Al lang ben ik geïntrigeerd naar de redenen waarom mensen zich kwaadaardig gedragen. In dit essay bespreek ik dit onderwerp aan de hand van een kritische lezing van het boek Evil, inside human violence van Roy Baumeister. De auteur onderscheidt vier oorzaken van kwaadaardig gedrag: eigenwaan, idealisme, het trio hebzucht, lust en ambitie en sadisme. Ik zal deze bronnen achtereenvolgens bespreken. Deze bronnen zijn nog geen directe veroorzaker van geweld. Hiervoor is het nodig dat bepaalde remmingen worden losgelaten. Het vervolg van dit essay gaat in op de determinanten van zelfcontrole.
eigenwaan
Met het benoemen van eigenwaan als oorzaak van het kwaad gaat Baumeister in tegen de ook in de wetenschap levende mythe dat het kwaad vaak wordt begaan door mensen met een laag gevoel van eigenwaarde. Het idee hierachter is dat mensen met een gebrek aan eigenwaarde vinden dat de wereld hen te weinig waardeert. Door uit te halen proberen ze aan te tonen dat ze ertoe doen. Als we maar wat meer aandacht en liefde zouden geven aan deze onzekere types, dan komt het wel goed, is de achterliggende gedachte. Niet dus, laat Baumeister zien. Het zijn integendeel juist de zelfzuchtige egos die zich te buiten gaan aan geweld. Mensen met een laag gevoel van eigenwaarde trekken zich terug, de geïnflateerde egos daarentegen grijpen naar geweld als ze in hun ogen gekwetst, beledigd en vernederd worden. Als voorbeeld wordt het verband gelegd tussen het sterk gestegen aantal geweldsmisdrijven door zwarten in de VS en het Afro-Amerikaanse bewustwordingsproces sinds de jaren 60 (black power). Een ander voorbeeld zijn mannen die zich hoge kwalificaties hebben (of door anderen zijn) toegedicht en toch niet slagen. Dit zijn de types die hun vrouwen slaan. Ze zijn bang dat ze als man falen en niet door hun vrouw bewonderd worden, zeker als die vrouw meer verdient of er relatief beter uitziet en helemaal als de vrouw kritische uitlatingen doet over haar partner. Die kritiek kan zich ook uiten in verbaal of zelfs fysiek geweld. Huiselijk geweld komt vaak voort uit agressie van beide partners. In de helft van de gevallen van vrouwenmishandeling is daar sprake van. Dat de vrouw altijd alleen maar slachtoffer is, berust op een mythe. Baumeister haalt een man aan die na een lange tijd zich vernederd gevoeld te hebben zijn vrouw die hem uitscheldt, verkracht. Zijn vrouw betrapte hem op masturberen en zei dat ze het walgelijk vond. Toen hij een paar dagen later seks wilde, zei ze dat hij maar moest masturberen. In woede ontstoken greep hij zijn vrouw vast en verkrachtte haar. Ik had de beste erectie in jaren, verklaarde hij later. Ik ben er niet trots op, maar verdomme, ik liep drie dagen met een lach op mijn gezicht rond.

Baumeister benadrukt dat vooral mensen met een hoog gevoel van eigenwaarde waarvoor een sterke basis ontbreekt een risicofactor zijn. Deze bevinding moet als verontrustend worden beschouwd. In onze van narcisme doordrenkte samenleving lopen nogal wat van deze types rond. De moderne permissiviteit kweekt jonge narcisten die denken heel wat te zijn, hiertoe niet in de laatste plaats overtuigd door hun ouders voor wie hun vaak enig kind perse een geslaagd project moet worden. Jongeren zijn meer dan ooit gewend te krijgen wat ze willen en te horen dat ze het geweldig doen. In de verwachting veel te bereiken en niet gewend aan tegenslag en kritiek, passen ze goed in de mal van het narcisme. Daarnaast zijn er ook grote risicos op geweld geïmporteerd de afgelopen decennia. De auteur maakt duidelijk waarom relatief veruit de meeste geweldsmisdrijven worden begaan door allochtonen. Sociaal-economische achterstand is geen afdoende verklaring; er zijn ook veel witte jongeren met een dergelijke achterstand, maar zij zijn niet zo sterk oververtegenwoordigd in de criminaliteit. Sommige moslimjongeren beschouwen zichzelf, juist vanwege hun religie, superieur ten opzichte van de kazen, de ongelovige Hollanders. Hun egos worden nog meer geboost als ze binnen gangs aanzien verkrijgen door het etaleren van statusgoederen, gekocht met crimineel geld. De misdaad wordt goed gepraat door erop te wijzen dat het toch maar om kafirs gaat, zo liet eerder onderzoek zien. Wanneer mensen met een hoog zelfbeeld zich in groepen bevinden, wordt de kans op geweld verder vergroot. Groepsdenken versterkt het idee van een minderwaardige outgroup, vermindert het individuele morele verantwoordelijkheidsgevoel en de persoonlijke reflectie. Als een groot ego bekritiseerd wordt in het bijzijn van een groep, is de kans op een gewelddadige reactie om zijn eer te redden veel groter dan wanneer deze persoon privé wordt aangesproken. De groep kent bovendien vaak morele autoriteiten die nagevolgd worden door de meer volgzame leden. Waardering in een groep gaat vaak ten koste van een verliezer als de bronnen van respect, zoals in gangs, beperkt zijn. Baumeister toont aan dat mensen in groepen over het algemeen gevaarlijker zijn en dat de meeste misdaden in groepsverband begaan zijn. Groepen en gemeenschappen zijn in potentie bronnen van kwaad en het is dan ook verkeerd ze als ideaal voor te stellen, zoals de communitaristen en conservatieven doen.
De auteur stelt terecht dat mensen van nature geneigd zijn om kritiek te weerleggen en als onterecht af te doen. Ze zoeken naar excuses en redenen om hun gedrag te rechtvaardigen, ook al zijn deze moreel niet sterk en ongeloofwaardig. Waar gemiddeld met een verbale afweerreactie wordt volstaan, beantwoorden veel mensen met een hoog gevoel van eigenwaarde kritiek al snel met woede en frustratie (de ander probeert je te beschadigen!), wat kan uitmonden in geweld, zeker als de eer gered moet worden. Het eerbegrip geldt natuurlijk sterker in niet-westerse culturen. Baumeister wijst er verder op dat door kwaad te worden op anderen, we schaamtegevoelens kunnen maskeren. Eer en schaamte zijn (in niet-westerse culturen, met uitzondering van sommige katholieke regios) nauw met elkaar verbonden en stuwen tezamen de geweldsimpulsen op. Belangrijk is dat alleen mensen met een hoog gevoel van eigenwaarde waarvoor een zwakke basis is, reageren als gestoken door een bij op negatieve evaluaties, stelt de auteur. Wanneer deze mensen hun zelfcontrole verliezen, ontstaat een gewelddadige reactie. Deze theorie is evenwel te kort door de bocht.
Mensen met een sterk ego kunnen zich in een nieuwe situatie onzeker voelen en twijfels hebben of ze de situatie aankunnen. Ze weten wat ze kunnen, maar niettemin kan een nieuwe omgeving met nieuwe taken gevoelens van onzekerheid en twijfel oproepen. Dat is echter geen reden om agressief te reageren op kritiek. Ook grote egos kunnen zich in hun zelfvertrouwen bedreigd voelen (kan ik dit wel aan?). Waar het om gaat is of men bereid is de juiste reactie te kiezen op deze onzekerheid, namelijk hard werken en je open stellen in de hoop dat alles goed komt. Een wankelend groot ego is nog geen gevaar, ook niet als deze kritiek ontmoet. Kritiek, zij het gebracht in een passende omgeving (privé of met een paar vertrouwelingen) en op welwillende wijze, bijvoorbeeld in de vorm van advies, gebracht, kan hij of zij dan zelfs verwelkomen.
Agressieve impulsen ontstaan volgens mij pas als er naast een sterk ontwikkeld ego sprake is van een illusoir zelfbeeld wat zich uitdrukt in de narcistische persoonlijkheid, of frustraties uit het verleden, of ressentiment. Al deze factoren leiden tot een (al dan niet verdrongen) angst voor statusverlies.
De narcistische persoonlijkheid leeft met het idee dat hij of zij over geweldige eigenschappen beschikt. Dit komt niet alleen door een sterke aanleg, maar ook doordat de narcist teveel geprezen is door de eigen omgeving (wat ook een gevolg is van het dikwijls extraverte karakter en de weliswaar oppervlakkige innemendheid en charme van narcisten). In sommige gevallen berust de waardering voor de narcist ook deels op vrees. Van narcisten is bekend dat ze niet alleen causeurs zijn, maar dikwijls ook grillig, onstuimig en agressief (een extreem maar goed voorbeeld is Klaas Bruinsma). Wanneer de narcist geconfronteerd wordt met kritiek zal hij deze als onterecht opvatten en algauw zien als een aanval op zijn persoon. Een agressieve reactie is vaak het gevolg, waarbij de mate waarin afhankelijk is van het aangeleerd mechanisme van zelfcontrole. Gedacht kan worden aan de vele deelnemers van talentenwedstrijden die te horen krijgen dat ze niet kunnen zingen of dansen. Niet zelden komt het dan voor dat de jury kan rekenen op een verbaal agressieve reactie.
Frustraties uit het verleden, met name de jeugd, zijn ook een bron van agressie wanneer de betreffende personen een sterk ego hebben. Ik las eens van een manager die agressief op kritiek reageerde. Na aandringen van zijn omgeving ging de man in therapie met als uitkomst dat bleek dat hij een tirannieke vader had die heel kritisch op hem was. Onder druk van zijn ouders had de manager zich door hard werken omhoog gewerkt en veel zelfvertrouwen ontwikkeld. Maar zijn traumatische ervaringen uit zijn jeugd zijn hem blijven achtervolgen. Kritiek bracht hem terug naar zijn jeugd en hij reageerde hierop door een afweerreactie. Zoals gezegd bepaalt het vermogen tot zelfcontrole in hoeverre mensen toegeven aan hun agressieve impulsen. Vanwege hun zelfbeheersing sublimeren bijvoorbeeld sommige managers die impulsen tot manipulatie en andere hinderende maatregelen om zich op criticasters te wreken.
In het geval van ressentiment gaat het om mensen die een lage maatschappelijke positie hebben en het idee hebben dat de maatschappij te weinig voor hen doet of zelfs afwijzend tegenover hen staat. Als dit gepaard gaat met een subcultuur waarin codes van eer gelden, wordt de kans op geweld nog groter. Deze onderklasse realiseert zich dat ze in de bredere maatschappij weinig status heeft (in die zin hebben ze dus geen hoge eigenwaan) maar tegelijk vinden ze dat onterecht want ze doen wel hun best vinden ze. Ze vinden dat ze harde werkers zijn ondanks hun weinig aantrekkelijk werk. Of ze vinden zich (vanwege hun religie) zelfs moreel superieur. In economisch en vaak ook in cultureel opzicht voelen ze zich niet erkend. Er is veel ressentiment. Ze hebben een laag vertrouwen in politici, maar ook in hun medeburgers (onlangs heeft het CBS weer aangetoond dat dit voor laag opgeleiden waar het gros van de onderklasse uit bestaat, geldt). In de Marokkaanse gemeenschappen is er zelfs sprake van paranoïde gedrag (zoals Mohammed Benzakour onlangs in de NRC aangaf), maar dit komt ook in sterke mate omdat veel Marokkanen afkomstig zijn uit de totaal verbrokkelde sociale structuur van het Rifgebergte. Slachtofferschap is deze onderklasse niet vreemd. Zo leven deze mensen met een idee dat ze voor zichzelf moeten opkomen en ze hebben zich voorgenomen zich zo weinig mogelijk (nog meer) te laten beperken door anderen. Ze pikken nauwelijks iets, ze laten hun vrijheid niet nog minder begrenzen. Het zijn deze veeleisende mensen die zich agressief uiten op de EHBO als ze niet snel genoeg geholpen worden, of zich te buiten gaan aan agressie richting verkeersregelaars. Juist omdat ze minder dan hoger opgeleiden geleerd hebben hun zelfbeheersing te bewaren. Beschavingsnormen en waarden zijn ook minder aanwezig. Door de gewenning van de moderne welvaartssamenleving wordt men daarbij steeds veeleisender. Enerzijds is er dan de tendentie dat mensen steeds veeleisender worden, anderzijds dat er een grote groep is die steeds minder pikt en zijn vrijheid opeist (vergelijk de caféhouders die het rookverbod negeren). Dit laatste is overigens een algemene ontwikkeling: naarmate een samenleving individualistischer is, groeit de afkeer van bemoeienis en beperkingen (tenzij er een sterkere angst voor onveiligheid is). Natuurlijk bestaat er veel ergernis over deze asociale onderklasse. Zoals bij het lezen van de reacties op de website van de Telegraaf. Of bij het geklaag over de inhoud van voedselpakketten en dat geld voor ontwikkelingssamenwerking beter aan de armen in Nederland kan worden besteed. Of aan het proletengedrag en het platte hedonisme van deze groep. Wanneer dat ongenoegen direct geuit wordt tegen het object van onbehagen, gaat het natuurlijk mis.
Zo fietste ik een tijd geleden vanuit de stad terug naar huis toen een hindoestaanse man aan de linkerkant van het fietspas reed. Ik zei hem dat hij rechts moest houden. Hij begon me uit te dagen en te schelden. Dat maakte mij weer razend. Wat denkt die kankeridioot niet, eerst je niet aan de regels houden en me dan ook nog verrot schelden? dacht ik. Hij begon te slingeren met zijn fietsketting, maar ik was geen moment bang. Ik daagde hem zelfs uit en dreigde enige actie fysiek niet onbetuigd te laten. Ik werd niet kwaad omdat mijn ego gekwetst was; ik nam de beledigingen van de man geen seconde serieus. Waarom ik dan wel kwaad werd? Waarschijnlijk om zijn krankzinnig overdreven reactie en uit verontwaardiging over zijn schandelijke agressie die onrechtvaardig was. Ik was kwaad omdat ik het onrecht vond dat deze man dit kon zeggen, terwijl nederigheid en schaamte meer gepast waren. Wat dacht die tyfus klootzak wel? Baumeister zegt terecht dat zij met weinig eigenwaarde vaak niet degenen zijn die misdrijven plegen. Zelf heb ik geen groot ego, maar het is dankzij mijn hoge mate van zelfcontrole dat het niet tot een handgemeen kwam. Ook mensen zonder groot ego kennen grenzen en bij genoeg negatie en ander als vernederend ervaren gedrag, zal de bom ook bij hen barsten. De samenleving barst van de kwade energie.
Er is nog iets mis met Baumeisters theorie van het gekrenkte ego. Hij stelt dat wraak daaruit voortkomt, maar ook dat is te kort door de bocht. Het geldt zelfs niet geheel voor eerwraak dat toch tot doel heeft om het aanzien van een persoon of familie te herstellen door te laten zien dat normdoorbrekend gedrag niet ongestraft blijft. Veel mannen in eerculturen zitten gevangen in een culturele val, zo maakt de roman De vliegeraar bijvoorbeeld ook duidelijk. Ze willen eigenlijk helemaal geen eergerelateerd geweld begaan, maar als ze het niet doen, worden ze sociaal verstoten. Tegen hun zin begaan ze de misdaad om maar verzekerd te zijn van sociale steun en acceptatie; de prijs om te weigeren is te hoog, maar van echte wraak is vaak geen sprake. Wraak zelf heeft niets te maken met een geïnflateerd zelfbeeld, maar met woede om gepercipieerd onrecht. Wel is het mogelijk zo dat mensen met een zachte natuur minder snel tot wraak overgaan, maar zich relatief meer verliezen in verdriet dan mensen met een harde natuur en dat deze laatste groep vaak ook een groter ego heeft. Of en in hoeverre een sterk zelfbeeld biologische wortels heeft, weet ik niet.
idealisme
De tweede oorzaak van het kwaad die Baumeister onderscheidt, is idealisme. Uit naam van grote verhalen zijn miljoenen mensen de dood ingedreven, variërend van de concentratiekampen van het nazisme, het staatskapitalisme van Stalin waarbij 11 miljoen boeren werden uitgehongerd, tot de heilige oorlogen van de kruisvaarders en Al Qaeda. Bij idealistisch geweld rechtvaardigt het doel de middelen en Baumeister toont met schokkende voorbeelden aan hoe ieder gevoel van medeleven kapot werd gemaakt en weggestopt om het doel te bereiken. De leiders van idealistische bewegingen praktiseren bijna allemaal een zuiverheidsideaal; de wereld wordt uitgelegd als een verzameling van zuivere en onzuivere elementen, waarbij de laatste van de aardbodem moeten verdwijnen. Het regime van Pol Pot met haar streven naar een preïndustriële agrarische samenleving, waarbij eenderde van de bevolking werd uitgeroeid, ging daarbij verhoudingsgewijs wellicht het verst, maar ook in China en Rusland nam de heksenjacht naar onzuivere elementen paranoïde proporties aan. Het aangerichte kwaad werd gerationaliseerd maar soms ook als excessief weggezet (Stalin liet enkele van zijn beulen executeren om de schijn op te houden dat excessen bestraft werden en dat het regime de beste bedoelingen had). Baumeister laat zien dat mensen met openlijk beleden gewetenswroeging als zwak en ontrouw werden bestempeld en door hardvochtige medestrijders zwaar onder druk werden gezet om weer mee te lopen in het gelid, zodanig dat sommigen zelfs schaamtegevoelens kregen over hun schuldgevoel en twijfel. Of zoals een door de auteur opgetekende communistische hardliner het zei: morele twijfel is een teken van zwakte, van intellectuele overgevoeligheid en van stom liberalisme. Wat ook hielp was om de ander als slecht voor te stellen (iedereen die niet met ons is, is tegen ons). Door deze tactieken kreeg de Russische leiding het voor elkaar dat hun mannen, ondanks het verzet, gesmeek en gehuil, al het voedsel van de Oekraïnische boeren afnamen met een massale hongerdood als gevolg. Geweld tegen etnische minderheden, zoals het nazisme, kan verklaard worden vanuit idealistische motieven, zoals antisemitisme. Meer in het algemeen wordt racistisch geweld vaak ingegeven door een zuiverheidsideaal: de gemeenschap is besmet met vreemde en onwenselijke elementen die de eigenheid bedreigen. Door geweld worden de dragers hiervan gestraft en geïntimideerd (om zich in te tomen of te vertrekken) en de politiek onder druk gezet. Dit idealisme is dikwijls gekoppeld aan (vermeende) persoonlijke belangen, zoals de vrees dat de buitenlanders de banen voor de eigen bevolking inpikken. Angst is een voedingsbodem voor idealistisch geweld, maar geen voldoende voorwaarde. Veel Nederlanders vrezen de invloed van de islam op de Nederlandse cultuur, maar tot gewelddadige incidenten is het nauwelijks gekomen. Dit verandert als het wezensvreemde element te storend of zelf gewelddadig wordt. Na de aanslag op Theo van Gogh werden islamitische gebedshuizen in brand gestoken.

hebzucht, lust en ambitie
De derde bron van het kwaad volgens de auteur is de triade van hebzucht, lust en ambitie, waarbij het kwaad geldt als middel tot het doel. Baumeister zegt hierover dat het definiërende criterium van instrumenteel geweld is dat de aanvaller bereid zou zijn af te zien van geweld als hij of zij hetzelfde doel ook zonder kan bereiken. Als toevoeging bij deze definitie hoort te staan met vergelijkbare inspanningen. Veel overvallers zouden hun gewenste goederen ook door sparen en werken kunnen verkrijgen in plaats van door een gewelddadige overval, maar dat kost te veel tijd en inspanning. Instrumenteel geweld komt dus ook dikwijls voort uit luiheid en het onvermogen van uitstel van behoeftebevrediging. Wie niet gewend is om veel inspanning te verrichten om aan gewenste goederen te komen, bijvoorbeeld door een verwende opvoeding, is daarom in potentie meer vatbaar voor crimineel gedrag. In subculturen waar materialisme een zeer belangrijke waarde is en legale bronnen om materiele goederen te verkrijgen beperkt zijn (door werkloosheid of lage lonen), is de kans op deviant gedrag ook veel groter. Dit laatste is het sterkst het geval onder jongeren uit etnische minderheden waar het draait om geld en statusgoederen (get rich or die trying zoals rapper 50 cent het uitdrukte).
Baumeister rekent het terrorisme ook tot deze categorie. Terreurgroepen gebruiken instrumenteel geweld om zo, door het zaaien van angst en het bevorderen van ontwrichting, hun doelen te bereiken. Voor veel terreurgroepen zal dit, zeker in het begin, de reden zijn voor de inzet van geweld (al toont de geschiedenis aan dat terroristisch geweld niet effectief is om politieke doelen te bereiken). Ik denk echter dat het te eenvoudig is om religieus geïnspireerd geweld, zoals dat van Al Qaeda, als instrumenteel af te doen. Baumeister lijkt hier zelf ook twijfels over te hebben, al spreekt hij die niet uit, door ook in het hoofdstuk over idealistisch geweld religieus terrorisme als voorbeeld aan te halen. Zouden de voormannen van Al Qaeda daadwerkelijk denken dat hun acties ertoe kunnen leiden dat de westerse mogendheden zich terugtrekken uit het Midden-Oosten en andere oorlogsgebieden? Zouden de Palestijnse terroristen werkelijk denken dat hun zelfmoordacties significante politieke resultaten in hun voordeel tot gevolg zullen hebben? Het is moeilijk voor te stellen. Eerder lijkt hier sprake van een doodscultus. Men realiseert zich dat het westen haar eigen koers bepaalt en dat de vijand niet te verslaan is. Tegelijk wordt de overgave geweigerd. Wat resteert is doelloos geweld, alleen gericht op het zoveel mogelijk vernietigen van de vijand. Als de vijand niet overwonnen kan worden, dan kan tenminste geprobeerd worden deze zoveel mogelijk hinder en schade toe te brengen, desnoods ten koste van de eigen mensen (denk aan het in brand steken van olieraffinaderijen in Irak). Paradoxaal genoeg is dit ook de tactiek van de westerse legers in Afghanistan. Als de Taliban goed gehinderd wordt, is dat al heel mooi. Deze werkelijk verslaan lijkt vooralsnog op een illusie. Officieel en in naam stellen de terroristen politieke eisen, maar de facto gaat het erom de machtige vijand zo goed als het kan toch nog wat schade aan te brengen. Er wordt niet gevochten voor een concreet politiek doel; er wordt gestreden om te vernietigen. Voor de Hamasstrijders is het doel het toebrengen van zoveel leed als mogelijk aan Israël, zodat Israëls hegemonie niet zonder pijn bestaat. Instrumenteel geweld impliceert een afweging van kosten en baten om concrete politieke doelen te bereiken. Maar bijna alle terreurbewegingen eindigen in een irrationeel, destructief ritualisme van geweld dat alleen van door intern verzet en afvalligheid of door hard ingrijpen van buiten uit kan stoppen.

sadisme
De laatste bron van geweld die Baumeister onderscheidt, is sadisme. In tegenstelling tot wat gedacht wordt, is dit veruit de minst belangrijke oorzaak van geweld. Volgens een schatting is slechts 5 procent van de geweldsmisdrijven ingegeven door sadisme: het toebrengen van pijn omwille van het genot dat de dader hierdoor ondervindt. Baumeister geeft aan dat zelfs seriemoordenaars vaak geen pure sadisten zijn. Het moorden gaf ze geen plezier en na afloop voelden ze zich leeg en depressief. Wanneer daders hun misdaden begaan terwijl ze lachen, wordt al snel gedacht dat sadisme de beweegreden is. Baumeister geeft echter aan dat het lachen van daders lang niet altijd op sadisme duidt maar voortkomt uit schaamte, nervositeit of onzekerheid over wat een adequate reactie is in een extreme siuatie. Als moorden als onplezierig wordt ervaren, kan er een spel van maken het draaglijker maken. Lachen is dan een vorm van ontspanning, niet van sadistisch genot. Psychopaten krijgen vaak enig genoegen bij het lijden van anderen, maar het is geen drijvende kracht achter hun misdaden. Wat soms als sadisme lijkt, is dat volgens Baumeister dus lang niet altijd. Hij haalt het voorbeeld aan van een groep jongens die een man doodstaken en er met het geld wat hij op zak had, 1 dollar, vandoor gingen. Volgens Baumeister was het niet de bedoeling de man dood te steken, maar waren de jongens alleen uit op een beetje spanning vanwege verveling. De grens die de auteur probeert te trekken tussen wat wel en niet sadistisch geweld is, is dun en soms dubieus. Vast staat bijvoorbeeld dat de jongeren in het voorbeeld een gevoel van sensatie, een kick kregen van het geweld zelf. Verveling is geen bron van het kwaad, wel een achtergrondvariabele of risicofactor (die in de moderne samenleving door haar overdaad aan belevenismogelijkheden paradoxaal genoeg sterker dan ooit aanwezig is). Dat juist gekozen is voor geweld om de verveling te verdrijven, duidt op een fascinatie en wil tot geweld om geweld. Is geweld om het geweld altijd sadisme? Daar valt over te twisten, maar wat mij betreft niet. De sadist ontleent zijn genot aan het lijden van het slachtoffer; op een zieke manier is hij inlevend. Veel geweldplegers die plezier beleven aan geweld, zoals hooligans, krijgen geen kick van het lijden van hun slachtoffer(s); ze staan er vaak niet eens bij stil. De sensatie wordt ontleend aan de spanning van de confrontatie, aan de roes van het gevecht dat gepaard gaat met adrenaline. De beleving van het lijden van de ander, zoals bij de verkrachter die niet zelf penetreert maar voorwerpen inbrengt om zo de vrouw te kunnen zien lijden, is geen motief en staat niet centraal; het gaat om de opwinding, de intensiteit (hormonaal, situationeel, sociaal) van het moment. Niettemin is de scheidslijn dun. Het fenomeen van happy slapping waarbij mensen geslagen worden terwijl dit met een camera wordt opgenomen om het filmpje later te verspreiden, bijvoorbeeld. Er wordt plezier beleefd aan de reactie van het slachtoffer; het is dan ook een lichte vorm van sadisme.
Baumeister geeft aan dat de wil tot macht ook een belangrijke factor is: door het geschreeuw van het slachtoffer, krijgt de machtszoeker zekerheid van zijn eigen belang en van zijn macht. De macht over het slachtoffer kan niet bereikt worden op een andere wijze dan door bedreiging en zou dus als instrumenteel gezien kunnen worden. Dit is echter alleen houdbaar als de machtsuitoefening van langere duur is en niet gepaard gaat met geweld; bedreiging is immers genoeg voor machtsuitoefening. In Baumeisters voorbeeld lijkt er toch sprake van sadisme: genot is pas mogelijk door verminking. Het machtsgevoel kan bij het sadisme niet goed gescheiden worden van het lustgevoel. Dit aspect is ook gerapporteerd in onderzoek onder jeugdige overvallers: de kick van de onderwerping van het slachtoffer, de macht die gevoeld wordt bij een overval en die in het dagelijks leven afwezig is voor de daders, vaak afkomstig uit de onderkant van de samenleving. Sadisme is lang niet altijd een dominante factor, maar speelt niettemin vaak een rol. Dat geldt ook in het algemeen: aan veel geweldsuitbarstingen liggen meerdere van de bovengenoemde oorzaken ten grondslag. Denk aan de ideologische tegenstander die een narcistisch machthebber beledigd heeft. Hij wordt gemarteld en gedood vanwege het feit dat hij een onzuiver element in de gemeenschap is, maar ook uit wraak vanwege de persoonlijke en publieke vernedering van de machthebber. Door zijn tegenstander uit de weg te ruimen en het verzet te breken, vergroot de narcistische machthebber zijn invloed. Het geweld is dus ook instrumenteel. Tenslotte kan deze machthebber heel wel een sadistisch genoegen beleven aan het toebrengen van pijn, in het bijzonder aan zijn persoonlijke vijand.
Het is de vraag of Baumeisters analyse volledig is. Is er ook niet sprake van irrationeel geweld? Het verschijnsel van hooliganisme is aan de orde geweest. Dit kan niet (alleen) vanuit extreme clubliefde verklaard worden. Zelfs als middel om zich te onderscheiden van de andere supporters, is dat geen verklaring aangezien er andere onderscheidingsvormen mogelijk zijn. Het hooliganisme lijkt verwant aan relschoppers bij protestdemonstraties, het Fight club verschijnsel en boksen: geweld als spannend spel, als kick en als uitlaatklep. Kenmerkend van deze vorm van geweld is dat het gericht is tegen personen maar ook tegen objecten en dat (impliciet) verondersteld wordt dat de tegenstanders (politie, supporters van de andere club) ook deelnemers zijn van het spel, van de battle. Hooligans en anarchisten richten hun geweld niet tegen personen waarvan ze weten dat die niet tot de strijdende partijen behoren. Anarchisten zweren geweld tegen personen juist expliciet af; ze bieden alleen verzet bij politieoptreden. De enige slachtoffers die bij internationale politieke demonstraties vielen, kwamen door politiekogels. Geweld als spel dus. Het moge duidelijk zijn dat biologische factoren hier een belangrijke rol spelen: mannen met veel testosteron. Maar ook frustraties en verveling zijn relevante determinanten. Geweld is dan een middel om zich af te reageren; een willekeurig lid van een tegenpartij waar geen persoonlijke animositeit tegenover bestaat betaalt voor de frustraties van een vreemde. Frustraties worden zo gesublimeerd in een orgie van geweld en agressie.

Het is een bekend verschijnsel dat we ons afreageren juist op degenen die we het meest liefhebben, omdat we weten dat ze het ons zullen vergeven, vaak meteen al. Maar veel frustraties worden natuurlijk ook afgereageerd op mensen die behoren tot een groep waar toch al verdenkingen tegen bestaan, of die net een verkeerde opmerking plaatsten op het verkeerde moment, na een slechte dag op het werk bijvoorbeeld. Zelf heb ik ook weleens erg agressieve neigingen gevoeld tegen een buschauffeur die geen goede service bood vooral omdat ik slecht in mijn vel zat. Het zijn degenen met een hoog maar wankele eigenwaan en zonder zelfcontrole die die agressie niet binnen houden maar overgaan tot geweld.
afgunst
Een minstens zo belangrijke omissie in Baumeisters analyse is door afgunst gedreven geweld. Afgunst wordt niet voor niets als een van de belangrijkste zonden beschouwd: ze is maar al te menselijk. Het is volstrekt normaal dat wie ongelukkig is, de neiging heeft zich te ergeren aan het geluk van anderen omdat die over vermeende bronnen van geluk beschikken waarvan men zelf verstoken is of denkt te zijn. Afgunst gaat zoals bekend voorbij aan jaloezie; er is niet simpelweg een verlangen naar de bron van geluk die de ander heeft, maar ook onvrede over het feit dat die ander wel over dat geluk kan beschikken. Soms, bij extreme afgunst, speelt begeerte naar het object van geluk van de ander zelfs geen rol. Wat maakt die ander zo veel beter dat hij of zij wel gelukkig is en ik niet? Vaak dient de conclusie zich aan dat die ander integendeel juist eigenschappen heeft die onderdoen aan die van ons. Niet zelden wordt de bezittende ander gezien als oppervlakkig, zelfverwaand, egocentrisch, verwend en niet dankbaar genoeg maar toch gelukkiger. Dat is maar moeilijk te verteren. Gevoelens van afgunst ontstaan wanneer we bemerken dat een ander, die we geen prettige persoonlijkheid vinden, iets heeft dat ons waardevol lijkt en dat we zelf (menen te) missen. Zelf kan ik er bijvoorbeeld slecht tegen als mensen die bepaalde talenten hebben die ik ook wel zou willen hebben, die niet optimaal aanwenden. Ik ben echter niet afgunstig tegenover mensen die hun begerenswaardige, buitengewone talenten ten volle hebben ontwikkeld. Het gevaar is dat jaloezie, een nog meer voorkomende emotie, ook afgunstige gevoelens kan voeden, als de mogelijkheden om het begeerde te bereiken als zeer klein worden beschouwd. Als we het gemis van het begeerde niet meer kunnen opvatten, al dan niet terecht, als een gevolg van toeval of een gebrek aan inzet, bestaat het risico dat jaloezie ontaardt in afgunst (overigens wordt in de laatmoderne samenleving het toeval ook steeds minder geaccepteerd). De gelukkige bezitters veranderen dan al snel in onaangename mensen.
In de flat van mijn moeder woont iemand die advertenties, versieringen en oproepen op schrift steevast verwijderd of kapotmaakt. De betreffende persoon is tot dusverre niet betrapt. Het lijkt een geval van permanent ressentiment, van een wrokkig persoon die geen weg meer ziet om zelf gelukkiger te worden, maar zich gericht heeft op het vernietigen van het geluk van anderen door pesterijen. Het is een geval van gegeneraliseerde, algemene afgunst. Niet op de persoon, maar op de wereld die vrolijk doordraait vol met gelukkige mensen die alleen maar bezig zijn met het zichzelf en hun kleine kringetje te behagen, een wereld waar deze dader geen deel van uitmaakt. Door zijn destructieve acties oefent deze persoon tenminste nog enige invloed uit, wat an sich al positief bijdraagt aan het persoonlijk welzijn. Ook het gevoel minder alleen te lijden zal een (onbewuste) motivatie zijn. We willen erkenning van ons lijden en waar dit ontbreekt, wordt wraak een optie, wraak op de onverschilligheid van de ander. Onverschilligheid en gebrek aan erkenning zijn bronnen van gegeneraliseerde afgunst.
Socialisten wordt door liberalen nogal eens verweten dat hun wens tot herverdeling voortkomt uit jaloezie. Ik heb dit altijd een idiote bewering gevonden. Voor mezelf geldt in ieder geval dat ik niet jaloers ben op de tonnen en miljoenen van topmanagers, ik begeer hun geld niet. Ik vind hun onderling bedisselde inkomens en bonussen alleen onrechtvaardig. Gesteld kan worden dat die onrechtvaardigheid gegrond is in afgunst. In de zin dat ik vind dat die topmannen dat geld niet verdienen en er geen recht op hebben, in de zin dat ik het ze niet gun omdat het geld een eerlijker bestemming verdient, klopt dat misschien. Maar die afgunst heeft geen betrekking op de concrete personen, maar op de personen als functionarissen, als managers. Daarnaast is die afgunst procedureel van aard, in de zin dat de inkomens aan de top noch door een markt, noch door afspraken met alle belanghebbenden zijn gemaakt. Tenslotte is deze afgunst gerelateerd aan onmin over het gebrek aan deugdzaamheid van de topmanagers, op de morele schaamteloosheid die geëtaleerd wordt, met het verval van betrokkenheid en solidariteit die als een rechtvaardigheid wordt verkondigd.
Afgunst die geen betrekking heeft op
concrete personen, procedureel van aard en bovendien ook nog eens
niet gevoed wordt door jaloezie maar door morele verontwaardiging
die uiteindelijk teruggaat op het gelijkheidsideaal, is geen
afgunst.

Ik heb het hier over gevoelens van afgunst gehad en niet over afgunst persé. In het laatste geval is sprake van de stellige opvatting dat de ander zijn geluk kwijt zou moeten raken omdat deze daar geen recht op heeft (in de perceptie van degene die de bron van geluk ontbeert). Met gevoelens van afgunst bedoel ik gevoelens van onbehagen over het feit dat een (niet sympathiek bevonden) ander iets heeft (wat jezelf begeert), maar waarbij in the end na een rationele overweging je niet tot de conclusie komt dat het goed zou zijn als die ander zijn geluk, ontleent aan het begeerde, zou verliezen. Er is met andere woorden een breder grijs gebied, doordesemd van afgunstige gevoelens, maar nog geen pure, onversneden afgunst zelf. Met name die perifere gevoelens komen veel voor. De beroemde kerkvader Augustinus deed in de 4e eeuw na Christus in zijn Belijdenissen al verslag van een baby die afgunstig keek naar zijn broertje dat zoog aan de moederborst. De baby kon niet spreken, maar zijn afgunst sprak boekdelen: hij werd bleek en vuurde bittere blikken op zijn zogende broertje af. Afgunst leidt maar weinig tot geweld om precies dezelfde redenen waarom de eerder behandelde oorzaken van geweld niet het direct ontstekingsmechanisme zijn: morele zelfcontrole. Maar waar die muur geveld is, is het kwaad vaak niet te overzien. De Sloveense filosoof-psycholoog iek meent bijvoorbeeld dat het islamitisch terrorisme gedreven wordt door afgunst:
The fundamentalist Islamic terror is NOT grounded in the terrorists conviction of their superiority and in their desire to safeguard their cultural-religious identity from the onslaught of the global consumerist civilization: the problem with fundamentalists is not that we consider them inferior to us, but, rather, that THEY THEMSELVES secretly consider themselves inferior (like, obviously, Hitler, felt towards Jews) which is why our condescending Politically Correct assurances that we feel no superiority towards them only makes them more furious and feeds their resentment.
iek stelt dat afgunst en ressentiment constitutieve elementen zijn van het menselijk verlangen, omdat we verlangen wat de ander verlangt, we verlangen door de ander verlangd te worden en we verlangen naar de ander. Als deze verlangens niet worden beantwoord, ontstaat ressentiment en afgunst. De terroristen zien dat wij westerlingen over het algemeen gelukkig en zelfverzekerd zijn en in welvaart leven, terwijl ze zelf een achterhoedegevecht leveren. iek gaat niet specifiek verder in op wat de afgunst van de terroristen voedt. Volgens mij spelen er verschillende factoren. Ik denk dat de terroristen zich in tegenstelling tot wat iek beweert (en wat ook in lijn is met Baumeisters theorie over meerderwaardigheidsgevoelens en agressie) wel degelijk superieur vinden ten opzichte van westerlingen, in ieder geval in moreel-religieus opzicht. Dan doet het extra pijn dat die zondaars toch zo gelukkig en zelfverzekerd lijken. En veel rijker zijn. En broeders van hetzelfde geloof laten stikken ten gunste van de eigen economische belangen (de steun van de VS aan Saoedi-Arabië). En broeders van hetzelfde geloof doden (onmiskenbaar hebben de Irak en Afghanistanoorlog het terrorisme gestimuleerd; ze boden een legitimatie voor de diepere gevoelens van afgunst). Wel denk ik dat de terroristen ondanks hun ascetische levensstijl heimelijk verlangen naar de westerse welvaart: de afgunst is ook gedreven door jaloezie. Hun geloof maakt ze niet werkelijk gelukkig; anders zouden ze niet door haat gedreven zijn (die haat moet wel groot zijn; hoeveel moslims zouden niet de wapens te ruste laten in de gedachte dat alle ongelovigen die het beter hebben in de hel belanden; terroristen daarentegen zijn ongeduldig van aard. Zij willen de vergelding niet afwachten. Ze willen afrekenen en snel naar het paradijs: de bekende opvatting dat het aardse leven eigenlijk van geen waarde is vergeleken met het hiernamaals zoals bij alle orthodoxe gelovigen speelt hier ook). Daarbij komt dat ook moslimradicalen tenminste deels beïnvloed worden door de westerse uitvindingen en dit ook inzien. Hun gevecht tegen het westen is ook een gevecht tegen zichzelf. Net als dat de vrouw als een vat van verleiding wordt opgevat, als een wezen dat de morele integriteit van de moslimman bedreigt, wat onvermijdelijk leidt tot misogynie, zo wordt ook het westen gezien. En zoals iek aangeeft is de afgunstige persoon in eerste instantie uit op het ontnemen van het geluk dat de ander beleeft aan het begeerde object, niet op het object zelf. En is hij bereid zijn eigen geluk, of zelfs zijn leven, op te offeren om dat geluk te vernietigen.
Een laatste vorm van geweld die onvermeld is gebleven, is geweld tegen de eigen persoon (zelfdestructie), wat een onderwerp apart is dat ik ook buiten beschouwing van dit essay laat.
het belang van zelfcontrole
Waarom eindigde mijn confrontatie met de fietsende man niet met een vechtpartij? De diepere bronnen van het kwaad zijn besproken, maar de directe oorzaak ervan is altijd een verlies aan zelfbeheersing: Je hoeft mensen geen redenen te geven om gewelddadig te zijn, want ze hebben meer dan genoeg redenen hiervoor. Alles wat je hoeft te doen is hun redenen om zich te beheersen weg te nemen (..) Het kwaad is altijd klaar en wachtend om uit te barsten in de wereld. (14)
Nou was ik helemaal niet zo beheerst en ik maakte me ook gereed om te knokken, maar alleen uit zelfverdediging. Het kwam niet bij me op om de man, ondanks mijn woede, aan te vallen. Ik heb meerdere keren stevig gedronken en niet altijd met een goede dronk, maar nooit kwam het bij me op iemand in elkaar te slaan of vrouwen lastig te vallen. Ik was dan ook blij om te lezen dat Baumeister bevestigt wat ik altijd al dacht, namelijk dat agressieve impulsen slechts zelden onweerstaanbaar zijn. Gedacht kan worden aan de man die zijn vrouw in een woedebui mishandelt maar net op tijd weet te stoppen om geen blijvend letsel toe te brengen. Recentelijk heeft een jonge onderzoekster in haar proefschrift beweerd dat er geen verschillen zijn in attitudes ten aanzien van geweld tussen subculturen. Het is niet zo dat er subculturen zijn, met uitzondering van die waarbij eerwraak bestaat, die geweld significant meer goedkeuren. Geruststellend nieuws voor de linkse goegemeente natuurlijk. Ik vond de uitkomst maar moeilijk te accepteren gegeven het buitenproportionele geweld onder etnische minderheden. Dit geweld is natuurlijk voor een belangrijk deel te verklaren vanuit sociaal-economische factoren. Ook de straatcultuur die transcultureel is, speelt een rol, maar niettemin blijft het geweld dan nog relatief hoog onder sommige etnische (sub)groepen.
Baumeister komt met een plausibele verklaring: bij sommige subculturen wordt minder waarde toegekend aan behoud van zelfcontrole. Sommige mensen staan zichzelf toe om hun controle te verliezen. Bij bepaalde groepen is het meer geaccepteerd om de zelfcontrole te verliezen en agressief te reageren, terwijl men wel in staat is deze controle te beheersen, ook al ontstaan er als vanzelf agressieve impulsen. Deze acceptatie komt mede doordat de maatschappij signalen afgeeft dat het normaal is dat aan impulsen wordt toegegeven. Impulsief gedrag, directheid, het zijn welhaast waarden geworden in de moderne consumptiemaatschappij. Daarbij komt de eerder besproken veeleisende vrijheid van met name de onderklasse. Zelfs het strafrecht, waarbij geregeld de strafmaat wordt verlaagd met als argument dat de dader zichzelf niet zou kunnen beheersen gegeven de druk van het moment, geeft voeding aan de idee dat het normaal is als we onszelf soms niet in de hand hebben. Dat geweld onder bepaalde omstandigheden normaal is, wordt ook direct aangeleerd, zeker wanneer het effectief blijkt te zijn. Denk aan kinderen uit huishoudens waar de moeder mishandeld wordt. Er is een grote kans dat die kinderen later ook gewelddadig worden (45%!). Geweld is voor hen tot op zekere hoogte genormaliseerd, omdat de kinderen demonstratief is bijgebracht dat het effectief is zonder dat het relaties verbreekt.
Baumeister laat zien dat er behalve door sociaal leren vele factoren zijn die ervoor zorgen dat we onze zelfcontrole verliezen, zoals contextuele ambiguïteit, emotionele spanning, alcohol en de neiging tot volgzaamheid (het beruchte Milgramexperiment waarbij proefpersonen onder druk gevaarlijke schokken toedienen aan andere proefpersonen). Ook passiviteit bij geweld, waardoor het kwaad in stand blijft, zoals het bystander-effect waarbij niemand uit een groep hulp verleent aan een individu in hoge nood, komen aan bod.
Baumeister gaat overigens niet in op biologische factoren die in dit verband ook belangrijk zijn. In het slothoofdstuk merkt de auteur terloops op dat testosteron een belangrijke factor is die mede verklaart waarom overal en altijd het meeste geweld wordt gepleegd door jonge mannen. Het boek richt zich echter op sociaal-psychologische determinanten van geweld. Dat zijn ook de meest interessante en wezenlijke in mijn ogen. De biologie kan niet afdoende verklaren waarom mensen tot geweld overgaan. De diepere redenen waarom er tendenties tot agressie ontstaan zijn sociaal-psychologisch van aard (waarbij verklarende theorieën wel kunnen aangrijpen op bijvoorbeeld de evolutiebiologie, zoals wanneer bedreiging van eigenwaarde verklaard wordt uit het biologisch begrip van streven tot zelfbehoud).
Biologische factoren spelen dikwijls wel een rol bij de directe oorzaak van geweld, het verlies van zelfcontrole, en daar heeft Baumeister helaas geen aandacht voor. Zo zijn er wel degelijk mensen die door biologische oorzaken echt niet in staat zijn om weerstand te bieden aan agressieve impulsen. Door biologische defecten (het feilen van het prefrontale gebied van de hersenen en storingen in de neurale circuits in de amygdala) gaan psychopaten bijvoorbeeld veel eerder over tot geweld. En door verschillen in hormoonhuishouding heeft de een meer aanleg voor agressie dan de ander. Waar Baumeister ook geen aandacht voor heeft, zijn rationele afwegingen. Hij stelt het zo voor dat de meeste mensen agressieve impulsen hebben en dat als de zelfcontrole wegvalt, geweld het gevolg is. Maar daarna zit wel degelijk soms nog een rationele afweging die toch voorkomt dat men voor geweld kiest. Men kan van geweld afzien, ondanks dat men er geen a priori bezwaren tegen heeft en redenen heeft om het toe te passen (geldzucht bijvoorbeeld). Hierbij kan gedacht worden aan leden van gangs die in hun perceptie een hoge pakkans voorzien. Zeker bij idealisme en instrumenteel geweld is er vaak sprake van een kostenbaten afweging. Hoewel Baumeister het zelf niet zo noemt, zijn er tenslotte ook richtinggevende en versterkende variabelen. Bij de eerste kan gedacht worden aan mediabeelden. Iemand kan vage agressieve neigingen hebben, maar nog geen concreet slachtoffer of methode hebben uitgedacht. Vroeg of laat zou deze persoon overgaan tot een agressief delict; een film geeft slechts inhoud en richting. Terecht merkt Baumeister op dat de media vooral schuldig zijn aan indirect geweld: door het tonen van beelden van statusgoederen en aangenaam ogende lifestyles, worden verlangens gewekt die soms op illegale wijze worden bevredigd. Versterkende variabelen betreffen factoren die het geweld verergeren, zoals alcohol. Normaal zou een kopstoot de agressieve impuls hebben gedoofd, met alcohol op gaan alle remmen los. Alcohol kan echter ook een directe oorzaak zijn van geweld in de zin dat er zonder alcohol geen agressief gedrag zou zijn toegepast. Maar uiteraard is alcohol zelden de enige directe oorzaak, door het wegvallen van zelfcontrole, van geweld. Meestal is er sprake van een opeenstapeling van factoren die tezamen de zelfcontrole doorbreken; alcohol is daarbij de gevaarlijke druppel.

Een vraag waar de auteur niet op ingaat is waarom bepaalde individuen wel en andere niet snel hun zelfbeheersing verliezen. Hij komt niet verder dan een slechte opvoeding, waarbij geweld in extreme gevallen aan de orde van de dag is en zo als normaal wordt aangeleerd. Zoals gezegd denk ik dat biologische aanleg een rol speelt (het vermogen om impulsen te onderdrukken). Maar daarnaast zijn er nog andere verklaringen mogelijk. Met het risico elitair over te komen, denk ik dat persoonlijk talent ook een rol speelt. Wie niet erg taalvaardig is en zijn ongenoegen dus niet goed verbaal kan communiceren, zal bij agressieve impulsen eerder geneigd zijn om een conflict langs non-verbale weg te beslechten, ceteris paribus. Daarnaast zijn sommige mensen van nature minder geneigd tot reflexie en afweging. Dit blokkeert genuanceerde gedachtevorming, met als resultaat dat verkeerde of ongegronde denkbeelden mensen aanzetten tot gewelddadige reacties. Geweld is vaak gebaseerd op overtuigingen, maar als die overtuigingen niet of slechts deels kloppen, krijgt het geweld een (nog meer) irrationeel karakter. Mensen uit met name de onderklasse die de wereld al als bedreigend zien, komen eerder tot negatieve en onevenwichtige interpretaties waarin ze redenen kunnen zien voor geweld (de achterdochtige man die denkt dat zijn vrouw hem bedriegt, de zwarte man die denkt dat de witten hem discrimineren). Het vermogen tot reflectie, tot rationeel nadenken, sociale, cognitieve en emotionele intelligentie dus, is uitermate belangrijk als buffer tegen gewelddadige impulsen. In belangrijke mate vallen deze vormen van intelligentie echter aan te leren.
tegen een cultuur van geweld
Hierbij kom ik bij het belang van karaktervorming en van de ontwikkeling van deugden om onze gewelddadige cultuur tegen te gaan. Ouders hebben de plicht om hun kinderen zelfbeheersing bij te brengen en geweld resoluut af te wijzen. Agressieve impulsen kunnen niet altijd worden afgeleerd (de fout van de therapieën uit de jaren 70), maar daar gevolg aan geven wel. Met name de volgende eigenschappen en houdingen zijn van belang om gewelddadige reacties te voorkomen. Ten eerste een kritische, onafhankelijke houding en denkwijze, ook ten aanzien van autoriteiten, zodat men afleert te varen op gevaarlijke vooroordelen en geen demagogische leiders volgt. Deze neiging is overigens groter in collectivistische culturen, zoals de Aziatische. Door onafhankelijk en voorbij traditionele kaders te denken, wordt een universele ethische houding aangeleerd die van wezensbelang is voor een pluriforme samenleving. Ten tweede de ontwikkeling van een groot persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel. Dit voorkomt dat men zich wentelt in slachtofferschap en ressentiment gekweekt wordt. Bij tegenslag blijft het vertrouwen in de eigen kracht om verder te komen overeind, terwijl onbeïnvloedbare factoren, soms lijdzaam, worden geaccepteerd en beïnvloedbare onwenselijke factoren vreedzaam worden bestreden. Ten derde het vermogen van uitstel van behoeftebevrediging. Bij afwezigheid hiervan kan de verleiding te groot worden om op immorele wijze de gewenste goederen te verkrijgen. Ten vierde zelfkennis zodat men een realistisch beeld krijgt van zichzelf en narcisme de kop in wordt gedrukt. Over de eigenschappen waar men wel goed in is, is gepaste nederigheid gewenst in de erkenning dat veel van wat we zijn en kunnen toevallig gegeven is en geen verdienste. Zelfkennis is verder de basis van waaruit we zwakheden in de karakterstructuur kunnen tegengaan die agressieve impulsen bevorderen; in eerste instantie is hierbij van belang het vermogen om negatieve emotionele spanning juist te kanaliseren.
Ook empathie en sociale vaardigheden zijn van belang. Deze eigenschappen helpen om de verbondenheid met anderen te vergroten, wat de kansen op agressie doet afnemen (zoals door doorbreking van het outgroup denken). Ik ben daarbij ervan overtuigd dat een bevredigend sociaal leven bijdraagt aan een meer positieve attitude ten opzichte van mensen in het algemeen. Deze opsomming is niet uitputtend, maar het allerbelangrijkst is wel dat geweld wordt afgezworen door de opvoeders.
Zijn er ook beleidslessen te trekken? Zeker. Baumeister geeft de volgende opsomming:
Equalizing
opportunity can perhaps reduce the tendency to resort to violent
means as a way of achieving material gain, although there is no
convincing proof of this. Decreasing the emphasis on pride,
self-esteem, and public respect, or providing multiple and clear
criteria for proving oneself, may work against the tendency to
use violence to maintain ones face. A strong cultural
belief in the rights of individuals and in the inability of noble
ends to justify means can help prevent idealism from fostering
brutality. (382)
In een individualistische, ongelijke en materialistische samenleving als de onze zal er altijd veel kwaad blijven bestaan. Hoewel het kapitalisme in die zin dus een slecht systeem is, is het nog altijd te verkiezen boven andere, collectivistische systemen. Hierbinnen zijn mensen minder gelukkig en bestaat het kwaad van idealistisch geweld, waarvoor het westen (mits zij voldoende weerstand blijft bieden tegen het islamisme) veel minder hoeft te vrezen dankzij haar cultuur van mensenrechten. Het is onmiskenbaar zo dat, niettegenstaande vormen van morele regressie, de westerse cultuur in het algemeen een ontwikkeling van morele progressie heeft doorgemaakt (een onderwerp waar ik een andere keer op zal ingaan) en over middelen bezit om het kwaad tegen te gaan.
Het kwaad kent vele bronnen en vormen. De auteur van het besproken boek had alleen fysiek geweld voor ogen, blijkens zijn voorbeelden en anekdoten (die onderhoudend en informatief zijn, hoewel meer verwijzing naar wetenschappelijke artikelen de kracht van het boek ten goede zouden zijn gekomen), maar geweld kan ook psychisch van aard zijn. Sterker; het kwaad uit zich vaker door geestelijke kwelling dan door toebrenging van fysiek leed. Het meest uit het kwaad zich nog wel door onwetendheid en kortzichtigheid, niet intentioneel in psychologentaal. Maar deze oorzaken zijn geen excuus. Ze komen voort uit misplaatst egoïsme en een gebrek aan consideratie. In mezelf gekeerd met donkere gedachten had ik geen oog voor mijn omgeving en hield ik de deur van de lift niet open voor iemand die net het portiek binnenkwam. Een geërgerd bedankt, hè, dat je hem even vasthoudt, hoorde ik nog duidelijk toen ik net de knop van de lift had ingedrukt. Ik ben je geen gunst verplicht, klootzak, dacht ik (of woorden in die strekking). Later, bekoeld, realiseerde ik me dat er geen sprake was van wel of geen gunst verlenen. Het gaat erom opmerkzaam te blijven en behulpzaam te zijn wanneer de ander hulpbehoevend is. Mijn mentale afzondering was een begrijpelijke reden, geen excuus.
Op de oude vraag of de mens van nature goed of slecht is, zou ik antwoorden dat de mens niet inherent slecht en verdorven is, zoals bijvoorbeeld de leer van de erfzonde meent. De mens kan getroffen raken door menselijk leed. Hij is zelfs van nature ingesteld op medelijden en hulp, zo heeft neurobiologisch onderzoek aangetoond. Maar zijn goedheid is beperkt. Als hij niet noemenswaardig risico loopt, het niet te veel moeite kost en de opoffering beperkt is, wil hij bij nood en problemen over het algemeen best helpen. De mens is ook in staat om zichzelf moreel te verbeteren, zodanig dat hij zijn kwade neigingen over het algemeen machtig is. En dat is maar goed ook, want het is onmogelijk vol te houden dat de mens niet tot het kwade geneigd is, bewust en onbewust.
26/12/2008