van sociale binding verzwakken.

 

Werken in de moderne economie is veel minder verbonden aan de plaats van geboorte. Mensen verhuizen voor hun werk om hun carrièrekansen optimaal te realiseren. Door de flexibilisering van de economie is de mobiliteit alleen nog maar meer toegenomen, zodat contacten nog minder duurzaam en intensief zijn. Verstedelijking is een van de belangrijkste gevolgen van economische groei. Bedrijven concentreren zich omdat ze van elkaar profiteren en afhankelijk zijn en omdat dat consumenten aantrekt. Groei brengt nieuwe productmarkten met zich mee, wat weer meer werkgelegenheid oplevert. Dit leidt tot het nog altijd wereldwijd voortgaande proces van urbanisatie. Het leven in de grote stad is echter ontegenzeggelijk anoniemer en individualistischer dan in gemeenschappen. In de stad is men niet afhankelijk van naaste bewoners en de familie woont op afstand.

 

Economische groei heeft het westen verder tot economische en militaire supermachten gemaakt. Bovendien zijn veel westerse landen in cultureel opzicht tamelijk homogeen (wat ook met de schaal te maken heeft), zodat natievorming en patriottisme minder van belang zijn en zelfs op afkeuring stuiten. We voelen ons minder met ons land en onze landgenoten verbonden.

 

Hoewel de economie de hoofdfactor is geweest van het proces van de desintegratie van gemeenschappen en economische ontwikkeling er voor zorgt dat gemeenschappen in de toekomst verder ontwrichten in ontwikkelingslanden als Indonesië, heeft zij niet alle factoren van sociale binding en gemeenschapszin laten verdwijnen.

 

Economische groei leidt bijvoorbeeld niet vanzelf tot een verlies aan religie. Wel heeft ze bijgedragen aan de opkomst van andere vormen van religie. Religie als bindmiddel heeft daarbij aan betekenis ingeboet. Ondanks de stijgende welvaart blijft religie een belangrijk bindmiddel. Dit omdat religie verschillende sociale functies vervult die ook in een welvaartsmaatschappij van nut blijven. In arme landen biedt religie vooral hoop op betere tijden en biedt zij de mogelijkheid tot dankbaarheid. Religieuze rituelen dienen verder tot versterking van de gemeenschap. In het rijke westen zijn hoop en sociale binding minder belangrijk geworden aangezien velen al gelukkig en welvarend zijn en de noodzaak van een sterke gemeenschap niet langer aanwezig is. Rituelen bieden hooguit voor de familie momenten om de banden aan te halen, maar die functie is op zichzelf niet voldoende voor religie om te overleven. Religie biedt in het westen vooral zingeving. En daar is nog altijd veel behoefte aan omdat de westerse maatschappij met haar consumentisme en statuscompetitie voor veel mensen als onbevredigend wordt gezien; men blijft zoeker naar iets hogers, naar morele verheffing. Sommigen vinden dat in een transcendente leer, andere in diepe relaties met anderen of de kunsten. In ieder geval is religie ook geïndividualiseerd. De welvaart heeft religie niet doen verdwijnen, maar wel veranderd.

rijstveld Bali

Hoewel de traditionele, geïnstitutionaliseerde religie in het westen dus aan betekenis heeft ingeboet, is zij echter toch nog steeds zeer invloedrijk, ondanks de verminderde meerwaarde. In de VS bijvoorbeeld zijn er nog veel kerkgangers en is het traditionele christelijke geloof een zeer invloedrijke factor, niet in de laatste plaats in de politiek.

 

Hoe kan het dat het traditionele geloof nog steeds zoveel beleden wordt in moderne welvaartsstaten? Daarvoor zijn volgens mij de volgende oorzaken aan te wijzen. Ten eerste is het traditioneel geloof, bijvoorbeeld het christendom, verworden tot een selectief morele leer met een morele held, Jezus in dit geval, als voorbeeld. Verkondigers en opvoeders beperken zich tot die leerstellingen die niet antimodern zijn en stellen dat God liefde is. Religie als boodschap van naastenliefde en wijsheid zonder de problematische beweringen en verhalen die ook in de Bijbel staan. Het traditionele geloof kan blijven bestaan doordat ze van haar moeilijke, dubieuze kantjes ontdaan is. Als verheffende eeuwige morele leer met bovendien uitzicht op vergeving, genade en een hemel, biedt ook de traditionele religie genoeg concurrentiekracht tegen moderne zingevingsverhalen. Het heeft daarbij als bijkomend voordeel dat het de eigenwaarde vergroot. Wie deelheeft in een superieure macht, voelt zich al snel beter. Het (post) moderne christendom biedt zo zekerheid, steun en een zingevingskader waarbinnen naar hartelust geleefd kan worden. De dunne moraal van het nieuwe christendom past prima bij het liberale schadebeginsel. Doe wat je wilt, maar doe de ander geen schade aan is doe wat je wilt zolang je maar je naaste lief hebt.

 

Ten tweede speelt in de VS nog mee dat religie daar ook gelijk is aan een culturele traditie die positief ervaren wordt. Amerikanen zien hun land als het beloofde land waar ieder gelijk is en waar de eigen kracht en talenten bepalend zijn voor wat je kan bereiken. De inwoners zien de VS als een vrij land van gelijke mensen die hard werken, precies zoals God het bedoeld heeft; God’s own country. Voor God zijn we immers allemaal gelijk en Hij heeft aangegeven dat het de taak van de mens is hard te werken en de wereld te bewerken in liefde voor elkaar. Het christendom is onlosmakelijk verbonden met dit positieve ideaal van persoonlijke verantwoordelijkheid en vooruitgang dat nauw verbonden is met de Amerikaanse culturele geschiedenis. In Amerika gelooft men in de eigen kracht om ver te komen. Dit deels onterechte geloof in gelijkheid verhoudt zich goed met het christelijk geloof. Dit biedt deugdzaamheid en is een kracht tegen ontsporingen in de strijd tot verbetering van het eigen lot. Met God aan de zijde kan de Amerikaanse droom werkelijkheid worden. Het christelijk geloof is bovendien een bindende kracht in een land van immigranten; het heeft een nationalistische functie. Wie niet christelijk is, met de bijbehorende waarden van hard werken en deugdzaamheid, wordt al snel niet gezien als echt Amerikaans. In Nederland is bijvoorbeeld geen nationalistisch bindmiddel nodig vanwege de grote homogeniteit en de kleinere schaal wat het gevaar van afscheiding minder groot maakt (in de VS wilde het zuiden zich in de 19e eeuw nog afscheiden). Nu is dit echter minder vanzelfsprekend vanwege het ongenoegen over de islam die de nationale eenheid zou bedreigen.

 

Meer dan in Europa bovendien, waar het calvinisme hoogtij vierde, is in de VS een rijke levensstijl verenigbaar met het geloof. Het calvinisme predikte vooral hard werken en soberheid; geen aangename combinatie. Verder wordt het christelijk geloof hier eerder als strijdig gezien met moderne waarden. Hier wordt veel minder onderkend dat christelijke waarden ons groot hebben gemaakt. Door velen wordt het christendom gezien als onderdrukkend en antimodern. Het calvinisme heeft als leer afgedaan: we willen ook vooral genieten van vrije tijd. Het christelijk geloof is dan ook meer dan in de VS uit de gratie gevallen.

 

Een laatste reden, ten derde, dat het traditionele christendom, ook in haar orthodoxe varianten, nog steeds veel aanhang kent in moderne, rijke landen, is psychologisch van aard. Personen met een karakter dat ofwel een sterke hang naar orde kent, ofwel angstig is aangelegd, ofwel beide, zijn ontvankelijker voor dogmatisme, dus ook religieus dogmatisme. Zolang dit persoonlijkheidstype bestaat en in de opvoeding in aanraking komt met dogmatisch geloof, zal dit laatste ook blijven bestaan, ongeacht het welvaartspeil en de beperkte persoonlijke en sociale meerwaarde van religie.

 

We hebben gezien dat de prijs van welvaart een verlies aan gemeenschapszin en betrokkenheid is. Het verlies hiervan heeft natuurlijk ook politieke en culturele oorzaken, maar ik ben in die zin marxist dat ik vind dat het economische primeert. Het is vaak ook de economische groei die die politieke en culturele veranderingen mogelijk maakte die hebben geleid tot individualisering. Zonder welvaartsontwikkeling zou er weinig te kiezen zijn voor het individu en zou de moderne vrijheid behoorlijk leeg zijn bijvoorbeeld. Zoals hierboven is aangestipt is de culturele vrijheid (homorechten, seksuele vrijheid, emancipatie van de vrouw) verder in belangrijke mate ook een product van economische vooruitgang (ik wil dit op een ander moment nog eens nader uitdiepen). In de volgende bijdrage zal ik ingaan op de vraag of de prijs van die economische vooruitgang niet onnodig te hoog is.

 

31/5/2009