Confucianisme 2
politieke filosofie
Niet ten onrechte wordt het confucianisme als een politiek conservatieve leer gezien. De ideale samenleving wordt voorgesteld als een ordelijk geheel met een hierarchische structuur waarin ieder zijn rol en plaats kent. Confucius zei: " bemoei je niet met bestuurszaken tenzij ze je werk aangaan". In andere woorden: doe je plicht, maar je moet je niet bemoeien met zaken die je niet direct aangaan en waar je geen verplichting toe hebt. Deze manier van denken, dit gebrek aan burgerzin, is nog steeds een kenmerk van het moderne China. Het confucianisme was ook duidelijk een product van zijn tijd; in tegenstelling tot de oude Grieken hebben confucianisten niet het ideaal van democratisering gepropageerd en evenmin is individuele vrijheid een kernwaarde van deze leer.
Wie verdient het te regeren? Volgens Confucius is dat de wijze die de zorg voor het welzijn van het volk op zich kan nemen. De wijze koning staat aan het hoofd van een ordelijke samenleving en ontleent zijn status aan het geven van het goede voorbeeld in zijn handelen. Hij hoeft niet over uitzonderlijke kwaliteiten te beschikken. "Regeren door middel van deugd kan vergeleken worden met de Poolster: hij blijft op zijn plaats en de menigte van sterren volgt hem." Verschillende grote confucianistische denkers hebben zich kritisch uitgelaten over de heersende politieke macht. Confucius bijvoorbeeld had scherpe kritiek op de corrupte politiek van zijn tijd en het streven naar usurpatie door de machtige families. Van keizers werd gedacht dat deze een hemels mandaat hadden om te regeren. Dit mandaat was echter niet absoluut. Mencius bijvoorbeeld meende dat de vorst dit mandaat kan verliezen bij slecht beleid. Zo verklaarde hij ook de wisselingen van dynastiën. Wanneer de keizer te veel vijanden krijgt is dat een hemels teken dat zijn mandaat verloren is gegaan; de hemel spreekt door de mond van het volk. De opstand tegen koning Zhou was dan ook legitiem vond Mencius. Ook de politiek moet in het teken staan van het bevorderen van harmonie en menselijkheid. Sommige confucianisten hebben wel voor meer gelijkheid gepleit, maar een groot thema is dit nooit geweest. Xunzi bijvoorbeeld vond verschillen in macht en status van het grootste belang:
"Als alle rangen gelijk zijn dan is er geen onderscheid: als de macht gelijkelijk verdeeld is dan is er geen eenheid, als er gelijkheid heerst onder het volk, dan wordt er niets tot stand gebracht. Er zijn hemel en aarde en er is een onderscheid tussen hoog en laag. Alleen als er een verlichte koning op de troon komt, kan het land ordelijk geregeerd worden. Twee mensen van gelijke waardigheid kunnen elkaar niet dienen; twee mensen van lage rang kunnen elkaar niet aan het werk zetten; dat is het dictaat van de hemel." (citaat uit: vd Leeuw: 94)
Uit dit citaat blijkt dat onder in ieder geval de vroege confucianisten geen onderscheid gemaakt werd tussen legitieme, functionele macht en traditionele macht. Sociale eenheid was een belangrijk ideaal voor de klassieke confucianisten. Hoewel er onder hedendaagse confucianisten ook aanhangers van de liberale democratie zijn, leeft toch nog altijd sterk de overtuiging dat sociale eenheid zich slecht verhoudt met democratie. Dat is in een groot en cultureel pluriform land als China ook niet helemaal onwaar. Maar eenheid die van bovenaf bekrachtigd moet worden, is feitelijk al geen eenheid.
metafysica
De vraag is of het confucianisme als een religie gezien kan worden. Het is in ieder geval geen godsdienst. Confucius kan als een agnost beschouwd worden. Hij vond dat de mens zich alleen op het leven op aarde moest richten:
"Zilu vroeg hoe men de geesten moest dienen. De Meester zei: Je kunt de mensen nog niet eens dienen, hoe kun je dan de geesten dienen? Hij vroeg: " Mag ik dan vragen naar de doden?" De Meester zei:" Je begrijpt het leven nog niet eens, hoe wil je dan de dood begrijpen?" (citaat uit: vd Leeuw:50)
Feit is dat ondanks dit agnosticisme het confucianisme gaandeweg haar geschiedenis steeds meer onder invloed is geraakt van het kosmologisch denken,.waarbij de menselijke samenleving als onderdeel van het grote geheel van hemel en aarde werd gezien. Ook het correlatiedenken raakte in opkomst, waarbij voortekenen in de natuur als waarschuwingen van de hemel werden opgevat. Niettemin bleven er kritische tegengeluiden opkomen van bijvoorbeeld Wang Chong die de hemel wilde ontdoen van morele kwaliteiten en haar opvatte als een materialistische volgens eigen wetten werkende natuurorde die zich niet met de mens bezighield. Bijgeloof maakt echter tot op de dag van vandaag onderdeel uit van de confucianitische traditie. Neville wijst er echter op dat ook zonder bijgeloof het confucianisme niet vrij hoeft te zijn van transcendente kenmerken. Hij ziet het zelfs als een gevaar dat het confucianisme verwordt tot een " bleek humanisme" omdat er niets ultiems of hogers is aan het menselijke. De mens dient altijd te streven naar dat voorbij hem ligt en geen deel uitmaakt van de gewone wereld van fenomenen. Dit hoeft geen individuele god te zijn; het transcendente kan ook verwijzen naar morele ideeën, historische doelen of diepste principes. Dit modern transcendente begrijpelijk maken, is echter moeilijk. Symbolen met vage referenten lijken daar nog het beste toe in staat. Het hedendaags confucianisme kan hoe dan ook alleen geloofwaardig zijn als ze niet strijdig is met wetenschappelijke inzichten en tegelijk morele zeggingskracht heeft.
conclusie
De vraag is welke betekenis het confucianisme kan hebben voor de laatmoderne, westerse samenleving. De Amerikaanse hoogleraar en theoloog Robert Neville meent dat het confucianisme een belangrijke bijdrage kan leveren aan de vorming van een nieuwe globale " metacultuur". Het hedendaags confucianisme dient rituelen voor het dagelijks leven (de familie, het werk, etc.) en het bestuur te ontwerpen opdat humaniteit uitgeoefend kan worden. Behalve politieke en economosche globale integratie is ook culturele integratie nodig om transnationale problemen het hoofd te bieden en mensen met elkaar te verbinden. Dit begint bij een goed gezinsleven:
" Families by and large do not have the civilizing rituals they need to integrate school and home life, to acknowledge women with careers who are also mothers ands homemakers, to cope with mature men who can be consumed by job responsibilities or out of work completely, to mediate the passing on of family traditions with what children learn at school and work, to dignify retirement while keeping families ties and so on." (Neville:20)
De westerse samenleving hecht veel waarde aan de zorg voor kinderen, maar het ontbreekt aan belangrijke gewoonten om liefde, vorming en educatie mee te geven; het ouderschap verkeert in onzekerheid; er is veel twijfel over hoe op te voeden en dit gaat dan ook vaak fout. Tegelijk kan het westen een voorbeeld nemen aan de zorg voor ouderen in aziatische gemeenschappen. De zorg voor ouderen staat centraal in het confucianisme.
Op het politieke vlak ziet Neville dat het confucianisme huidige globale rituelen dient te bekritiseren en nieuwe verbeterde versies dient te ontwerpen, die vervolgens in politieke besluiten geborgd moeten worden (" The Secretary General of the United Nations should be a Confucian Ritual Master"). Democratie bijvoorbeeld is een algemeen aanvaarde waarde, maar in de uitwerking ervan zijn er veel tekorten. Westerse samenlevingen, zo betoogt Neville, ontbreekt het verder ook aan adequate manieren om om te gaan met de ecologische crisis en het pluriform karakter van samenlevingen. Uit Nevilles betoog wordt duidelijk dat het woord ritueel hier heel breed opgevat moet worden. Het omvat zowel constituties, wetten, reguleringen als informele gedragsnormen, gewoonten, taalgebruik, sociale praktijken, ceremonies en ideologieën. Rituelen zouden erop gericht moeten zijn om individuen in staat te stellen op gelijke wijze politieke macht uit te oefenen, beloond te worden op grond van inzet en talent en respectvol en concreet om te gaan met mensen die sterk verschillen van elkaar, zodanig dat een gepaste bijdrage wordt geleverd aan een groter harmonieus geheel. Harmonieus leven met jezelf en anderen, dar is waar het nog steeds in het confucianisme om gaat.
Een hedendaags confucianisme kan praktijken ontwikkelen, maar ook in bredere zin tegenwicht bieden aan uitwassen van individualisme en sociaal instrumentalisme (egoïsme, gebrek aan menselijkheid in anonieme structuren). Dat laatste is echter ook een risico van het confucianisme dat van oudsher weinig belang hechtte aan individuele vrijheden, met name van expressie. Het gaat erom een evenwicht te vinden tussen individuele vrijheden, zelfbinding en sociale verantwoordelijkheid die daarbij een concreet karakter aanneemt via het ritueel. Dit zoeken kan bijvoorbeeld een aanvang nemen met de vraag hoe je je relaties met anderen kan verbeteren en ze meer betekenis kan geven.
Wat ik zelf ook heel waardevol vindt aan het confucianisme is de nadruk die het legt op persoonlijke groei en het ideaal van de junzi. De waarde van zelfcultivering kan tegenwicht bieden aan het platte individualisme van het spontaan en lekker jezelf zijn. Bovendien biedt het mentale verdieping en zingeving waarmee het hedonisme voorbij kan worden gegaan. De mens kiest er voor om zich te vervreemden van zichzelf door zich te hechten aan externe objecten. Het confucianisme roept daarentegen op te kiezen voor het zelf. Ze vervalt daarbij echter niet in navelstaren. Zelfcultivering is alleen authentiek en volwaardig via contact met anderen, betoogt een hedendaags confucianist als Tu Weiming (en die socialiteit veronderstelt weer het gebruik van rituelen). De weg naar zelfvervulling is de weg naar buiten. Mens zijn betekent betrokken zijn in betekenisvolle activiteit, met wat echt en waardevol is, door oefening, handeling en meditatie. Neville (p.98):
" A good human being is someone who is capable of, and has impulses toward, good human relations, and a good human being is one who exercises and perfects that capability through practice. This means not only following the right ritual forms with one's companions but also individuating and perfecting particular relations with specific family, friends and fellow citizens."
Een interessante vraag is hoe het confucianisme zich verhoudt tot het eerder hier besproken taoïsme en boeddhisme.
Er valt veel voor te zeggen om spiritualiteit in de kern op te vatten als zelfcultivering. Het taoïsme heeft hier echter altijd wantrouwend tegenover gestaan. Confucianisten zijn ervan overtuigd dat de hogere niveaus van culturele organisatie en rituele vormen noodzakelijk zijn voor het tot bloei laten komen van de menselijke natuur. Ze delen met de taoïsten de overtuiging dat de menselijke natuur in aanleg het goede in zich bergt, maar dat deze alleen tot wasdom kan komen door (sociale) zelfcultivering. De taoïsten benadrukken meer het aardse (yin) principe en stellen dat het ware menselijke leven zo natuurlijk mogelijk zou moeten zijn, met zo min mogelijk kunstmatige interferentie door conventies en rituelen. Ze vrezen dat culturele vorming het natuurlijke ritme van de menselijke natuur en zijn aangeboren goedheid verstoort en perverteert. Voor Confucius en Xunzi daarentegen heeft de hemel de mens alleen een biologisch en psychologisch potentieel gegeven en zijn rituelen en conventies nodig om dat potentieel tot ontwikkeling te brengen. De ontwikkelingspsychologie heeft aangetoond dat de confucianisten meer het gelijk aan hun kant hebben. Moraliteit dient geleerd te worden binnen sociale verbanden. Meer dan het taoïsme heeft het confucianisme oog voor de zwakheden van de mens; de innerlijke diamant dient geslepen te worden en gewassen van het vuil. (wat niet wegneemt dat verkeerde socialisatie en culturalisatie de mens ook immoreel kan maken). Alleen sociaal leren en het goed uitvoeren van rituelen is echter niet genoeg; vandaar het belang dat confucianisten hechten aan ren; de uitvoering moet idealiter met een goed hart geschieden, zodat goede intentie en goed gevolg samenkomen. Het confucianisme, zo zou gesteld kunnen worden, verenigt een deontologische en consequentialistische ethiek. Goed resultaat (harmonie) van het eigen handelen maakt dat relaties verbeteren wat de morele geneigdheid verder ontwikkelt. Zo kan een dynamiek tussen hart en praktisch handelen ontstaan die het mogelijk maakt dat men steeds meer kan vertrouwen op de morele intuïtie. Zowel het taoïsme als het confucianisme delen het geloof in de aanwezigheid van het goede in de mens, maar het confucianisme is realistischer als het gaat om het laten schijnen daarvan.
Hoewel er veel kritiek is geuit door confucianisten op het boeddhisme zie ik toch vooral de vele overeenkomsten. Beide leren stellen zelfcultivering als centraal streven. Het verlichtingsideaal van het boeddhisme is ook een vorm van zelfcultivering die echter meer de nadruk legt op innerlijke ontwikkeling. Maar vanuit die innerlijke ontwikkeling wordt ook het vermogen tot compassie groter tot het ideaal van de Bodhisattva bereikt is in de staat van volkomen verlichting. Het ideaal van de compassie uit het boeddhisme lijkt op dat van het confucianistische ren, al gaat het verder. De boeddhistische compassie ligt dichter bij het christelijke idee van naastenliefde als uitdrukking van universele liefde voor alle schepselen van God. Ren is minder verheven; confucianisten zien liefde als iets wat tot de persoonlijke sfeer hoort; voor buitenstaanders volstaat een respectvolle omgang. Ook mist het confucianisme het idee van nondualisme als hoogste geestelijke staat. Het gaat er niet om dat het ik/ego wordt opgelost, maar dat het zich juist verhoudt tot de wereld. Maar zowel boeddhisme als confucianisme zien persoonlijke groei als iets wat alleen mogelijk is door goede relaties (denk aan Boeddha's Achtvoudig pad dat voorschrijft juist te handelen en te spreken, wat in lijn is met het confucianistisch ideaal). Er is een verschil in nadruk. Het confucianisme is praktischer zou je kunnen zeggen. Ze roept meer op tot verfijning en vormgeving van uiterlijke relaties, terwijl het boeddhisme de nadruk legt op innerlijke discipline en mentale training. Maar beide zijn een weg naar meer harmonie en innerlijke vrede. Ik denk dat beide niet strijdig hoeven te zijn en elkaar zelfs kunnen aanvullen. Effectieve expressie dient de innerlijke ontwikkeling die weer motiveert en inspireert tot expressie.
6-3-2011
Bronnen: zie deel 1 van deze bespreking.