Het tekort van het communitarisme

In het vorige artikel heb ik aangegeven dat het communitarisme de tekorten van het individualisme wil overstijgen met behoud van de beginselen van de moderne liberale democratie. De politiek filosoof Philip Selznick (2004) noemt zijn versie van het communitarisme dan ook communitair liberalisme. Terecht constateert hij dat de liberale democratie waarin wij allen leven te veel rechtengeoriënteerd is, geen substantiele conceptie van het goede kent en de waarde van gemeenschappen miskent. Als oplossing ziet hij een herwaardering van de persoonlijke verantwoordelijkheid; voor zowel het eigen welzijn als dat van de gemeenschap. Kenmerkend voor een gemeenschap is volgens hem "de eenheid van solidariteit en respect". Van belang is dat er er sprake is van commitment naar de groep, wat zich uit in communicatie en vertrouwen. Dit laatste is het cement van gemeenschappen; het is de voorwaarde voor het geven en vragen van hulp en het bereiken van samenwerking. Gemeenschappen zijn niet alleen waardevol omdat ze sociale inclusiviteit, maatschappelijke kansen en solidariteit mogelijk maken, maar ook omdat ze bijdragen aan een verantwoordelijke oordeelsvorming. Een electoraat van onthechte individuen is volgens Selznick kwetsbaar voor manipulatie van politieke demagogen, zoals we nu kunnen zien met Wilders. Daarnaast biedt een sterke gemeenschap bescherming tegen een te opdringerige en bureaucratische overheid. De moderne bureaucratie heeft het voordeel dat willekeurigheid wordt tegengegaan en rechten zijn vastgelegd, maar haar nadelen zijn ook aanzienlijk: inflexibiliteit, ongevoeligheid voor de specifieke situatie, klantonvriendelijkheid, hoge kosten en tijdrovendheid. Vertrouwen, sociaal commitment en de bereidheid tot het compromis, kenmerken van een sterke gemeenschap, zorgen voor zelfregulering en probleemoplosend vermogen, wat de inmenging van de staat en de rechtspraak met alle genoemde nadelen kan beperken. Het strafrecht ziet Selznick bijvoorbeeld als een zwaktebod en zelfs een teken van wanhoop, wat pas aan de orde mag komen als overtuiging en communicatie en disciplinerende maatregelen door de gemeenschap onvoldoende uitwerking hebben.

In gemeenschappen leren individuen verder verantwoordelijkheidszin. Het verantwoordelijke individu stelt zich de vraag wie hij is, wat zijn plichten zijn en hoe hij dient te handelen in een bepaalde situatie. Deze vragen veronderstellen een ideaal waar het individu zich aan verbindt. En dat ideaal, een idee van excellentie, krijgt pas vorm in een gemeenschap. De gemeenschap biedt het individu een identiteit waar deze zijn eigenwaarde aan kan ontlenen en die hem tot een verantwoordelijk persoon maakt. De context bepaalt wat waardevol is, zonder dat dit voor altijd vaststaat.

Een zeker respect voor autoriteit is passend, aangezien deze individuen leert over idealen en hoe deze te bereiken. Respect voor autoriteit draagt volgens Selznick zo bij aan zelfrespect. Al te veel wantrouwen daarentegen leidt tot apathie en vervreemding en slaat de bodem weg voor de vorming van een sterke identiteit, of wat Selznick een "geankerde identiteit" noemt. Die wordt gekenmerkt door het geven en ontvangen van voeding, bescherming, erkenning en zelfontstijging. In tegenstelling tot de moderne consumptie-identiteit gaat het daarbij niet om de vraag wat we zijn (wat hebben we bereikt), maar wie we zijn. Het goede wordt vastgesteld door "collectieve intelligentie", sociaal leren en in goed overleg. Het is altijd tentatief, incompleet en responsief ten aanzien van externe ontwikkelingen. Belangrijk uitgangspunt daarbij is volgens Selznick (met een verwijzing naar de Vietnamoorlog) "dat doelen nooit kunnen worden vastgesteld zonder te bepalen hoe deze bereikt worden en welke kosten dat met zich meebrengt." Een zekere principevastheid hoort bij een communitaire identiteit. Het geeft het individu sturing en een positief gevoel van zelfcontrole, zonder dat deze ontaardt in een dogmatische houding. Net als andere communitaristen onderstreept Selznick het belang van het compromis, waarbij een goed compromis geen verraad pleegt aan kernwaarden en uitzicht biedt op algehele verbetering.

Een gemeenschap staat nooit op zich. Ze dient open te staan en rekening te houden met andere, overstijgende sociale collectieven. Het ideaal is een "eenheid van eenheden", een coherent geheel dat de overleving en bloei van haar onderdelen bevordert. Zo verwerpt Selznick al te krachtige vormen van het multiculturalisme wanneer dat divisie in plaats van eenheid en afscheiding in plaats van verzoening bevordert. Diversiteit an sich is nooit zelfrechtvaardigend; een drempel van een gedeelde moraal is noodzakelijk.

Communitaristen hebben een dubbele houding tegenover de staat. Het morele primaat ligt bij de gemeenschap, maar tegelijk vinden ze dat de staat een taak heeft in het bevorderen van gemeenschapszin (community building). Ook zijn communitaristen links georiënteerd. Ze delen met de conservatieven hun liefde voor de gemeenschap en bijbehorende tradities, maar wijzen hun idee van spontane marktordening en hun verdediging van de status quo af; het ontbreekt het conservatisme aan sociale rechtvaardigheidszin. Sociale rechtvaardigheid komt niet altijd vanzelf tot stand binnen gemeenschappen; dan heeft de staat een taak om vormen van onderdrukking en tekorten tegen te gaan. Het moge duidelijk zijn dat communitaristen als Selznick daarbij geen vergaande herverdeling bepleiten; dat zou in hun ogen de gewenste persoonlijke verantwoordelijkheid verzwakken en de concrete solidariteit van gemeenschappen al te zeer verdringen door second best bureaucratische, abstracte solidariteit. Wel moet voorkomen worden dat te veel materiele ongelijkheid leidt tot sociale desintegratie waarbij de rijken zich afschermen en neerkijkend op de "minder geslaagden" met geld (politieke) macht kopen. Communitaristen gaan dus verder dan conservatieven in hun sociale politiek. Ze bepleiten gelijkheid van materiele kansen, waar conservatieven zich beperken tot een waarborgstaat en zich dikwijls zelfs niet druk maken of aan de basale voorwaarden van het beginsel van meritocratie, formele gelijke kansen, wel voldaan is. Een beleid gericht op materiele gelijke kansen betekent dat groepen met een achterstand een extra zetje moeten krijgen. Zo bepleit Selznick positieve discriminatie om ook voor minderheden volledige participatie te bevorderen en wenst hij extra middelen voor gezinnen met arme kinderen en gehandicapten. Het communitarisme is zo een soort middenweg tussen conservatisme en sociaal-democratie. Het is ook een idealisme, vanuit de gedachte dat idealisme nodig is om tot verbetering te komen, waarbij het van belang is het kwaad altijd scherp voor ogen te houden. Uiteindelijk is politiek een evenwichtskunst tussen persoonlijke vrijheid en het belang van de gemeenschap en beide kennen gevaarlijke uitwassen.

Bezwaren tegen het communitarisme

Vanuit het liberale kamp is er de nodige kritiek geuit op het communitaristisch model. Liberalen vrezen het conformisme en de verstikking die gemeenschappen met zich mee kunnen brengen. Hoewel de nieuwe communitaristen als Etzioni en Selznick hier rekening meehouden zoals ik in dit en het vorig artikel heb laten zien en de kritiek in die zin niet terecht is, is enige zorg op dit punt toch begrijpelijk (zie ook een eerder stuk hier). Selznick stelt dat de gemeenschap gezamenlijk bepaalt wat waardevol is, maar ook al gebeurt dat in een open sfeer, gericht op compromisvorming, het zal er altijd toe leiden dat de minderheid zal moeten buigen. Dat is natuurlijk de prijs van deelnemen aan een gemeenschap, maar onduidelijk blijft hoever een gemeenschap mag gaan om aan individuen regels op te leggen. Dat kan best ver gaan want communitaristen hebben vaak conservatieve trekjes. Zo is Selznick tegen pornografie en prostitutie (zonder dit overigens te beargumenteren). Gekeerd als ze zijn tegen wat wel rechteninflatie genoemd wordt, wordt de gemeenschap door communitaristen gezien als het orgaan dat bepaalt welke rechten beschermd moeten worden. Dat betekent dus dat veel ruimte voor beperking van individuele vrijheden, zoals bij moslimgemeenschappen. Selznick vindt alleen vrijwaring van misdaden tegen de menselijkheid een universeel recht; dat is nogal een magere basis. Hij stelt wel, voortbordurend op het verhaal van de barmhartige Samaritaan, dat ieder mens "in potentie een buur" is en op grond daarvan als gelijke behandeld moet worden, maar dat kan niet meer zijn dan een gewenste morele houding tegenover buitenstaanders. Het is in zijn visie de gemeenschap die bepaalt wat een ieder toekomt, welke rechten deze krijgt en wat deze mag doen of niet. Communitaristen bepleiten dat leden van de gemeenschap in gezamenlijkheid de regels bepalen (vreemd genoeg voelen communitaristen dan weer niets voor werknemersdemocratie). Dan zouden in potentie vrouwen in religieuze gemeenschappen evenveel invloed hebben, zodat de ongelijkheid van rechten kan worden bestreden. Maar door indoctrinatie en aangeleerd schuldgevoel zijn er soms krachten van buiten nodig om onderdrukking tegen te gaan. En minderheden, zoals homoseksuelen, zullen zich ook dan aanzienlijk moeten schikken. Een verleidingsbeleid gericht op emancipatie en modernisering binnen meer gesloten gemeenschappen, gekoppeld aan externe sancties als de westerse normen worden overschreden wordt onvoldoende of niet door communitaristen gepropageerd. Daarnaast miskennen communitaristen de negatieve psychologische dynamiek van groepen, zoals groepsdenken (waarbij groepen suboptimale beslissingen nemen) en ingroup denken, waarbij stereotypische denkbeelden bestaan over buitenstaanders die negatief afsteken tegen het eveneens vertekende beeld van de eigen groep. Verheerlijking van de eigen groep leidt al snel tot ongelijke behandeling van niet-ingewijden leert de menselijke geschiedenis.

Het morele primaat ligt bij veel nieuwe communitaristen bij de nationale gemeenschap en de familie, zo lijkt het. Normen en waarden van andere gemeenschappen mogen niet strijdig zijn met die van de natie; van separitistisch multiculturalisme zijn ze wars. Een samenleving met sterke familie en clanverbanden is geen cultureel geheel, wat sterke politieke controle oproept (vergelijk China). Families moeten versterkt worden, maar evenals burgerschap. Maar hoe gemeenschappen zich precies tot elkaar verhouden en welke waarden en normen precies ontwikkeld dienen te worden, blijft vaag.

Het universalistisch model van het communitarisme is te mager en het communitarisme zou de westerse waarden ondubbelzinnig boven particuliere waarden moeten verklaren (overigens zijn particuliere waarden dikwijls een invulling zijn van universele waarden). Wanneer het moreel universalisme niet wordt omarmd, verwordt het communitarisme tot schaamlap van autoriteiten. Aziatische leiders hebben bijvoorbeeld een Oost-Aziatisch model van waarden gepromoot om westerse kritiek op de autoritaire leiding te weerstaan. Het Aziatische waardenstelsel van dienstbaarheid aan het groter goed en harmonie als moreel superieur alternatief tegenover het atomisme, de verloedering en het egoïsme van het westen. Universele burgerrechten moeten ingeperkt worden, zo houden deze leiders het westen voor, om economische groei te bereiken en de sociale harmonie en gemeenschapszin in stand te houden. De inperking van burgerlijke vrijheden die dit met zich meebrengt is evenwel onacceptabel: geen transparante overheid, geen persvrijheid, geen volledige vrijheid van meningsuiting, geen politieke vrijheid, etc. De stelling dat Azië zo hard groeit door haar gemeenschapswaarden is ook gelogenstraft door de Aziecrisis waar nepotisme en onvoldoende concurrentie terwille van samenwerking aan ten grondslag lagen. Samenwerking, ook tussen overheid en het bedrijfsleven, kan een goed alternatief zijn voor het liberale concurrentiemodel, maar in Azië was die samenwerking vaak economisch irrationeel en speelden verkeede motieven een te dominante rol. Communitaristen zien de economie overigens niet als een morele praktijk en miskennen daarmee, zo stelt onderzoekster Irene van Staveren, het werkelijke karakter van de economie en haar participanten en haar inbedding in de bredere sociale structuur. Het is daarnaast ook vreemd dat het communitarisme zich niet uitspreekt voor werknemersdemocratie; de gemeenschap van werkers vindt ze kennelijk niet echt waardevol. In Azië zien we overigens het proces van individualisering overal optreden, onvermijdelijk door de welvaartsgroei. Als er al sprake is van een Oost-Aziatisch model (wat door de enorme pluriformiteit zeer betwistbaar is), dan brokkelt dat langzaam af in de evolutie van waarden.

Liberalen onderschrijven het belang van de persoonlijke verantwoordelijkheid, maar vinden in mijn ogen terecht de sociale verantwoordelijkheid die communitaristen wensen te ver gaan. Communitaristen verlangen van de burger een actieve rol in de gemeenschappen waarin zij zich bewegen. Ieder dient een bijdrage te leveren omdat hij of zij ook profiteert van de gemeenschap in de vorm van kansen, voorzieningen, steun en solidariteit. Aangezien mensen in veel gemeenschappen tegelijk deelnemen (de familie, de buurt, het werk, het verenigingsleven, de nationale gemeenschapen en soms religieuze instellingen) is dat een nogal veeleisende opdracht die mijns inziens ook te ver gaat. Wie zijn rol goed opneemt binnen werk en familie, de buurt netjes houdt, stemt en geld overmaakt naar goede doelen, spant zich wat mij betreft voldoende in. Er zijn genoeg mensen die zich actief inspannen, niet iedereen hoeft dat te doen.

Ook is er de kritiek dat het communitarisme eigenlijk achterhaald is en dat het ideaal van een polyform gemeenschapsleven niet langer haalbaar is. Communitaristen verliezen zich in nostalgie. Deze kritiek is deels terecht. In de VS is er nog een veel religieuze vegetatie die gemeenschapsvorming mogelijk maakt, maar in een veel seculierer en individualistischer land als Nederland zijn sterke gemeenschappen veel minder goed mogelijk. Van gemeenschapsvorming kan niet te veel verwacht worden.

De communitaristische kritiek op het liberalisme is verder ook lang niet altijd terecht. Individualisme wordt ten onrechte nogal eens gelijkgesteld met atomisme of egoïsme. Genuanceerde gemeenschapsdenkers als Charles Taylor zien dit wel in en maken onderscheid tussen goede en slechte vormen van individualisme. Het liberalisme prijst gemeenschappen voor zover ze de individuele individuele vrijheid niet aantasten en vrijwillig tot stand zijn gekomen. Het klassiek liberalisme kent ook geen leer van morele neutraliteit maar heeft altijd waarden als persoonlijke verantwoordelijkheid, initiatief, respect en kennis van de sociale omgeving voorgestaan.

Gemeenschappen kunnen behulpzaam zijn om van mensen goede burgers te maken, maar het is niet genoeg in de moderne, pluriforme samenleving. In traditionele samenlevingen vindt moralisering plaats door mechanismen als reputatieschade, schaamte en schuld. In open samenlevingen waar het gemeenschapsleven minder ontwikkeld is zijn daarnaast vooral wetten, prikkels en contractuele afspraken nodig. Een moreel of religieus offensief waar veel communitaristen heil in zien, zal tekortschieten. Het gaat erom dat de staat de morele disposities van individuen versterkt; niet dat deze hem onderwerpt aan plat paternalisme. Sommige liberale denkers, zoals Michael Baurman (1998) gaan zelfs zover dat ze stellen dat het liberalisme geen moreel tekort kent. De liberale democratie zorgt voor voldoende morele orde die haar basis vindt in het eigenbelang van burgers. Terecht stelt Baurman vast dat het idee van de homo economicus, die rationeel en bewust zijn voorkeuren kiest en deze altijd maximaal najaagt om het eigen belang te dienen, niet strookt met de werkelijkheid. Normvolgend gedrag kan heel wel het eigenbelang dienen. Ten eerste vereenvoudigen normen het keuzepalet waardoor ze het keuzeproces terugbrengen tot overzienbare proporties. Ten tweede kunnen we alle alternatieven ook niet goed afwegen; het is dan rationeel om uit te gaan van "vuistregels" die hun waarde bewezen hebben. Ten derde bieden normen zelfcontrole. Door ons te conformeren aan een norm kunnen we voorkomen dat we later spijt krijgen van directe, impulsieve behoeftebevrediging. Ten vierde kunnen we erkenning en waardering oogsten door ons te conformeren aan geldende normen en waarden. Op de korte termijn leidt dat misschien niet tot voordeel; op de langere termijn wel, aldus Baurman. Wanneer mensen samenwerken in organisaties is er volgens Baurman zelfs sprake van een prikkel om een morele identiteit aan te nemen. Hierbij beperken individuen zich niet alleen tot het volgen van regels, maar stellen ze hun gedrag af op een coherente, normatieve orde die behalve gedragsregels ook fundamentele principes van 'basale normen' bevat. Alleen het volgen van regels is voor organisaties niet genoeg, aldus Baurman, want mensen kunnen niet alle voorschriften onthouden. Maar nog belangrijker is dat het onmogelijk is om uitputtend op voorhand alle wenselijke gedragingen in regels vast te leggen voor alle situaties die zich kunnen voordoen. Dat is ook niet wenselijk; het adagium 'regels zijn regels' kan ook leiden tot contextblindheid en immorele halsstarrigheid. Tenslotte biedt een stelsel van regels nog geen hierarchische orde en consistentie. Om deze redenen én om te voorkomen dat medewerkers terugvallen in zelfzuchtig gedrag, zal van hen een morele identiteit verlangd worden, die zich vooral uiten in gedragsnormen en normen van eerlijkheid. Dit uit zich bijvoorbeeld in de grote aandacht die het thema integriteit geniet binnen organisaties. Ook de werknemer heeft daar natuurlijk voordeel bij en dat is ook noodzakelijk. Wat communitaristen onderschatten is dat individuen ook geregeld de voordelen van hun goed gedrag beloond moeten zien. Niets is bijvoorbeeld schadelijker als de hogere leiding zich niet integer gedraagt; dat leidt tot "morele besmetting". Baurman is realistisch genoeg om te veronderstellen dat er altijd freeriders zijn: mensen die zich niet sociaal gedragen en profiteren van het morele verwachtingspatroon en een goede reputatie hooghouden zonder aan de bijbehorende gedragingen te voldoen. Maar freeriding is tegelijk niet zo vrij als de naam suggereert. Bedriegen brengt kosten met zich mee, zoals die van niet open en oprecht zijn, waartoe mensen wel geneigd zijn. Het systematisch verbergen van gevoelens en gedrag heeft een prijs. Niettemin is het van belang om gedrag te monitoren om de free-riders en hen die van de normen afwijken te detecteren en te bestraffen. Als normvolgend gedrag wijde verspreid is, ontstaat het risico, aldus Baurman, dat de behoefte aan controle vermindert. Dat leidt dan tot meer noncoöperatief gedrag, waardoor een negatieve spiraal in werking treedt (vergelijk het feit dat als te weinig mensen hun buurt onderhouden uiteindelijk niemand meer iets doet). Als er voldoende coöperatief gedrag plaatsvindt (en Baurman veronderstelt dit op de vrije markt met goede handhaving), zullen de morele personen zich ook inspannen om collectieve goederen (in eerste instantie de rechtsstaat) te verbeteren, waardoor nog meer coöperatief gedrag ontstaat en het aantal morele personen verder toeneemt en een "virtueuze cirkel" in gang is gezet.

Baurman heeft gelijk dat er binnen organisaties prikkels zijn tot moreel gedrag, maar zoals hij zelf onderkent zijn er ook genoeg prikkels tot egoïstisch gedrag, zoals bij onvoldoende toezicht en sancties door het management en gepercipieerde oneerlijke praktijken (bijvoorbeeld in de sfeer van beloning). Dit uit zich dan in werknemers die de kantjes ervan aflopen, zich onnodig ziek melden en diefstal plegen. Ook heeft Baurman te weinig oog voor het belang van negatieve prikkels in deze: het is mijns inziens angst voor kritiek die er met name voor zorgt dat de meeste werknemers goed hun best doen, degenen die het heilig vuur kennen daargelaten. Angst voor gezichtsverlies en verlies van erkenning zijn drijvende krachten achter sociaal en moreel gedrag.

Baurmans analyse schiet tekort. Zijn stelling dat verlicht eigenbelang zorgt voor moreel gedrag geldt niet voor de publieke ruimte waar we elkaar als anomieme vreemden treffen. Juist daar is er sprake van asociaal gedrag en gebrek aan burgerschap. Je zou kunnen zeggen dat in veel gevallen moreel gedrag zo geïnternaliseerd is, dat dit ook in anonieme omgevingen overeind blijft en het niet aflegt tegen egoïstische impulsen, maar terecht stellen communitaristen dat het met die internalisering juist mis is. Liberalen kunnen niet veel meer dan stellen dat de sociale problemen die resteren met harde hand, door Law en order, bestreden moeten worden. Dat is veel beter dan een hogerhand gestimuleerde activering van het gemeenschapsleven. En verder moet erkent worden dat de staat ook niet alle problemen van de moderne tijd, zoals eenzaamheid, kan oplossen. Individuele vrijheid komt met een prijs, maar het is het waard. Dat mag zo zijn, maar resteert er dan werkelijk niets anders dan het strafrecht en acceptatie? Het liberalisme staat begrijpelijk bedenkelijk tegenover het communitaristisch project, maar volgens mij zijn er wel degelijk goede beleidslessen te leren hieruit. De focus moet daarbij liggen op activering van burgerschap. Daarover volgende keer meer.

21/6/09

Bronnen:

-Baurman, M. (1998). The market of virtue: morality and commitment in a liberal society.

-Selznick, P. (2004). The communitarian persuasion.