Copy: allright!

Op 17 april legde de rechter een jaar gevangenisstraf en een geldboete van 2,7 miljoen euro op aan drie beheerders en een geldschieter van de Zweedse website Pirate Bay. Deze website geeft een overzicht van torrentlinks, waarmee gebruikers in staat worden gesteld om audio en videobestanden met copyrights te downloaden. De site biedt zelf deze bestanden niet aan, maar indexeert deze en treedt op als server en communicatieplatform voor gebruikers (peers). Een consortium van belanghebbenden uit de muziek-en filmindustrie en justitie klaagde de beheerders aan voor schending van copyrights. Verdediger Per Samuelson gaf op grond van een EU directief aan dat Pirate Bay niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de uitwisseling van bestanden, aangezien ze deze uitwisseling niet initieert. Bovendien is er geen directe verbinding tussen de aangeklaagden en het faciliteren. De Zweedse rechter was evenwel niet gevoelig voor deze argumenten. De verdediging is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak, die geldt als de belangrijkste overwinning van de entertainmentindustrie tegen peer-to-peer downloading (P2P). Zij beweren dat er feitelijk sprake is van diefstal met grote inkomstenderving als gevolg. Voorstanders van de online uitwisselingsdiensten vinden dit maar onzin. Zeker onder de jongste generatie lijken zij in de meerderheid. Uit een onderzoek van de actualiteitenrubriek Een Vandaag bleek dat slechts 20% van de jongeren downloaden als diefstal ziet. De opinie van een meerderheid is natuurlijk nog geen moreel argument, maar wel een feitelijke werkelijkheid waar niet aan voorbij gegaan kan worden. Zeker niet als er daarbij ook goede redenen zijn om de copyrightswetgeving als problematisch te beschouwen.

 

Wat is, als we ons beperken tot de (on)wenselijkheid van copyrights in relatie tot de muziekindustrie, nu echt het probleem? De muziekindustrie klaagt dat ze veel winst misloopt. Maar daar is ze medeschuldig aan door eerst veel geld te spenderen aan copyrightsprotection, waar de consumenten mee werd lastig gevallen (CD’s die het niet bleken te doen) en vervolgens aan dure rechtszaken om websites uit de lucht te halen. Het verlies aan inkomsten wordt daarbij ook overdreven. Het is immers niet zo dat de iedere gedownloade CD zonder P2P-programma’s gekocht zou zijn. Sterker; er zijn zelfs studies waaruit blijkt dat meer muziek wordt verkocht naarmate meer nieuwe muziek ontdekt wordt via P2P. Frequente peers zijn dikwijls ook frequente kopers van geluidsdragers; ook omdat ze nieuw talent willen ondersteunen. Diverse studies geven verder aan dat P2P-sharing voor slechts grofweg 30% van de inkomstendaling van CD’s verantwoordelijk is. Eén gedegen studie uit 2005 geeft zelfs aan dat er geen significant effect is. De daling van de CD-verkoop komt ook door andere factoren zoals substitutie door de sterk gegroeide DVD-verkoop en een correctie op de verkoop in de jaren ’90 die hoger was omdat consumenten toen massaal een CD-collectie opbouwden die LP’s moest vervangen. Ik sluit ook niet uit dat toegenomen weerstand tegen de industrie (de nog altijd hoge prijzen en hun strijd tegen de consument) en een verminderd publiek voor de mainstream een rol spelen. De top-40 heeft een minder grote doelgroep (onder volwassenen) dan vroeger.

De strijd van de muziekindustrie tegen inbreuken op copyrights is daarbij een niet te winnen strijd. De nieuwe realiteit van het Internet (ook wel Web 2.0 genoemd) is dat de huidige copyrightwetgeving daar niet meer bij past. Bijna alle sites en zoekmachines als Google bevatten wel links naar ongeautoriseerd materiaal. In plaats van dat ze deze nieuwe realiteit accepteert en erop inspeelt, verkwist de muziekindustrie vele miljoenen dollars aan een niet te winnen strijd voor behoud van monopolies. Op zeer bescheiden schaal probeert de industrie door extra merchandise (fanclub lidmaatschap, mooie fotoboekjes en andere extra’s) kopers te verleiden, maar proactief is ze zeker niet. Ook artiesten zouden trouwens meer gebruik kunnen maken van het internet, buiten maatschappijen om. Nine Inch Nails, Radiohead en Marillion zijn nog steeds uitzonderingsgevallen. Het is big business en de staat tegen de consument en dan met name tegen de nieuwe generatie. Niet alleen de industrie klaagt echter, ook artiesten zelf. Al lang dik en breed binnengelopen artiesten meestal, zoals Prince, Van Morrisson, Metallica en Paul McCartney. Dat rijke, gearriveerde artiesten inkomsten mislopen, is tot daar aan toe. Geldelijk inkomen is bovendien slechts één vorm van waardering. Als artiest beschik je daarnaast over andere bronnen van waardering die veel anderen niet gegeven zijn, zoals toewijding van fans, directe publieke erkenning en bewondering bij optredens en prijzen waar rijkelijk mee gestrooid wordt in de entertainmentindustrie. Daarbij komt dat je als artiest in tegenstelling tot andere beroepen onvervangbaar bent en dikwijls een hoge mate van onafhankelijkheid en autonomie kent die eveneens bij andere beroepen ontbreken. Waar P2P sharing niet toe mag leiden is dat het muzikaal aanbod verschraalt en dat artiesten niet langer een fatsoenlijk inkomen kunnen verdienen. Van dat eerste lijkt in ieder geval geen sprake. Downloaden is allang een breed verschijnsel en nog steeds worden er massaal CD’s op de markt gebracht. De website www.rateyourmusic.com geeft bijvoorbeeld al recensies van zo’n 1000 dit jaar uitgekomen CD’s en we zijn nog niet eens halverwege. Veel artiesten verdienen forse bedragen; anderen combineren hun muzikantenbestaan met ander werk maar kunnen wel onafhankelijk muziek maken. Optredens worden daarbij steeds belangrijker substituut als bron van inkomsten voor zowel managers als muzikanten (wat terug te zien is in de prijs van concertkaartjes).

 

Los van deze kanttekeningen bij de omvang van het geclaimde probleem, zijn er fundamentele bezwaren tegen de copyrightswetgeving, vooreerst in het belang van big business, die P2P-sharing wil stoppen. Deze wetgeving beperkt burgers in hun vrijheid wat ze met de door hen gekochte goederen mogen doen. De vrijheid om te delen en te ontdekken, fundamentele menselijke behoeften, worden tegengegaan. Copyrights zijn in strijd met de vrijheid om kennis en culturele uitingen te delen. Het aantasten van deze vrijheid leidt bovendien op twee manieren tot minder creativiteit. Ten eerste worden er minder ideeën gedeeld, waardoor minder nieuwe ideeën ontstaan. Dit geldt evenzeer voor bijvoorbeeld wetenschappelijke als muzikale ideeën: iedere wetenschapper of artiest wordt beïnvloed door en bouwt voort op andersmans werk. Dat maakt ook het achterliggende idee van copyrights, namelijk dat een creatieve uiting volledig toerekenbaar is aan één individu of groep onhoudbaar. Geen werk is 100% origineel. Ten tweede leiden copyrights tot monopolieposities, wat weer leidt tot minder creativiteit. Onderzoek naar de effecten van (de afwezigheid van) copyrights in de muziekgeschiedenis heeft aangetoond dat Beethoven, die niet kon bogen op copyrights, veel creatiever en productiever was dan een Verdi die in het Italië van zijn tijd kon profiteren van een hoog ontwikkeld copyrightsregime. In deze consumptiemaatschappij zou het bovendien goed zijn als mensen meer zouden delen. Het zou leiden tot een beter milieu, vanwege minder belastende productie en meer solidariteit in plaats van de huidige status en exclusiviteitsmentaliteit. Maar een economie waarin delen meer gewoon wordt, wordt te vuur en zwaard bestreden door belangengroepen uit de entertainmentindustrie.

 

Gegeven al deze bezwaren tegen copyrights zou dan ook naar nieuwe regelingen uitgekeken moeten worden waarbij zowel de vrijheid om te delen als voldoende prikkels en een fatsoenlijk inkomen voor artiesten geborgd zijn. Dit kan bereikt worden door een nieuwe vorm van financiële compensatie voor de muzikant, waarbij het mij dan met name gaat om de nog niet gearriveerde muzikant die bewezen heeft kwaliteit te kunnen leveren. Noem het een solidariteitsfonds. In afwijking van andere voorstellen, bepleit ik dan ook niet een compensatiemechanisme waarbij enkel verdeeld wordt naar rato van de vraag op internet. Er dient, net als in de letteren en de kunsten, een fonds te komen die jonge, gekwalificeerde (onafhankelijke) bands middelen verleent, zodat ze in staat worden geacht zich toe te leggen op hun vak in ruil voor een fatsoenlijk (minimum) inkomen. Een door een jury gemaakte selectie van nieuwe bands komt tijdelijk in aanmerking voor inkomensondersteuning vanuit dit fonds. Gevestigde muzikanten die financiële problemen hebben, kunnen hiervoor eveneens in aanmerking komen wanneer ze in het recente verleden voldoende verkoopopbrengsten hadden. Aan de inkomensondersteuning, die gepaard gaat met andere vormen van facilitering zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de CD-productie en management, zijn altijd eisen verbonden aan eisen. In ieder geval een minimaal bedrag aan opbrengsten en een minimum aantal optredens. Naast dit solidariteitsfonds, wordt een nader te bepalen deel van de middelen voor financiële compensatie verdeeld over de artiesten, afhankelijk van het aantal downloads. Liever wordt het geld direct aan de artiest toegekend. Deze kan dan zelf in onderhandeling met de platenmaatschappij hoeveel hieraan moet worden afgestaan, in plaats van andersom.

 

Ik stel verschillende dekkingsbronnen voor. De belangrijkste dekkingsbron zijn alle producten waarbij de waarde verhoogd kan worden door P2P sharing: CD’s, MP3-spelers, P2P-software, hardware, stereo’s waarop MP3 kan worden afgespeeld, digitale videorecorders, etc. Denkbaar is dat de procentuele toeslag op deze producten gedifferentieerd wordt naar de mate waarin deze in waarde vermeerderd kunnen worden: de toeslag op MP3-spelers is dan hoger dan bij stereo-apparatuur. Een tweede dekkingsbron die ik voorstel, in navolging van het Franse idee van de Association des audionauts, is een heffing op de internet service provider, dus op het abonnementsgeld. Ook hier is differentiatie mogelijk. Wanneer een cliënt een hogere downloadsnelheid heeft, is het aannemelijker dat deze meer illegaal downloadt wat een hogere tariefstelling rechtvaardigt. Hiernaast zouden er afspraken gemaakt moeten worden met P2P-sites. Deze zouden hun dienstverlening moeten verhogen aan cliënten die een financiële bijdrage (een klein bedrag aan abonnementsgeld bijvoorbeeld) leveren voor niet gevestigde bands. Wie hier geen bijdrage aan levert, krijgt bijvoorbeeld slechts beperkt toegang tot bestanden van nieuwe CD’s, of een heel lage downloadsnelheid. Ik verwacht dat een dergelijke moreel appèl veel kan bereiken. De site weet zich bij een dergelijke afspraak verder verzekerd van de afwezigheid van verdere justitiële bemoeienis. Een laatste dekkingsbron zou dienen te komen uit meer prijsdifferentiatie zodat een herverdeling optreedt richting de relatief armlastige bands die door P2P-sharing minder kansen hebben om groot te worden dan oudere bands. Gedacht kan worden aan een beperkte heffing op concertkaartjes voor Frans Bauer en U2, maar ook de opera die toch al bijna uitsluitend bezocht wordt door relatief vermogende hoger opgeleiden die ook nog eens profiteren van vette subsidies.

Door een dergelijk compensatiemechanisme zou er een einde komen aan de onterechte en achterhaalde aanklacht van de industrie en de staat tegen tientallen miljoenen burgers, terwijl goede artiesten een bloeiend bestaan in het vooruitzicht houden.

24/5/2009