Nationaliseer banken blijvend

Minister Bos wil een noodwet om banken sneller onder dwang te kunnen nationaliseren. Kennelijk is hij bevreesd dat bankiers terugvallen in ongewenst gedrag na het herstel. En niet onterecht. Nu al zie je dat de bonussencultuur zich weer herstellen. Het schandelijk graaigedrag gaat gewoon door, crisis of niet.

Dit is mogelijk omdat de fundamentele problemen van het bankenstelsel onaangeroerd blijven. Ten eerste blijft de aandeelhouderswaarde centraal staan waarbij hoge winsten bereikt moeten worden om veeleisende en wispelturige aandeelhouders tevreden te houden. Die hoge winsten worden nagestreefd door vooral niet op safe te spelen. Bankmanagers zullen daarbij na de crisis de verloren jaren weer goed willen maken en met nieuw elan willen scoren. Straks worden weer zeepbellen opgeblazen die uiteindelijk opnieuw in het gezicht van burgers en consumenten uiteenspatten. En we hebben gezien wat afspraken en codes betekenen in de praktijk.

Het gevolg hiervan, ten tweede, is dat veel banken hun maatschappelijke functie verwaarlozen. Publiek geld behoort het publieke economische belang te dienen, in plaats van dat van aandeelhouders, waarbij ook duurzaamheid en werkgelegenheid relevante criteria zijn. Jarenlang hebben banken veel meer geïnvesteerd in financiële waarde(loze)papieren in plaats van in de reële economie. Van bedrijven wordt maatschappelijke verantwoordelijkheid verlangd; voor banken als voeders van bedrijven zou dat niet anders moeten zijn. Ten derde blijft het gevaar van moral hazard bestaan; banken kunnen onverantwoorde risico’s nemen in het besef dat de overheid ze toch wel te hulp zal schieten en niet failliet laat gaan. Ten vierde blijft de kwestie van wie verantwoordelijkheid draagt voor falen bestaan. Iedereen wees naar elkaar toen de slechte cijfers binnenkwamen: bankmanagers, politici, toezichthouders, beleggers. NVB voorzitter Boele Staal stelde zelfs dat het falen niet bij mensen, maar bij het systeem ligt. Alsof het een het ander uitsluit. Het ergerlijke zwartepieten zal zich in de toekomst dan ook weer opnieuw voordoen.

Er is dikwijls geroepen dat deze crisis zuiverend werkt en dat het internationale bankwezen weer goed zal gaan functioneren als we uit deze crisis komen. Het zal een naïeve gedachte blijken. Beter is het om te kijken of er niet een radicaler alternatief mogelijk is.

De nationalisatie van banken bijvoorbeeld. Nationalisatie van grote banken is door vooraanstaande economen als Arnout Boot bepleit als remedie tegen de bancaire crisis. Het gaat hier echter om pleidooien voor tijdelijke nationalisatie om het globale kapitalisme weer op de rails te krijgen. Daarna moeten banken weer aan de CEO’s overgedragen worden. Staatsbanken, dat kan natuurlijk alleen maar een noodzakelijk kwaad zijn, is de communis opinio. Maar een andere bekende econoom, Arnold Heertje, gaf in de Volkskrant (10 januari) aan dat ‘het dogma dat banken niet in staatshanden mogen zijn, bestreden dient te worden.’ Terecht, want staatsbanken (zoals in Frankrijk en Duitsland) doen het over het algemeen niet slechter dan private banken. Een staatsbank kan daarbij bovengenoemde problemen wegnemen. Niet op geldbeluste egotrippers krijgen het geld van ons burgers in handen, maar degelijke, economisch geschoolde werknemers in overheidsdienst, die het vak van risicomanagement kundig(er) beheersen en uitoefenen. Op het ministerie van Financiën bijvoorbeeld lopen velen rond die dit type werk uitstekend verrichten ten behoeve van de staatskas.

Hoe zou een nationale bank eruit kunnen zien? Van belang is in ieder geval dat deze, net als DNB, politiek onafhankelijk opereert. De politiek stelt slechts de algemene doelstelling/opdracht en (juridische) kaders vast. DNB werkt het financiële deel van die kaders nader uit, die stringenter zijn dan de minimale internationale eisen. Een Raad van Bestuur, benoemd door de regering, werkt de algemene doelstelling nader uit, onder meer ten aanzien van de gewenste prestaties. Binnen deze kaders opereren enkele staatsbanken (drie of vier) met ieder lokale vestigingen en elk een eigen management op principe autonome wijze, waarbij het winstmotief leidend is. De doelmatigheid en effectiviteit worden door verschillende prikkels geborgd. Door intrinsieke motivatie, goede arbeidsvoorwaarden en peer pressure wordt prestatiegericht werken in het algemeen ook zonder bonussen al bereikt, maar om de prikkelstructuur te versterken zou een beperkt deel van de beloning winstafhankelijk kunnen worden, zonder excessen mogelijk te maken. Dit heeft ook als voordeel dat de loonkosten mee ademen met de conjunctuur. Onderlinge vergelijking (benchmarking) van de resultaten zet de zaak nog verder op scherp. Ook kunnen afdwingbare regels worden gemaakt over vervanging van het management of fusering van lokale vestigingen bij relatief sterk achterblijvende resultaten.

Het maatschappelijk karakter van de bankensector krijgt enerzijds vorm door inspraak van de klanten. Zij beslissen, geadviseerd door bankmedewerkers, over de inzet van een deel van de winst voor publieke doeleinden, eventueel met co-financiering door gemeenten. Anderzijds wordt centraal, door de Raad van Bestuur, door targets bevorderd dat bij het doen van beleggingen door de banken er aandacht is voor duurzaamheid en werkgelegenheid, zoals door differentiatie van rentepercentages, afdelingen voor speciale projecten en bijzondere betalingsregelingen bij tijdelijk noodweer. Ook worden er standaarden opgelegd om het zogenaamde ethisch bankieren, zoals nu alleen nog bij wijze van uitzondering gebeurd door bijvoorbeeld de Triodosbank, te bevorderen. Hoewel het logisch is dat in slechte tijden banken minder uitlenen, kan er ook sprake zijn van al te grote terughoudendheid wat de economie in het slop houdt; nationale banken kunnen in zo’n situatie tijdelijk soepeler optreden ten bate van de economie.

Het is niet nodig alle banken te nationaliseren. Kleine banken tot een zekere vermogensgrens kunnen blijven bestaan omdat ze geen systeemrisico vormen; ook voor een coöperatieve bank als de Rabobank die het relatief goed heeft gedaan, is dat niet nodig. Dit zorgt bovendien voor verdere concurrentie en keuzevrijheid. Deze worden verder geborgd doordat uitgeweken kan worden naar buitenlandse banken. Ondermijnt dat dan niet de positie van een nationale bank? Dat lijkt mee te vallen gezien de negatieve ervaringen met buitenlandse banken als Icesave, waar al slechts een heel klein deel van de spaarders geld bij wegzette, ondanks de relatief hoge rentepercentages. De spaarder hecht aan veiligheid en landsgrenzen en daar heeft een staatsbank juist een concurrentievoordeel, terwijl ze ook in andere opzichten concurrerend kan zijn. Daarbij komt dat als andere banken toch te veel geld wegkapen, het beleid daar altijd nog op kan worden aangepast, hoewel dat dan wel al snel ten koste gaat van sociale doelstellingen.

Als lichtend voorbeeld van hoe het ook kan, wil ik besluiten met het voorbeeld van de Caja Laboral Popular, de bank van ‘s werelds grootste coöperatie: Mondragon in Spanje. Deze werknemersdemocratie kent meer dan 100.000 werknemers. Onderliggende bedrijven zijn verbonden aan deze bank waar ze rekeningen aanhouden voor bijvoorbeeld hun depreciatiefonds en verkoopinkomsten, maar men is vrij om ook elders diensten af te nemen. De raad van bestuur wordt gevormd door vertegenwoordigers van de gemeenschap, de bankmedewerkers en van de bedrijven die zaken doen met de bank. Net als bij de Caja Laboral Popular, kennen de publieke banken speciale afdelingen die ondernemerschap stimuleren door investeringen, technische assistentie en het zoeken naar investeringsmogelijkheden. Ook voor ‘goede werken’ wordt geld beschikbaar gesteld. De Caja is wat je noemt een sociale bank (die ook nog eens relatief weinig door de crisis getroffen is in vergelijking met andere Spaanse banken). Waren al die grote, private banken ook maar zo sociaal, dan zaten we nu niet zo diep in de problemen.