Relationeel zijn
inleiding
Door beoefening van de boeddhistische praktijk wordt het ego opgeheven en ontstaat er een ruimer bewustzijn, een bewustzijn van wat de monnik Thich Nhat Hanh het inter-zijn heeft genoemd, waarin een ervaring van verbondenheid en eenheid optreedt. In deze staat van bewustzijn, wat wel als oceanisch gevoel wordt beschreven, wordt afstand genomen van de conceptuele wereld. Een verwijdering vindt plaats van de kunstmatigheid van onderscheiden en categorieën. Linguïstische conventies verliezen hun dominantie. De wereld wordt zo minder verdeeld in hoog en laag, in hiërarchiën, in onderscheidingen. Ook de waarnemer zelf staat niet meer centraal. In het boeddhisme speelt het concept van anatta een belangrijke rol. Dit concept verwijst naar de idee dat gedachten en gevoelens komen en gaan en dat er geen permanent, afgescheiden mentaal zelf bestaat. Het zelf bestaat wel in empirische zin als waarnemend vermogen, maar er is geen achterliggend stabiel en begrensd ik. In dit hogere bewustzijn wordt ook deze werkelijke status van het zelf ervaren. Het onderscheid tussen zelf en niet-zelf vervaagt. We leren in te zien dat wat we als ons eigen zelf zien in hoge mate illusoir is, dat we geen zelfstandige wezens zijn, maar door en door sociaal. Hieronder wil ik nader ingaan op de vraag hoe het zelf zich verhoudt tot de ander en welke implicaties dit heeft.
de nadelen van het gesloten zelf
In zijn boek Relational being (2009), het magnum opus en de culminatie van decennia werk, rekent de sociaal-psycholoog Ken Gergen af met de westerse traditie waarin het individu als een begrensd wezen wordt voorgesteld. De realiteit van een gescheiden innerlijke of mentale wereld moet het ontgelden. Er is geen geïsoleerd zelf of private ervaring. Een begrensd zelf dat voorafgaat aan de sociale werkelijkheid is een fictie. Zelfs als we alleen zijn worden we nog sociaal bepaald, betoogt Gergen. Het zelf is in feite een bijproduct van relationele processen, een knoop in een netwerk, maar dan wel een dynamische knoop, omdat de netwerken veranderen, en daarmee onze positie daarbinnen. Het zelf is de intersectie binnen een overlappend en doorkruisend geheel van netwerken. In werkelijkheid ontstaan we vanuit relaties en kunnen we daar ook niet buiten stappen. Het westerse idee van de persoon als een gesloten, unieke, min of meer geïntegreerd motivationeel en cognitief geheel, een dynamisch centrum van bewustzijn, emotie en oordeel geplaatst tegenover andere van dergelijke gehelen en tegenover een sociale en natuurlijke achtergrond, dient volgens Gergen vervangen te worden. Niet alleen omdat het niet juist is, maar ook omdat het idee van een afgesloten "ik" persoonlijk en collectief welzijn in de weg staat. Zo gebeurt het dat als we onszelf begrijpen als zelfstandige individuen, eenzaamheid al snel een natuurlijke situatie is. En als we fundamenteel alleen zijn en menen de bron van onze eigen acties te zijn, dan is het moeilijk ontsnappen aan de psychische last van falen. Dan is dit algauw onze eigen schuld. Ieder inadequaat optreden stelt het essentiële ik ter discussie. En dit des te meer nu door de complexiteit van de samenleving het aantal criteria voor zelfevaluaties almaar groeit. We moeten aan steeds meer eisen voldoen. Op het werk worden de eisen hoger vanwege de kenniseconomie, maar tegelijk wordt ook van ons verwacht dat we goede vrienden en opvoeders zijn. Voortdurend worden we geconfronteerd met tekortkomingen omdat we ons vergelijken met anderen en ideaalbeelden. Volgens Gergen is zelfevaluatie op basis van sociale vergelijking echter geen fact of nature, maar een gevolg van een wereldbeeld van gescheiden individuen. "If we did not understand the world in terms of seperated individuals, each acting according to ability and state of mind, neither failure nor blame would belong to any ONE." (10)
Een ander gevolg van dit denken, van dat we ten diepste alleen staan en geconfronteerd worden met bedreigende evaluaties, is een sterke behoefte tot zelfwaardering en zelfzorg. Ondanks mijn tekortkomingen, moet ik van mezelf houden en mezelf accepteren. In een wereld waarin uitgegaan wordt van individualisme wordt de ander al snel gewantrouwd omdat verondersteld wordt dat die ook uit is op het eigen belang. Want we kunnen de ander niet kennen; we willen wel geloven dat de ander van ons houdt, maar toch knaagt er wat omdat we uitgaan van de verkeerde basisveronderstelling, aldus Gergen. Bovendien kan de ander mij niet kennen. En als zelfliefde gerealiseerd wordt, slaat ze maar al te snel door naar minder aantrekkelijke eigenschappen als narcisme, ijdelheid, arrogantie en egoïsme.
Edward Sampson maakte in Celebrating the other (2008) heel goed duidelijk hoe we onze eigenwaarde in stand houden ten nadele van anderen. We doen dit namelijk door "zelf verheerlijkende monologen", verhalen over hoe goed we zijn, hoe succesvol en deugdzaam. Om die monologen mogelijk te maken, hebben we echter mensen nodig die minder goed zijn dan wij. Aldus construeren we werelden waarin anderen irrationeel, onbedachtzaam en inferieur zijn. Er is volgens Sampson dus een nauwe relatie tussen het idee van een omvattend zelf en de kwaliteit van de relatie met anderen. We zoeken naar gebreken in de ander, hebben te weinig oog voor het goede in hen en voelen ons vooral op ons gemak bij mensen die niet bedreigend zijn voor onze eigenwaarde. Maar we hate it when our friend become succesful (zoals Morrissey zong). We scannen de wereld om ons ervan te verzekeren dat we beter zijn. We zijn uit op bevestiging van anderen en we willen scoren. Wetend dat dit streven algemeen is in het westen, wakkert dit het wantrouwen alleen maar aan. We denken al snel dat achter nobele motieven in werkelijkheid het eigenbelang schuilgaat. Wat wil je echt van me?
Als het zelf eerst komt, dan is de relatie van secundair belang. Dit zorgt voor een terughoudende opstelling; relaties brengen immers "kosten" en verplichtingen met zich mee. Loyaliteit is een begrenzing van onze hooggewaarde persoonlijke vrijheid. Als een relatie als secundair wordt gezien is ze ook voorwaardelijker, afhankelijk van de mate waarin ze nut of persoonlijk voordeel oplevert. Zo bezien is een toegewijde relatie een subtiel teken van een persoonlijk gebrek, het suggereert dat we iets tekort komen, dat we kwestbaar zijn en ons hoogste goed, onze autonomie opgeven. We leven in een cultuur waar er teveel vrijheid is voor het individu ten koste van het algemeen belang, aldus Gergen.
relatie voor het zelf: inter-zijn
"I am linked, therefore I am" K. Gergen

Ken Gergen
Tegenover het idee van het autonome, atomaire individu, plaatst Gergen een nieuw paradigma, dat gebaseerd is op het sociaal constructionisme. Deze stroming binnen de sociale wetenschap stelt dat de betekenis van alle verschijnselen bepaald wordt door contingente sociale processen, dus ook het ik:
"Here we have four proposals: first, that mental discourse originates in relationships; second, that the function of such discourse is social in nature; third, that its expression is a culturaly prescribed performance; and finally, that such performances are embedded within traditions of co-action." (2009:75)
We leven dus als het ware dankzij een voortdurende sociale dialoog, die zich intern doorzet. Er is niets in de geest dat niet al eerst in de samenleving heeft plaatsgevonden. Denken is een privaat doornemen van een publieke conversatie. Maar hoe zit het dan met onze wil? Hoe kan het feit dat we vaak weten wat onze intenties zijn, verzoend worden met de these van relationaliteit? Het antwoord van Gergen is dat het onzin is om naar binnen te kijken om daar onze intenties te localiseren. In plaats daarvan kijken we naar tradities van co-actie bij het herkennen van onze wil en pogingen. Hij geeft het voorbeeld van lesgeven. Als Gergen voor de klas staat is hij deelnemer van de praktijk van lesgeven die door iedereen zo erkend wordt. Gergen weet wat hij wil doen, niet door naar binnen te kijken, maar door zich te identificeren met de praktijk zelf. Doordat hij opgaat in de erkende praktijk van het lesgeven, kan hij ontdekken dat hij wil lesgeven. Het benoemen van intenties is het benoemen van de praktijk, of het optreden waaraan je deelneemt (maar hoe zit het dan met de a priori wil, de wil om te besluiten om te gaan lesgeven in dit voorbeeld? Hier gaat het om hoe fundamentele keuzes gemaakt worden. Ik denk niet dat alleen sociale processen bepalend zijn voor dat soort keuzen, maar ook aangeboren eigenschappen).
Ook rationeel denken is een sociaal proces, omdat standaarden voor wat als goed redeneren geldt sociaal geconstrueerd zijn binnen verschillende praktijken. Ervaringen worden bepaald door relationele processen, zelfs tot op zekere hoogte fysieke ervaringen!. Zo houden Nederlanders van haring, maar vinden mensen die niet deel hebben genomen aan deze sociale praktijk dit vaak maar vies (zoals wij sprinkhanen vies vinden). Herinneringen zijn verder in hoge mate een coproductie; door het proces van co-actie construeren we verhalen over "hoe we verliefd werden", "onze vakantie" en "de geschiedenis". Die gezamenlijke herinneringen stabiliseren niet alleen onze wereld, maar ook onze sociale betrekkingen.
Al onze handelingen en gedachten zijn het resultaat van processen van sociale co-actie en reactie in Gergens woorden, zelfs private handelingen als de krant lezen en het wassen van t-shirts. Gergen laat zien hoe rationeel denken, intenties, ervaringen, herinneringen en creativiteit sociaal gedetermineerd worden. Ook laat hij zien hoe emoties en de authenticiteit daarvan sociale constructies zijn. Als een verstokte sociaal constructivist wijst hij iedere biologisch essentialisme af. De liefde bijvoorbeeld is volgens hem een sociale uitvinding, ondanks dat het universeel lijkt. "Hoe belangrijk is romantische liefde voor gevangenen, in oorlog, in de mijnen en in de rijstvelden?" vraagt Gergen zich af. We denken wel dat onze emoties vanuit onszelf komen, maar het zijn vaak niet meer dan aangeleerde performances, die passen bij de situatie. Sociaal aangeleerd gedrag. Hij stelt het zelfs zo dat zonder collectieve overeenkomsten over tijd en plaats en expressie, er geen emoties zouden zijn. Als er bijvoorbeeld geen condities waren die mensen als vreugdevol hebben gedefinieerd, dan zou er ook geen vreugde bestaan. Het lichaam heeft wel een rol bij de ervaring van (emotionele) sensaties, zegt Gergen, maar ze schept slechts de mogelijkheid van de fysieke ervaring. Vreugde ervaren is een cultureel iets; het lichaam bepaalt niet het karakter van de vreugde. Als er meer redenen voor woede worden geconstrueerd, dan komen er ook meer woedeuitbarstingen. En er zijn nu zoveel situaties waarin het gepast is om liefde te betuigen dat een simpel "ik houd van" triviaal geworden is. De relatie gaat ook vooraf aan de emotie. "You may shout your sincerity; but unless affirmed by another, the shout is no more important than an echo."( 2009:106)
Maar wanneer we sociaal bepaald zijn, hoe kan verandering dan tot stand komen? Dit kan omdat acties en woorden multi-interpretabel zijn, zodat verschillende reacties mogelijk zijn. Iedere conversatie is een open veld. Iets nieuws ontstaat op het snijpunt van verschillende tradities, aldus Gergen. Het is niet zo dat iets nieuws zomaar spontaan ontstaat, dan zou het alleen vreemd en betekenisloos zijn. Natuurlijk kunnen we vanuit het niets iets nieuws doen, zoals op de grond vallen en een steen likken, maar het zou betekenisloos en waardeloos zijn. Het nieuwe combineert, defragmenteert en speelt met het oude, zo maakt Gergen bijvoorbeeld duidelijk middels een bespreking van het werk van de avantgardistische schilder Jackson Pollock.
naar een relationeel zijn
Als we Gergen volgen en ervaren hoe diep we gevormd zijn door relationele processen, hoe we die in wezen zijn, kan dit misschien benauwend overkomen. Maar Gergen wijst erop dat er geen sprake is van sociaal determinisme. Hij spreekt altijd van co-creatie: "onze sociale omgeving determineert ons niet; we werken met anderen samen om onszelf te creëren." (155). Naarmate we meer stilstaan bij het belang van de relatie voor ons ik, zien we de waarde er ook beter van in. Relaties dienen als model voor wat mogelijk is (sociaal leren); ze maken het mogelijk dat we iemand worden (en telkens iemand anders, als we willen). En we ontlenen ook ervaringskennis aan de vorm van de relatie; hoe we moeten optreden (dansen bijvoorbeeld) wordt aangeleerd in het proces van co-actie. En ook hier geldt; we zijn er zelf bij; de spelregels kunnen worden aangepast, als we daar in interactie en met reden toe aanzetten.
Het moderne autonomiebegrip zoals dat in de liberale traditie van het Verlichtingsdenken gestalte kreeg, biedt geen morele status toe aan de ander. In relatie tot de ander kent ze slechts een defensieve morele betekenis. Erachter gaat een arm vrijheidsbegrip schuil, de vrijheid om binnen een bepaalde ruimte zelf te bepalen wat men wil doen, tot de grenzen van het schadebeginsel dat bepaalt dat de vrijheid van de een ophoudt waar die van de ander wordt beperkt. Maar hoe vrijheid optimaal te beleven in relatie met anderen, daar doet dit subjectdenken geen uitspraak over. Er is geen idee over de betekenis van inter-zijn om in de termen van Thich Naht Hanh te blijven. Ook blijft onduidelijk wat onze morele verantwoordelijkheid is richting anderen (die laatste vraag zal ik hier echter niet behandelen, aangezien dit een centrale vraag voor de ethiek is, terwijl hier spiritualiteit centraal staat).
Gergen en andere auteurs uit de sociaal-constructionistische hoek laten ons zien hoe afhankelijk we zijn van relaties, hoe we verweven zijn met het sociale leven. Dat besef zou moeten leiden tot een diep gevoel van verbondenheid aangezien de grens tussen ik en het buiten vervaagt (de andere route naar verbondenheid en compassie is een diep ervaren van het universele lijden). Door op te gaan in relaties leren we, groeien we en ontsnappen we aan de benauwingen van het ego. Nu kan worden tegengeworpen dat men zich ook kan verliezen in relaties, dat we een verkeerde vlucht kunnen nemen in sociale contexten die uiteindelijk schadelijke effecten hebben op ons welzijn. Dit komt zeker voor, maar vervreemdingsgevoelens zijn niet zozeer een gevolg van opgaan in relaties, maar opgaan in verkeerde (bijvoorbeeld oppervlakkige) relaties. Waar het om gaat is dat het individu deelneemt aan relaties die tot groei in plaats van stagnatie leiden. Dat betekent niet dat we altijd maar onder de mensen moeten zijn. Mensen zijn van nature geen sociale dieren, zo betoogt Gergen, die het liefst altijd maar met elkaar optrekken. Activiteiten die we grotendeels alleen doen, zijn ook sociale constructies. Door aan praktijken herhaaldelijk deel te nemen, kan men een gevoel van authenticiteit bereiken. Zo kan men zich zichzelf voelen als men opgaat in het werk; terwijl in het weekend de levensenergie opborrelt tijdens vissen. De keer naar binnen is niet de oplossing bij neerslachtigheid. Beter is het om te zien hoe, door aanpassing van het persoonlijke levensnarratief, de relatie met de wereld weer hersteld kan worden. Of in de woorden van de filosoof Joep Dohmen is zelfzorg "nu juist de poging om machteloosheid, narcisme en rancune buiten de deur te houden en zichzelf in staat te stellen om als partner, vriend en burger goed te functioneren (..) persoonlijke autonomie is ten diepste een gesitueerde en intersubjectieve aangelegenheid." (in Wit, 2007:48).
Door het aannemen van een sociale rol, ontstaat er zin en doel in het leven. Maar het gaat verder dan dat. De rol die we vervullen wordt deel van onze identiteit, van wie we willen zijn. Zo willen we bijvoorbeeld een goede vriend zijn. Als een vriend lijdt, dan willen we hulp bieden. Niet omdat we dan zelf een goed gevoel daarvan krijgen over onszelf. Dat is slechts een bijproduct, niet de reden dat we handelen. Als het goed is, bieden we ook geen hulp uit een plichtsgevoel (althans niet in die zin dat we het als een vervelende taakopdracht of als een offer beschouwen). We willen in vrijheid helpen omdat we een goede vriend willen zijn. Als we dat stadium bereikt hebben, zijn we al spiritueel, omdat we in vrijheid verbindingen aangaan om zo het goede te doen. Het ethische stadium is dan gepasseerd en heeft plaatsgemaakt voor compassie. De spirituele mens ziet het geven van hulp niet eens als een gevolg van een afweging, als een keuze; het is een vanzelfsprekendheid. Natuurlijk wil bijna iedereen wel een goede vriend zijn, maar lang niet iedereen stelt onzelfzuchtige compassie (zonder gevoel van plicht) bovenaan in zijn repertoire van acties.
Wat zijn nu relaties die werken? Volgens Gergen worden die gekenmerkt door de co-creatie van een gedeelde werkelijkheid en het comfort en het vertrouwen dat daarmee gepaard gaat. In veel opzichten is de teloorgang van zekerheden oorzaak van een toegenomen vraag naar verbindingen (maar het leidt tegelijk ook tot een groeiend fundamentalisme). Maar helaas worden nog veel relaties vanuit verkeerde bedoelingen aangegaan.
Zeker als het gaat om persoonlijke relaties met geliefden, is er sprake van een vergaande verwikkeling van individuen. De filosofe Judith Butler heeft daar in haar latere werk veel over geschreven. Volgens haar zijn we "sociaal geconstitueerde lichamen" die verwikkeld zijn met anderen. Deze persoonlijke relaties zijn "diep" in de zin dat er een zeker verlies van controle is. De ander is zo verwikkeld met het zelf en licht dit ook op, zodanig dat de scheiding tussen zelf en ander vervaagt. Deze afwezigheid van controle over onze banden met de ander, wat het meest voelbaar wordt in het verlies, dat meteen dan ook een vorm van zelfverlies is, wordt door Butler niet negatief gewaardeerd. Integendeel: "Let's face it. We're undone by each other. And if we're not, we're missing something." De ervaring van de afwezigheid van controle en de verwikkeling in het leven van een ander zijn niet per se een bedreiging, maar juist een voorwaarde voor existentiële diepgang. "We lichten elkaar uit onze voegen", zoals Butler schrijft. En als we dat missen, is ons leven tamelijk leeg. De pijn van een eventueel verlies dienen we dan ook op de koop toe te nemen. Deze benadering is kwestbaar, maar open. Het getuigt van moed, zonder verlies aan realiteitszin en is zo tekenend voor een spiritueel leven. Juist omdat (althans bij mij) de liefde redelijk zeldzaam is, dienen we er ons voor open te stellen en haar volledig toe te laten. In deze kwetsbare verwikkeling wordt voorbijgegaan aan het autonome individu. Er boven onstaat een hoger iets, een wij, met een eigen werkelijkheid die beide zelven een nieuwe zinvolle oriëntatie biedt.
tot slot
Het spirituele leven draait niet om plichten, maar om uit vrije wil naar het goede streven, vanuit innerlijke overtuigingen. In een spiritueel leven speelt de vraag naar wat we moeten niet; dat is evident. De spirituele mens doorziet zijn afhankelijkheid, zijn nietig ik en de waarde van het leven. Hij is zich bewust van zijn verbondenheid en vandaar uit ontstaat een gevoel van compassie. Hij streeft dan ook naar harmonie, ook al zijn daar zonder meer grenzen aan. We kunnen immers niet in harmonie leven met dat wat het leven zelf bedreigt. Maar ook dan gaat het erom om te proberen nieuwe bindingen tot stand te brengen. Zoals Gergen zegt, komt het kwaad voort uit een slechte sociale integratie. Zij die niet beschikken over een sterk ontwikkeld moreel geweten, zijn niet slecht geboren, stelt hij. Ze zijn personen zonder betekenisvolle bindingen in relaties waarin het goede een wenselijk doel en levensvorm is. Zo zijn soldaten die wreedheden begaan in een oorlog geen bruterikken die gedreven worden door primitieve instincten. In een situatie waarin er geen dialogische spanning is- geen krachtige stem die oproept tot moreel gedrag- is alles mogelijk. Hier heeft Gergen een punt. Zonder perspectief op het goede, is er ook weinig motivatie zich daarop te richten en komt het lagere of het kwaad al snel in beeld. Gergen is een moreel pluralist. In sociale contexten ontstaan verschillende concepties van het goede. Wanneer die botsen, ontstaat er wrijving en gaan mensen over tot agressie. "It is in the multiplication of the good that we find the genesis of evil" (358). In zijn visie is, niet verrassend, het kwaad niet tot het individu te herleiden, maar tot de relatie waarin deze verkeert. Persoonlijke verantwoordelijkheid dient plaats te maken voor relationele verantwoordelijkheid. Het gaat om zorg voor de relatie door middel van collectieve deliberatie. Het kwaad moet dan ook bestreden worden door sociale integratie in de juiste verbanden.
Deze opvatting van het kwaad doet echter geen recht aan de verschillen die ook geconstateerd worden tussen individuen in dezelfde situaties. Niet alle soldaten hebben, hoewel onder vergelijkbare omstandigheden, slecht gehandeld. Te simpel, zal Gergen, riposteren. De soldaten in Irak die wel over de schreef zijn gegaan en morele codes hebben gebroken, zijn in meer verkeerde relaties gevormd dan de "goeden", die beter moreel opgegroeid zijn en dus beter weerstand konden bieden aan de druk van de oorlogssituatie. Toch geloof ik dat Gergen doorschiet als hij het idee van persoonlijke verantwoordelijkheid laat vallen. Ook al is het een fictie (wat ik niet geloof), dan nog is het een sociaal noodzakelijke fictie. De parabel over de hoerenloper van Kant, waarmee hij de vrije wil wilde aantonen, is wat mij betreft behartenswaardig. Gesteld dat iemand van zijn wellustige neiging beweert dat die onbedwingbaar is. Zou hij dat vol blijven houden en de prostituee bezoeken als er een galg klaarstond om hem na zijn bezoek aan op te knopen, vraagt Kant retorisch. Er blijft altijd ruimte voor een keuze. Zeker zijn de sociale verbanden waarin iemand opgroeit een belangrijke voorspeller van deviant gedrag. En het is goed om de sociale situatie aan te passen om toekomstig kwaad te voorkomen. Maar helaas is dat maar tot op zekere hoogte mogelijk. Nooit zal iedereen geboren worden in een welvarend en liefhebbend gezin (en zelfs dat is geen garantie).
Dat is een probleem met Gergens werk. Het suggereert dat zo'n beetje alle individuele en collectieve problemen zullen verdwijnen als we allemaal maar een relationele kijk op zaken aannemen. Hij zegt "the assumption of an internal or mental world invites alienation, loneliness, distrust, hierarchy, competition, and self-doubt; favored is a society in which people become commodities and relationships are devalued." (61). Zeker, verandering begint bij een verandering in denken. Dus ook de noodzakelijke maatschappelijke transformatie die nodig is om deze problemen op te lossen, maar hoe dat moet gebeuren, daar begint Gergen niet over, behalve dat hij enkele grassroots initiatieven doorneemt. Politieke implicaties blijven uit zicht. Zijn ideeën bieden steun aan aloude spirituele inzichten. Hopelijk inspireren ze net als die inzichten een breed publiek, zodat er inderdaad zoals hoopvol gesproken een "nieuwe verlichting" aanbreekt. Zijn instituut moet daar ook aan bijdragen. Tot die tijd gaat het erom te leren leven in een niet-spirituele, individualistische wereld vol van lijden.
Gergen is een sociaal constructionist. In een menselijke natuur lijkt hij niet te geloven. Zelfs pijn zou vooral een sociale constructie zijn ("It's not that there is pain and then interpretation. The fact of pain is born in the interpretation"). Alles wordt sociaal bepaald in Gergens wereld. Dit denken verhindert de verwezenlijking van een gevoel van verbondenheid, evenals zijn moreel pluralisme. Het verduistert onze gemeenschappelijke natuur waarover bijvoorbeeld de primatoloog Frans de Waal heeft geschreven. Zijn opvatting over de liefde als sociale constructie gaat voorbij aan moderne inzichten uit de evolutionaire biologie en de neurowetenschap. Hij gaat wel in op de neurowetenschap, maar in plaats van dat hij deze probeert te waarderen en te integreren, wijst hij alleen maar op wat ze nog niet heeft bereikt. Het idee dat er geen actie is die betekenis in zichzelf heeft, gaat er bij mij ook niet in. Volgens Gergen kan een handeling van agressie of liefde dit pas worden, als hiervan erkenning optreedt door een ander. Een actie heeft een supplement nodig in zijn woorden. We kunnen genegeerd of verkeerd begrepen worden en daarmee komt onze handeling uit bijvoorbeeld liefde of beleefdheid niet tot stand. Als een groet niet als zodanig wordt erkend, is ze geen groet en blijft ze betekenisloos. Ik vind dat te ver gaan. Betekenissen zijn inderdaad sociaal bepaald, maar ze hoeven niet telkens bevestigd te worden door anderen, als een soort van stempel. Ook zijn handelings- en wilstheorie lijkt me problematisch, maar ik zal daar hier verder niet op ingaan.
Niettemin laat Gergen wel zien dat we veel meer sociaal bepaald zijn dan we dachten. Relational being is een fantastisch boek, een bron van wijsheid, die laat zien dat vooral door samenwerking de problemen van de wereld opgelost kunnen worden; individuele pogingen zijn van belang, maar schieten tekort.
Bronnen
-Judith Butler (2003). Precarious life. The power of mourning and violence.
-Kenneth Gergen (2009). Relational Being
-Edward Sampson (2008). Celebrating the other.
-Esther Wit ea (2007). De autonome mens.